Philpot’s Pearls — Second Collection
Maar de Geest openbaart Christus — Hij neemt van wat van Christus is en toont het ons — past het Woord met kracht toe op onze harten en brengt de zoetheid, de werkelijkheid en de gezegendheid van de goddelijke dingen in onze ziel. Alleen zo overwint Hij alle ongeloof en ongelovigheid, twijfel en vrees. Zo geeft Hij ons de zoete verzekering dat alles goed is tussen God en de ziel.
Het geloof blijft naar de verzoening kijken — het geloof kijkt niet zozeer naar de zonde als naar de verlossing van de zonde, naar de weg waarlangs de zonde wordt vergeven, overwonnen en bedwongen.
De waarheid zal u vrijmaken!
En zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken. (Johannes 8:32)
Voor een geestelijk gezind mens is het een zoete en zichzelf belonende taak — als men het al een taak kan noemen — het Woord te onderzoeken als naar verborgen schatten. Geen zoetere en betere bezigheid kan hart en handen vervullen.
Men doet het in een geest van gebed en overpeinzing, in afzondering van de wereld, in heilige vrees en met het verlangen Gods wil te kennen en te doen, in nederigheid, eenvoud en godvruchtige oprechtheid. Men zoekt binnen te dringen in die hemelse verborgenheden die in de Schriften zijn opgeslagen — en dat niet om het hoofd met begrippen te vullen, maar om de ziel te voeden met het brood van het leven.
De waarheid, ontvangen in de liefde en de kracht ervan … onderricht en bevestigt het oordeel. Zij verzacht en doet het hart smelten, verwarmt de genegenheden en trekt ze omhoog. Zij maakt het geweten levend en teder en houdt het zo. Zij is het voedsel van het geloof, de kracht van de hoop en de drijfveer van de liefde.
De waarheid kennen is gezegend vrijgemaakt worden … vrij van dwaling; vrij van de snode ketterijen die overal overvloedig zijn; vrij van aanmatiging; vrij van eigengerechtigheid; vrij van de vloek en de slavernij van de wet; vrij van de veroordeling van een schuldig geweten; vrij van een slaafse vrees voor het oordeel van mensen; vrij van de minachting van de wereld; vrij van de spot van wereldse belijders; vrij van het volgen van een menigte tot het kwade; vrij van de omgang met hen die de naam hebben dat zij leven maar dood zijn.
En zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken. (Johannes 8:32)
De zonde kan op geen andere wijze worden bedwongen.
hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God (Galaten 2:20)
Er is geen andere weg om ooit overwinning te behalen op onze aanklevende zonden dan door geestelijk ondergedompeld te worden in de dood en het leven van Christus. Als wij enerzijds een lijdende Christus voor ogen krijgen en zo worden ondergedompeld in Zijn lijden en sterven, dan zal dat gevoel, zolang het duurt, de macht van de zonde bedwingen.
Of als wij anderzijds een gelovig zicht krijgen op een opgestane Christus en voorraden van genade ontvangen uit Zijn volheid, dan tilt dat ons boven de heerschappij van de zonde uit.
Als de zonde krachtig in ons werkt, hebben wij een van deze twee dingen nodig om haar te bedwingen.
Wanneer er een zicht is op het lijden en de smarten, de doodsstrijd en het sterven van de Zoon van God, dan komt er kracht in de ziel neer in haar strijd tegen de zonde. Die geeft haar een mate van heilig verzet en bedwingende kracht ertegen.
Zo ook: wanneer de genade en liefde van Christus binnenkomen, tilt dat de ziel op uit de liefde en de macht van de zonde in een zuiverder en heiliger dampkring. De zonde kan op geen andere wijze worden bedwongen.
U moet ofwel worden ondergedompeld in het lijden en sterven van Christus — ofwel in de opstanding en het leven van Christus. Een zicht op Hem als lijdende God — of een blik op Hem als opgestane Jezus — moet verbonden zijn met elke geslaagde poging om de overwinning te behalen over zonde, dood, hel en graf.
U kunt strijden, geloften afleggen en berouw hebben — en waar komt dat op neer? U zakt dieper en dieper in de zonde dan tevoren. Hoogmoed, lust en hebzucht komen als een vloed binnen — en u wordt overspoeld en meegesleurd bijna voordat u het weet!
Maar als u een zicht krijgt op een lijdende Christus of op een opgestane Christus — als u iets proeft van Zijn stervende liefde, een druppel van Zijn verzoenend bloed of enige openbaring van Zijn schoonheid en zaligheid — dan komt er uit die geestelijke onderdompeling in Zijn dood of Zijn leven een bedwingende kracht voort. Die geeft een overwinning over verzoeking en zonde die niets anders kan of zal geven.
Toch geloof ik dat wij vaak vele jaren nodig hebben om dit goddelijke geheim te leren. Wij proberen ons te bekeren en te beteren en het lukt niet. Tot wij ten slotte door goddelijk onderwijs een weinig leren van wat de apostel bedoelde toen hij zei: hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God. En wanneer wij in dit leven van geloof kunnen komen — dit verborgen leven — dan zijn onze genegenheden gericht op de dingen die boven zijn.
Het heeft geen zin aan het werk te gaan met ‘wettische inspanningen’ — zij storten u slechts dieper in de sloot. U moet Christus door de kracht van God in uw ziel krijgen — en dan zal Hij met Zijn glimlach, bloed, liefde en tegenwoordigheid elke innerlijke vijand bedwingen.
Twee soorten berouw
Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt den dood. (2 Korinthe 7:10)
Er zijn twee soorten berouw die zorgvuldig van elkaar onderscheiden moeten worden, hoewel zij maar al te vaak met elkaar verward worden: evangelisch berouw en wettisch berouw.
Kain, Ezau, Saul, Achab en Judas hadden allen berouw — maar hun berouw was de wroeging van het natuurlijke geweten, niet de godvruchtige droefheid van een gebroken hart en een verslagen geest. Zij beefden voor God als voor een toornende Rechter — maar werden niet tot berouw gesmolten voor Hem als voor een vergevende Vader. Zij haatten hun zonden niet en verlieten ze niet — zij hadden de heiligheid niet lief en zochten haar niet.
Kain ging weg uit de tegenwoordigheid van de Heere. Ezau smeedde plannen om Jakob te doden. Saul raadpleegde de waarzegster van Endor. Achab zette de oprechte Micha in de gevangenis. En Judas verhing zichzelf.
Hoe anders is, vergeleken met dit gedwongen en valse berouw van een verworpene, het berouw van een kind van God — dat ware berouw over de zonde, die godvruchtige droefheid, dat heilige treuren dat voortvloeit uit de genadige werkingen van de Geest.
Dit berouw komt niet voort uit een besef van Gods toorn in een verbroken wet — maar uit Zijn barmhartigheid in een gezegend evangelie. Het komt voort uit een gelovig zien van het lijden van Christus in de hof en aan het kruis, uit een openbaring van vergevende liefde.
Het gaat altijd gepaard met zelfverafschuwing en zelfwalging, met diepe en onvoorwaardelijke belijdenis van zonde en het verlaten ervan. Het gaat gepaard met zeer hartelijke, oprechte en ernstige smekingen om voor alle kwaad bewaard te worden en met een heilig verlangen om te leven tot lof en eer van God.
Hebben wij niets aan Christus te geven?
Ja! Onze zonden, onze smarten, onze lasten, onze beproevingen en bovenal de zaligheid en de heiliging van onze zielen.
En wat heeft Hij ons te geven? Wat? Wel … alles wat de moeite waard is, alles wat een ogenblik van angstig denken waard is, alles voor tijd en eeuwigheid!
Nadat u een korte tijd hebt geleden
Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelve volmake, bevestige, versterke, en fondere ulieden (1 Petrus 5:10)
Er is geen goddelijke bevestiging, geen geestelijke kracht, geen hechte vestiging — behalve door lijden. Maar nadat de ziel heeft geleden en Gods tuchtigende hand heeft gevoeld, is het gevolg … dat zij wordt vervolmaakt, bevestigd, versterkt en gevestigd.
Door lijden wordt een mens gevestigd in een ernstige overtuiging van het karakter van Jehova, zoals dat in de Schrift is geopenbaard en in zekere mate bevindelijk in zijn geweten openbaar wordt gemaakt. Hij wordt gevestigd in de zekerheid van wat Paulus schrijft: dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. Hij is vast overtuigd dat alles gebeurt naar Gods eeuwig voornemen en dat alles strekt tot het goede van de gemeente en tot Gods eeuwige eer.
Zijn ziel wordt ook gevestigd in een diepe overtuiging van de ellende, de armzaligheid en de leegte van het schepsel. Hij is ervan overtuigd dat de wereld slechts een schaduw is en dat de dingen van tijd en zinnen slechts bellen zijn die uiteenspatten op het moment dat men ze grijpt.
Hij is ervan overtuigd dat van alle dingen de zonde het meest te vrezen is en de gunst van God boven alle dingen het meest te begeren. Niets is werkelijk de moeite waard om te kennen behalve Jezus Christus, en Dien gekruisigd. Alle dingen gaan voorbij — en hijzelf wordt snel meegevoerd op de stroom van het leven naar de grenzeloze oceaan van de eeuwigheid.
Zo wordt hij gevestigd in de kennis van de waarheid en blijft zijn ziel voor anker liggen. Hij ziet op naar de Heere om hem hier te bewaren en hem in vrede en veiligheid thuis te brengen in zijn eeuwige woning.
In dit toneel van verwarring en verstrooiing
En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. (Romeinen 8:26)
wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort. Hoe vaak vinden en voelen wij dat dit in ons geval zo is … Duisternis bedekt ons gemoed. Onwetendheid doordringt onze ziel. Ongeloof kwelt onze geest. Schuld benauwt ons geweten.
Een menigte kwade verbeeldingen, of dwaze of nog ergere afdwalingen, verstrooit onze gedachten. Satan werpt dik en snel zijn vurige pijlen. Een dichte wolk hangt over de genadetroon. De ongelovigheid fluistert haar snode ingevingen. Te midden van dit hele gepeupel heersen zulke verwarring en slavernij dat woorden ijdele adem lijken en gebed tot de God van de hemel slechts lege spot.
In dit toneel van verwarring en verstrooiing, wanneer alles op een schipbreuk lijkt uit te lopen — hoe vriendelijk, hoe genadig is het van de gezegende Geest om als het ware de arme, verwarde heilige te hulp te komen en hem te leren hoe hij bidden moet en wat hij bidden moet.
Daarom wordt gezegd dat Hij onze zwakheden mede te hulp komt, want deze kwaden waarover wij spraken zijn geen opzettelijke, bewuste zonden maar ellendige zwakheden van het vlees.
Hij helpt dan onze zwakheden — door de macht en de overhand van het ongeloof te bedwingen — door in het gemoed een plechtige stilte te gebieden — door Satan en zijn vurige pijlen te bestraffen en te verjagen — door de ziel met een eerbiedig besef van de macht en tegenwoordigheid van God met ontzag te vervullen.
Hij doet dat ook door Jezus ons voor ogen te stellen als de Middelaar aan de rechterhand van de Vader — door het geloof op te wekken en uit te trekken op Zijn Persoon en werk, bloed en gerechtigheid — en bovenal door Zelf voor ons en in ons te bidden met onuitsprekelijke zuchtingen.
Zijn eigen plage en zijn eigen smarte
Alle gebed, alle smeking, die van enig mens, of van al Uw volk Israel geschieden zal, als zij erkennen, een ieder zijn plage en zijn smarte, en een ieder zijn handen in dit huis uitbreiden zal; Hoor Gij dan uit den hemel, de vaste plaats Uwer woning, en vergeef, en geef een iegelijk naar al zijn wegen, gelijk Gij zijn hart kent; want Gij alleen kent het hart van de kinderen der mensen. (2 Kronieken 6:29-30)
De man voor wie Salomo bidt is hij die zijn plage en zijn smarte kent en voelt, pijnlijk voelt — wiens hart hem waarlijk een verdriet is — wiens zonden hem waarlijk benauwen.
Hoe pijnlijk is deze plaag vaak! Hoe loopt zij dag en nacht! Hoe vol etterig vocht! Hoe deinst zij terug voor de onderzoekende hand!
De meeste leden van het gezin van de Heere hebben een ‘plaag’ — ieder een tere plek — iets wat misschien alleen hij zelf en God kennen — de oorzaak van zijn grootste verdriet. Het kan … een heimelijke misstap zijn die hij heeft begaan, een zonde die hij heeft bedreven, een woord dat hij heeft gesproken of een kwaad dat hij heeft gedaan.
Hij is verstrikt geraakt, in de val gelokt en neergeworpen — en dat is zijn verdriet en zijn plaag die hij voelt, en soms diep voor God.
Voor zo iemand bidt Salomo: Hoor Gij dan uit den hemel, de vaste plaats Uwer woning, en vergeef, en geef een iegelijk naar al zijn wegen, gelijk Gij zijn hart kent; want Gij alleen kent het hart van de kinderen der mensen. Ja — God alleen kent het hart — Hij kent het volkomen — en ziet tot op de bodem ervan.
Wat zijn wij, wanneer wij geen beproevingen hebben?
De Heere heeft het pad van smart bepaald waarop de verlosten moeten wandelen. Waarom? Eén doel is hen van de wereld te spenen — een ander doel is hen de zwakheid van het schepsel te tonen — een derde doel is hen de vrijheid en de levenskracht van echte godsvrucht te laten voelen, geopenbaard in de bevinding van hun ziel.
Wat zijn wij, wanneer wij geen beproevingen hebben? Lichtzinnig, oppervlakkig, wereldsgezind, vleselijk, onbezonnen.
Wij kunnen over de dingen van God praten — maar zij staan op afstand. Er zijn … geen ernstige gevoelens en smeltende aandoeningen, geen werkelijke gebrokenheid en echte verslagenheid, geen wenen aan de goddelijke voeten en geen omhelzen van Christus in de armen van de genegenheid.
Wat kan een mens hier brengen? Een paar droge begrippen die in zijn brein heen en weer zweven? Dat zal nooit het leven en de kracht van levende godsvrucht in iemands hart brengen. Het moet geschieden doordat hij ‘uit bevinding vertrouwd is geraakt met moeite’.
Wanneer hij op het pad van de verdrukking wordt geleid, begint hij daarnaar te verlangen. En in Gods eigen tijd en op Gods eigen wijze begint hij de zoetheid van levende godsvrucht in zich op te nemen, geopenbaard in zijn hart door de kracht van God.
Wanneer de ellende een mens neerbuigt, ledigt zij hem van al zijn hoge gedachten en legt zij hem laag in zijn eigen ogen.
Geestelijke armoede
Zalig zijn de armen van geest (Mattheüs 5:3)
Geestelijke armoede is een ellendig gevoel van zielsleegte voor God — een innerlijk wegzinkend gevoel dat er in ons hart niets geestelijk goeds is, niets wat ons kan bevrijden van de rechtvaardig verdiende toorn van God of ons kan redden van de diepste hel.
Arm van geest zijn is dus deze ellendige leegte van geest hebben, deze naaktheid en armoede van de ziel voor God.
Wie nooit heeft geweten wat het is om voor de Heere te kermen met uitbarstingen van het hart als een nooddruftige, naakte ellendeling — wie nooit zijn ellendige armoede en leegte heeft gevoeld voor de ogen van een hartenonderzoekende God — heeft nog niet ervaren wat het is geestelijk arm te zijn.
Verzadiging!
haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen (Psalm 132:15)
Wat een zoetheid ligt er in het woord ‘verzadigen’!
De wereld kan het kind van God niet verzadigen. Hebben wij niet geprobeerd — sommigen van ons misschien vele jaren — enige bevrediging uit haar te halen?
Maar kan een echtgenote of echtgenoot ons verzadigen? Kunnen kinderen of verwanten ons verzadigen? Kan alles wat de wereld goed of groot noemt ons verzadigen? Kunnen de genoegens van de zonde ons verzadigen?
Is er niet in alles een knagende leegte? Oogsten wij niet ontevredenheid en teleurstelling uit alles wat van het schepsel en van het vlees is? Vinden wij niet dat er weinig anders dan smart te oogsten valt uit alles in deze wereld? Er valt weinig anders uit de wereld te halen dan … teleurstelling, ontevredenheid en ijdelheid en kwelling des geestes.
De arme ziel kijkt rond over de wereld en het schepsel — over alle bezigheden, vermaken en betrekkingen van het leven — en vindt alles één droevige oogst. Zo oogst zij niets dan smart, verlegenheid en ontevredenheid.
Wanneer een mens hier wordt gebracht — om bevrediging te verlangen, iets om hem gelukkig te maken en de knagende leegte te vullen, iets om gebroken beenderen, bloedende wonden en melaatse zweren te verbinden — wel, dan kan het zijn dat hij alles heeft bekeken. Hij heeft gekeken naar leerstellingen, meningen, begrippen en bespiegelingen, naar vormen, riten en ceremoniën in de godsdienst. Hij heeft gekeken naar de wereld met al haar bekoringen en naar het zelf met al zijn wisselende werkingen.
In dat alles heeft hij niets gevonden dan bitterheid van geest, kwelling en moeite en zo zinkt hij neer als een ellendeling. Wanneer de Heere dan iets van het brood van het leven voor hem opent, vindt hij een bevrediging die hij nooit uit enige andere hoek had kunnen krijgen.
En dat is de reden waarom de Heere Zijn volk zo verdrukt. Daarom dragen sommigen zulke zwakke, lijdende lichamen met zich mee, hebben sommigen zoveel familieverdriet en zijn anderen zo diep in armoede ondergedompeld. Daarom hebben anderen zulke opstandige kinderen en worden weer anderen zo beproefd met geestelijke smarten dat zij nauwelijks weten wat het einde zal zijn.
Het is alles voor één doel — om hen ellendig te maken buiten Christus — onbevredigd behalve met evangeliespijs — om hen zo ellendig en onbehaaglijk te maken dat God alleen hen gelukkig kan maken en alleen troost kan spreken tot hun verontruste gemoed.
De godsdienst van een dode belijder …
Hoe anders is de godsdienst van een kind van God dan de godsdienst van een dode belijder!
De godsdienst van een dode belijder … begint in het zelf en eindigt in het zelf. Zij begint in zijn eigen wijsheid en eindigt in zijn eigen dwaasheid. Zij begint in zijn eigen kracht en eindigt in zijn eigen zwakheid. Zij begint in zijn eigen gerechtigheid en eindigt in zijn eigen verdoemenis!
Er is in hem nooit een uitgaan van de ziel naar God, geen heimelijke omgang met de Heere.
Maar het kind van God is vaak flauw, moe en uitgeput door vele moeilijkheden, lasten en smarten. Toch kan het nooit tevreden zijn behalve in een levende vereniging en gemeenschap met de Heere van het leven en de heerlijkheid.
Alles wat daarbij achterblijft, laat hem leeg.
Alle dingen van tijd en zinnen laten een kind van God onbevredigd. Niets dan een levende vereniging en gemeenschap met de Heere van het leven — om … Zijn tegenwoordigheid te voelen, Zijn liefde te proeven, Zijn gunst te genieten, Zijn heerlijkheid te zien — niets dan dit zal ooit de verlangens van vrijgekochte en wedergeboren zielen bevredigen. Dit geeft de Heere Zijn volk graag.
Hebben wij niet op duizend dingen geleund?
Zie, gij vertrouwt op dien gebrokenen rietstaf, op Egypte; op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan en die doorboren (Jesaja 36:6)
Hebben wij niet op duizend dingen geleund? En wat zijn zij gebleken? Gebroken rieten die in onze handen zijn gedrongen en ons hebben doorboord … onze eigen kracht en voornemens, de wereld en de kerk, zondaars en heiligen, vrienden en vijanden — zijn zij niet allemaal in meerdere of mindere mate gebroken rieten gebleken? Hoe meer wij op hen hebben geleund, als een man die op een zwaard leunt, hoe meer zij onze zielen hebben doorboord.
De Heere Zelf moet ons spenen … van de wereld, van vrienden, van vijanden, van onszelf, om ons te brengen tot leunen op Hem Zelf. Elke steun zal Hij vroeg of laat wegnemen, opdat wij geheel en uitsluitend leunen op Zijn Persoon, liefde, bloed en gerechtigheid.
Arme, kniezende, neerslachtige schepsels
De meesten van ons zijn zo geboeid door … de ketenen van tijd en zinnen en door de zorgen van het leven en het dagelijkse werk. De zwakheid van ons aardse lichaam, de verstrooiende eisen van een gezin en de ellendige vleselijkheid en zinnelijkheid van onze gevallen natuur houden ons gebonden. Daardoor leiden wij op zijn best een armzalig, voortslepend, stervend leven.
Velen van ons zijn arme, kniezende, neerslachtige schepsels.
Wij hebben … allerlei beproevingen en verdrukkingen, een dagelijks kruis en de voortdurende plaag van een boos hart.
Wij kennen onszelf genoeg om te weten dat er in het ZELF noch hulp noch hoop is. Wij verwachten nooit een gladder pad of een beter, wijzer, heiliger hart. Zoals dan … de vermoeide mens rust zoekt, de hongerige voedsel, de dorstige drank en de zieke gezondheid, zo strekken wij ons hart en onze armen uit om de Heere Jezus Christus te omhelzen en gevoelig vereniging en gemeenschap met Hem te ervaren.
Hij ontdekt ons het kwaad en de ellende van de zonde, opdat wij vergeving zoeken in Zijn bloedende wonden en doorboorde zijde.
Hij maakt ons onze naaktheid en schaamte bekend, en daarmee onze blootstelling aan Gods toorn, opdat wij ons verbergen onder Zijn rechtvaardigmakend kleed.
Hij doet gal en alsem in de uitgelezen dranken van de wereld, opdat wij geen zoetheid hebben dan in en van Hem.
Geen enkel gezicht behalve dit
Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout (1 Petrus 2:24)
Wij smeken de Heere soms ons … een gebroken hart, een verslagen geest, een teder geweten en een nederig gemoed te geven.
Maar alleen een gelovig zien van wat de genadige Verlosser aan het kruis heeft verduurd, toen Hij onze zonden in Zijn eigen lichaam droeg met al hun gewicht en druk en met al Gods toorn die erop rustte, kan werkelijk een hard en stenen hart doen smelten en breken.
Geen gezicht behalve dit kan de zonde als hatelijk doen voelen. Geen ander kan tranen van godvruchtige droefheid uit de ogen persen en snikken van oprecht berouw uit de borst. Geen ander kan de diepste, nederigste belijdenissen voor God voortbrengen over wat voor verschrikkelijke zondaars en snode afvalligen wij zijn geweest voor de ogen van Zijn oneindige Reinheid, Majesteit en Heiligheid.
O, welke hoop is er voor onze schuldige zielen? Welke toevlucht tegen de zo rechtvaardig verdiende toorn van God? Welke schuilplaats tegen de vloek van een vurige wet — behalve in het kruis van Jezus?
O, een zicht op Hem, geopenbaard voor de ogen van ons verlichte verstand, terwijl Hij onze zonden draagt in Zijn eigen lichaam op het hout!
Het doordringende licht van de Geest
Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. (2 Korinthe 4:6)
Doch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen. (1 Johannes 2:20)
Het enige zaligmakende licht is het licht van God dat in de ziel schijnt en ons laat zien en kennen den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.
Een mens kan het helderste licht in zijn oordeel hebben en toch nooit het doordringende licht van de Geest hebben dat overtuiging in zijn ziel teweegbrengt. Hij kan de gezondste kennis van de leer van de genade hebben en het harmonische heilsplan zien — en toch nooit door goddelijk onderwijs een heilig God hebben gezien. Hij kan nooit hebben gevoeld hoe de geestelijkheid van Gods rechtvaardige wet hem als overtreder veroordeelt.
Als wij dit doordringende licht van de Geest niet hebben, zullen wij zeker op een dwaalspoor raken. Wij zullen … verstrikt raken in een of andere dwaling, ons storten in een of andere ketterij of een of andere leer van duivelen indrinken. Wij zullen een of andere vreselijke begoocheling in ons opnemen of in een vreselijke zonde vallen en ons geloof voor eeuwig schipbreuk zien lijden.
Een vals licht kan ons alleen doen stranden op de klippen van aanmatiging of wanhoop. Maar het licht van het goddelijke leven in de ziel gaat vergezeld van alle genaden van de Geest. Het is … het licht van de heerlijkheid van God, het licht van het aangezicht van Jezus en het licht van het onderwijs van de Geest, en daarom een onfeilbare gids en bewaker. En deze onfeilbare loods zal de ziel aan wie hij gegeven is veilig leiden naar de haven van eindeloze rust en vrede.
But the Spirit reveals Christ—taking of the things of Christ, and showing them unto us—applying the word with power to our hearts, and bringing the sweetness, reality, and blessedness of divine things into our soul. It is only in this way that He overcomes all unbelief and infidelity, doubt and fear, and sweetly assures us that all is well between God and the soul. Faith keeps eyeing the atonement—faith looks not so much to sin, as to salvation from sin—at the way whereby sin is pardoned, overcome, and subdued.
The truth shall make you free!
“You shall know the truth, and the truth shall make you free!” John 8:32
To a spiritual mind, sweet and self-rewarding is the task, if task it can be called, of searching the Word as for hidden treasure. No sweeter, no better employment can engage heart and hands than, in the spirit of prayer and meditation, of separation from the world, of holy fear, of a desire to know the will of God and do it, of humility, simplicity, and godly sincerity—to seek to enter into those heavenly mysteries which are stored up in the Scriptures—and this, not to furnish the head with notions, but to feed the soul with the bread of life.
Truth, received in the love and power of it . . . informs and establishes the judgment,
softens and melts the heart,
warms and draws upward the affections,
makes and keeps the conscience alive and tender; is the food of faith,
is the strength of hope,
is the main-spring of love.
To know the truth is to be made blessedly free . . . free from error;
free from the vile heresies which everywhere abound;
free from presumption;
free from self-righteousness;
free from the curse and bondage of the law;
free from the condemnation of a guilty conscience;
free from a slavish fear of the opinion of men;
free from the contempt of the world;
free from the scorn of worldly professors;
free from following a multitude to do evil;
free from companionship with those who have a name to live, but are dead.
“You shall know the truth, and the truth shall make you free!” John 8:32
Sin cannot be subdued in any other way.
“The life which I now live in the flesh, I live by faith in the Son of God.” Galatians 2:20
There is no way except by being spiritually immersed into Christ’s death and life—that we can ever get a victory over our besetting sins. If, on the one hand, we have a view of a suffering Christ, and thus become immersed into His sufferings and death—the feeling, while it lasts, will subdue the power of sin. Or, on the other hand, if we get a believing view of a risen Christ, and receive supplies of grace out of His fullness—that will lift us above sin’s dominion. If sin is powerfully working in us, we need one of these two things to subdue it.
When there is a view of the sufferings and sorrows, agonies and death of the Son of God—power comes down to the soul in its struggles against sin—and gives it a measure of holy resistance and subduing strength against it.
So, when there is a coming in of the grace and love of Christ—it lifts up the soul from the love and power of sin into a purer and holier atmosphere. Sin cannot be subdued in any other way. You must either be immersed into Christ’s sufferings and death—or you must be immersed into Christ’s resurrection and life. A sight of Him as a suffering God—or a view of Him as a risen Jesus—must be connected with every successful attempt to get the victory over sin, death, hell, and the grave.
You may strive, vow, and repent—and what does it all amount to? You sink deeper and deeper into sin than before. Pride, lust, and covetousness come in like a flood—and you are swamped and carried away almost before you are aware!
But if you get a view of a suffering Christ, or of a risen Christ—if you get a taste of His dying love—a drop of His atoning blood—or any manifestation of His beauty and blessedness—there comes from this spiritual immersion into His death or His life a subduing power—and this gives a victory over temptation and sin which nothing else can or will give.
Yet I believe we are often many years learning this divine secret—striving to repent and reform, and cannot; until at last by divine teaching we come to learn a little of what the Apostle meant when he said, “The life I now live in the flesh, I live by faith in the Son of God.” And when we can get into this life of faith—this hidden life, then our affections are set on things above.
There is no use setting to work by ‘legal strivings’—they only plunge you deeper in the ditch. You must get Christ into your soul by the power of God—and then He will subdue—by His smiles, blood, love, and presence—every internal foe.
Two kinds of repentance
“Godly sorrow brings repentance that leads to salvation and leaves no regret—but worldly sorrow brings death.” 2 Cor. 7:10
There are two kinds of repentance which need to be carefully distinguished from each other, though they are often sadly confounded—evangelical repentance, and legal repentance.
Cain, Esau, Saul, Ahab, Judas, all repented—but their repentance was the remorse of natural conscience—not the godly sorrow of a broken heart and a contrite spirit. They trembled before God as an angry judge—but were not melted into contrition before Him as a forgiving Father. They neither hated their sins nor forsook them—they neither loved holiness nor sought it.
Cain went out from the presence of the Lord;
Esau plotted Jacob’s death;
Saul consulted the witch of Endor;
Ahab put honest Micaiah into prison;
and Judas hanged himself.
How different from this forced and false repentance of a reprobate, is the repentance of a child of God—that true repentance for sin, that godly sorrow, that holy mourning which flows from the Spirit’s gracious operations. This repentance does not spring from a sense of the wrath of God in a broken law—but from His mercy in a blessed gospel— from a view by faith of the sufferings of Christ in the garden and on the cross—from a manifestation of pardoning love;
and is always attended with self-loathing and self-abhorrence,
with deep and unreserved confession of sin and forsaking it,
with most hearty, sincere, and earnest petitions to be kept from all evil, and a holy longing to live to the praise and glory of God.
Have we nothing to give to Christ?
Yes!
Our sins,
our sorrows,
our burdens,
our trials, and above all,
the salvation and sanctification of our souls. And what has He to give us? What? Why . . .
everything worth having, everything worth a moment’s anxious thought,
everything for time and eternity!
After you have suffered a while
“But the God of all grace, who has called us unto His eternal glory by Christ Jesus, after you have suffered a while—make you perfect, establish, strengthen, settle you.” 1 Peter 5:10
There is no divine establishment, no spiritual strength, no solid settlement—except by suffering. But after the soul has suffered, after it has felt God’s chastising hand, the effect is . . .
to perfect,
to establish,
to strengthen,
and to settle it.
By suffering, a man becomes settled into a solemn conviction of the character of Jehovah as revealed in the Scripture, and in a measure made experimentally manifest in his conscience. He is settled in the persuasion that “all things work together for good to those who love God, and are the called according to His purpose”—in the firm conviction that everything comes to pass according to God’s eternal purpose—and are all tending to the good of the Church, and to God’s eternal glory.
His soul, too, is settled down into a deep persuasion of the misery, wretchedness, and emptiness of the creature; into the conviction that the world is but a shadow—and that the things of time and sense are but bubbles that burst the moment they are grasped—that of all things sin is most to be dreaded—and the favor of God above all things most to be coveted—that nothing is really worth knowing except Jesus Christ and Him crucified—that all things are passing away—and that he himself is rapidly hurrying down the stream of life, and into the boundless ocean of eternity.
Thus he becomes settled in a knowledge of the truth, and his soul remains at anchor, looking to the Lord to preserve him here, and bring him in peace and safety to his eternal home.
In this scene of confusion and distraction
“In the same way, the Spirit helps us in our weakness. We do not know what we ought to pray for—but the Spirit Himself intercedes for us with groans that words cannot express.” Romans 8:26
“We do not know what we ought to pray for.” How often do we find and feel this to be our case . . . darkness covers our mind;
ignorance pervades our soul;
unbelief vexes our spirit;
guilt troubles our conscience;
a crowd of evil imaginations, or foolish or worse than foolish wanderings distract our thoughts; Satan hurls in thick and fast his fiery darts; a dense cloud is spread over the mercy-seat;
infidelity whispers its vile suggestions,
until, amid all this rabble throng, such confusion and bondage prevail that words seem idle breath,
and prayer to the God of heaven but empty mockery. In this scene of confusion and distraction, when all seems going to the wreck—how kind, how gracious is it in the blessed Spirit to come, as it were, to the rescue of the poor bewildered saint, and to teach him how to pray and what to pray for.
He is therefore said “to help our weaknesses,” for these evils of which we have been speaking are not willful, deliberate sins, but wretched infirmities of the flesh. He helps, then, our infirmities—by subduing the power and prevalence of unbelief—by commanding in the mind a solemn calm—by rebuking and chasing away Satan and his fiery darts—by awing the soul with a reverential sense of the power and presence of God— by presenting Jesus before our eyes as the Mediator at the right hand of the Father—by raising up and drawing forth faith upon His Person and work, blood and righteousness—and, above all, by Himself interceding for us and in us “with groans that words cannot express.”
His own sore and his own afflictions
“When a prayer or plea is made by any of Your people Israel—each one aware of his own sore and his own afflictions, and spreading out his hands toward this Temple—then hear from heaven, Your dwelling place. Forgive, and deal with each man according to all he does, since You know his heart, for You alone know the hearts of men.” 2 Chronicles 6:29-30
The man for whom Solomon prays is he who knows and feels, painfully feels, his “own sore” and his “own afflictions”—whose heart is indeed a grief to him—whose sins do indeed trouble him. How painful this sore often is!
How it runs night and day!
How full of ulcerous matter!
How it shrinks from the probe!
Most of the Lord’s family have a “sore”—each some tender spot—something perhaps known to himself and to God alone—the cause of his greatest grief. It may be . . .
some secret slip he has made,
some sin he has committed,
some word he has spoken, or some evil thing he has done.
He has been entangled, and entrapped, and cast down—and this is his grief and his sore which he feels—and that at times deeply before God.
For such Solomon prays, “then hear from heaven, Your dwelling place. Forgive, and deal with each man according to all he does, since You know his heart, for You alone know the hearts of men.” Yes—God alone knows the heart—He knows it completely—and sees to its very bottom.
What are we, when we have no trials?
The Lord has appointed the path of sorrow for the redeemed to walk in. Why? One purpose is to wean them from the world—another purpose is to show them the weakness of the creature—a third purpose is to make them feel the liberty and vitality of genuine godliness made manifest in their soul’s experience. What are we, when we have no trials?
Light,
frothy,
worldly-minded,
carnal,
frivolous.
We may talk of the things of God, but they are at a distance—there are . . .
no solemn feelings,
no melting sensations,
no real brokenness,
no genuine contrition,
no weeping at the divine feet,
no embracing of Christ in the arms of affection. What can bring a man here? A few dry notions floating to and fro in his brain? That will never bring the life and power of vital godliness into a man’s heart. It must be by being ‘experimentally acquainted with trouble’. When he is led into the path of tribulation, he then begins to long after, and, in God’s own time and way, he begins to drink into, the sweetness of vital godliness, made manifest in his heart by the power of God. When affliction brings a man down, it empties him of all his high thoughts, and lays him low in his own eyes.
Spiritual poverty
“Blessed are thepoor in spirit.” Matthew 5:5 Spiritual poverty is a miserable feeling of soul- emptiness before God, an inward sinking sensation that there is nothing in our hearts spiritually good, nothing which can deliver us from the justly merited wrath of God, or save us from the lowest hell. To be poor in spirit, then, is to have this wretched emptiness of spirit, this nakedness and destitution of soul before God.
He who has never thus known what it is to groan before the Lord with breakings forth of heart as a needy, naked wretch—he that has never felt his miserable destitution and emptiness before the eyes of a heart-searching God—has not yet experienced what it is to be spiritually poor.
Satisfaction!
“I will satisfy her poor with bread.” Psalm 132:15 What a sweetness there is in the word “satisfy!” The world cannot satisfy the child of God.
Have we not tried, some of us perhaps for many years, to get some satisfaction from it? But can wife or husband satisfy us?
Can children or relatives satisfy us?
Can all the world calls good or great satisfy us? Can the pleasures of sin satisfy us?
Is there not in all an aching void? Do we not reap dissatisfaction and disappointment from everything that is of the creature, and of the flesh? Do we not find that there is little else but sorrow to be reaped from everything in this world? There is little else to be gathered from the world but . . .
disappointment,
dissatisfaction,
“vanity and vexation of spirit.”
The poor soul looks round upon the world and the creature—upon all the occupations, amusements and relations of life—and finds all one melancholy harvest—so that all it reaps is sorrow, perplexity, and dissatisfaction.
Now when a man is brought here—to desire satisfaction, something to make him happy, something to fill up the aching void, something to bind up broken bones, bleeding wounds, and leprous sores—and after he has looked at everything—at doctrines, opinions, notions, speculations, forms, rites and ceremonies in religion—at the world with all its charms—and at self with all its varied workings, and found nothing but bitterness of spirit, vexation and trouble in them all, and thus sinks down a miserable wretch—why, then when the Lord opens up to him something of the bread of life, he finds a satisfaction in that which he never could gain from any other quarter.
And that is the reason why the Lord so afflicts his people; why some carry about with them such weak, suffering bodies; why some have so many family troubles; why others are so deeply steeped in poverty; why others have such rebellious children; and why others are so exercised with spiritual sorrows that they scarcely know what will be the end.
It is all for one purpose—to make them miserable out of Christ—dissatisfied except with gospel food—to render them so wretched and uncomfortable that God alone can make them happy, and alone can speak consolation to their troubled minds.
The religion of a dead professor . . .
How different the religion of a child of God is, from the religion of a dead professor!
The religion of a dead professor . . .
begins in self, and ends in self;
begins in his own wisdom, and ends in his own folly;
begins in his own strength, and ends in his own weakness;
begins in his own righteousness, and ends in his own damnation! There is in him never any going out of soul after God, no secret dealings with the Lord.
But the child of God, though he is often faint, weary, and exhausted with many difficulties, burdens and sorrows—yet he never can be satisfied except in living union and communion with the Lord of life and glory. Everything short of that leaves him empty.
All the things of time and sense leave a child of God unsatisfied. Nothing but vital union and communion with the Lord of life, to . . .
feel His presence,
taste His love,
enjoy His favor,
see His glory;
nothing but this will ever satisfy the desires of ransomed and regenerated souls. This the Lord indulges His people with.
Have we not leaned upon a thousand things?
“If you lean on Egypt, you will find it to be a stick that breaks beneath your weight and pierces your hand.” Isaiah 36:6
Have we not leaned upon a thousand things?
And what have they proved? Broken reeds that have run into our hands, and pierced us . . . our own strength and resolutions,
the world and the church,
sinners and saints,
friends and enemies,
have they not all proved, more or less, broken reeds? The more we have leaned upon them, like a man leaning upon a sword, the more have they pierced our souls.
The Lord Himself has to wean us . . .
from the world,
from friends,
from enemies,
from self,
in order to bring us to lean upon Himself; and every prop He will remove, sooner or later, that we may lean wholly and solely upon His Person, love, blood, and righteousness.
Poor, moping, dejected creatures
We are, most of us, so fettered down by . . . the chains of time and sense,
the cares of life and daily business,
the weakness of our earthly frame,
the distracting claims of a family, and the miserable carnality and sensuality of our fallen nature,
that we live at best a poor, dragging, dying life. Many of us are poor, moping, dejected creatures. We have . . .
a variety of trials and afflictions,
a daily cross and the continual plague of an evil heart.
We know enough of ourselves to know that in SELF there is neither help nor hope, and never expect a smoother path, a better, wiser, holier heart. As then . . . the weary man seeks rest,
the hungry man seeks food,
the thirsty man seeks drink,
and the sick man seeks health,
so do we stretch forth our hearts and arms that we may embrace the Lord Jesus Christ, and sensibly realize union and communion with Him.
He discovers the evil and misery of sin that we may seek pardon in His bleeding wounds and pierced side. He makes known to us our nakedness and shame, and, as such, our exposure to God’s wrath, that we may hide ourselves under His justifying robe. He puts gall and wormwood into the world’s choicest draughts, that we may have no sweetness but in and from Him.
No sight, short of this
“He Himself bore our sins in His body on the tree.” 1 Peter 2:24
We beg of the Lord, sometimes, to give us . . . a broken heart,
a contrite spirit,
a tender conscience,
and a humble mind.
But it is only a view by faith of what the gracious Redeemer endured upon the cross, when He bore our sins in his own body with all their weight and pressure, and with all the anger of God due to them, that can really melt a hard, and break a stony heart. No sight, short of this, can make sin felt to be hateful; bring tears of godly sorrow out of the eyes, sobs of true repentance out of the breast, and the deepest, humblest confessions before God as to what dreadful sinners and base backsliders we have been before the eyes of His infinite Purity, Majesty, and Holiness.
Oh, what hope is there for our guilty souls; what refuge from the wrath of God so justly our due; what shelter from the curse of a fiery law, except it be in the cross of Jesus?
O for a view of Him revealed to the eyes of our enlightened understanding, as bearing our sins in His own body on the tree!
The penetrating light of the Spirit
“For God . . . made His light shine in our hearts to give us the light of the knowledge of the glory of God in the face of Christ.” 2 Cor. 4:6 “But you have an anointing from the Holy One, and all of you know the truth.” 1 John 2:20
The only saving light is the light of God shining into the soul—giving us to see and know “the only true God, and Jesus Christ whom He has sent.” A man may have the clearest light in his judgment, and yet never have the penetrating light of the Spirit producing conviction in his soul. He may have the soundest knowledge of the doctrines of grace, and see the harmonious scheme of salvation—and yet never have by divine teaching, seen a holy God, nor have ever felt the spirituality of God’s righteous law condemning him as a transgressor.
If we do not have this penetrating light of the Spirit, we shall be sure to go astray. We shall . . . be entangled in some error,
plunge into some heresy,
imbibe some doctrine of devils,
drink into some dreadful delusion,
or fall into some dreadful sin, and have our faith shipwrecked forever.
A false light can but wreck us on the rocks of presumption or despair. But the light of divine life in the soul is accompanied with all the graces of the Spirit. It is . . .
the light of the glory of God,
the light of Jesus’ countenance,
and the light of the Spirit’s teaching,
and therefore an infallible guide and guard.
And this infallible pilot will guide the soul to whom it is given safe into the harbor of endless rest and peace.