Nieuw verschenenHet woord van Gods genadePreken · 6 dagen geleden
Joseph Charles Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Door Baca’s Vallei

Vandaag
9 november Door Baca’s vallei

Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.
Genesis 32:26

Wat een vreemde vermenging is er in een gelovig hart! Er is van alles om neer te werpen, en ook van alles om te bemoedigen. Aan de ene kant is er van alles om de ziel in verlegenheid te brengen, te verwarren en in de war te maken, en haar tot het uiterste of ten einde raad te brengen. Aan de andere kant is er weer van alles om haar het hoofd boven water te houden, haar geloof te sterken, haar hoop te ondersteunen en haar te bemoedigen om vast te houden tot de laatste snik! Dit is nu de eigenlijke beproeving van het geloof, die kostbaarder is dan goud dat vergaat. Want het geloof is geen dode, trage genade, en het is nooit werkzamer dan wanneer het als door vuur beproefd wordt.

U kunt niet loslaten wat u gevoeld en ervaren hebt, want dat is het voortreffelijke bewijs, de overtuiging, dat u het leven van God in uw ziel hebt. Al het andere lijkt daartegenover in uw ogen waardeloos, en als u uw bevinding zou opgeven, zou u daarom al uw hoop verliezen. Hier ligt dan de grote verborgenheid: blijven aanhangen, aanhouden en volhouden, en niet één van uw bevindingen wegwerpen. Hoe meer de Heere ons lijkt af te wijzen, hoe meer wij Hem aankleven.

Was dit niet het geloof van de Syro-Fenicische vrouw, die zich als het ware niet tevreden kon stellen met een afwijzend antwoord? Of het geloof van Ruth: „Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten”, of het geloof van Hanna, toen zij bitter bedroefd haar ziel uitstortte voor het aangezicht van de Heere en zeer weende? Doet dit geloof niet denken aan Heman, toen hij uitriep: „Zult Gij wonderen doen aan de doden? Zullen de overledenen opstaan? Zullen zij U loven?” En aan dat van Asaf, toen zijn voeten bijna waren uitgeweken en zijn treden bijna waren uitgegleden?

Dus hoe meer de Heere ons lijkt af te wijzen, hoe meer wij Hem achternagaan en aankleven. Hoe ellendiger wij zijn, hoe meer wij Zijn genade nodig hebben. De grootte van onze zondeschuld doet ons des te meer uitzien naar Zijn verzoenend bloed, en des te vaster vasthouden aan Zijn Woord en belofte, omdat die zo goed bij ons geval passen. Ook zal niets ons ervan weerhouden onze hoop vast te houden, of ons doen ophouden op Zijn genade te vertrouwen.

Aan de lezer…

Als u in uw hart die vreemde vermenging vindt, zoveel wat u neerwerpt en toch iets wat u niet laat loslaten, bent u dan soms ten einde raad, en kunt u toch niet loslaten wat u ooit van de Heere gevoeld en ervaren hebt? Dat is de beproeving van het geloof, kostbaarder dan goud. Het geloof is nooit werkzamer dan wanneer het door het vuur gaat.

Lijkt de Heere u af te wijzen, laat dat u dan niet wegdrijven, maar u des te vaster doen aankleven. Zo deed de Syro-Fenicische vrouw, zo weende Hanna voor Zijn aangezicht. Hoe ellendiger u bent, hoe meer u Zijn genade nodig hebt; hoe groter uw schuld, hoe meer u mag uitzien naar Zijn verzoenend bloed. Houd dan aan met dat oude worstelgebed: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.”

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Blader door alle dagen van dit Bijbels Dagboek
Steun dit werk