Nieuw verschenenHet woord van Gods genadePreken · 5 dagen geleden
Joseph Charles Philpot Bevindelijke geschriften & prediking

Door Baca’s Vallei

Vandaag
30 oktober Door Baca’s vallei

Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij.
Hosea 11:7

Wat een vreselijke dwaling is het om de afkeringen te ontkennen! Wat een onwetendheid toont dat in het hart van de mens! Hoe kenmerkt het de mens als iemand die de waarheid verdraait en die spot met de zonde en met Gods ongenoegen! Wie die zichzelf kent en de afgoderij van zijn gevallen natuur, durft te ontkennen dat hij voortdurend afkeert met zijn hart, zijn mond en zijn wandel? Kan iemand van ons ontkennen dat wij onze eerste liefde verlaten hebben? Dat wij zijn afgekeerd van de eenvoud en godvruchtige oprechtheid, afgekeerd van de eerbiedige en Goddelijke vrees, afgekeerd van de hemelsgezindheid, afgekeerd van het uitgaan van de genegenheden van ons hart naar de Heere?

En ook als wij ervoor bewaard zijn openlijk te zondigen, zodat wij door de bewarende hand van de Heere niet in het slijk zijn neergeworpen, kunnen wij ons dan vrijpleiten van het tweevoudige kwaad dat de Heere Zijn volk ten laste legt: „Zij hebben Mij, de Springader des levenden waters, verlaten, en zich bakken uitgehouwen, gebroken bakken, die geen water houden” (Jeremia 2:13)? En wat zijn de vruchten die wij van onze afkeringen oogsten? Oogsten wij genoegen, vertroosting of vrede? Hebben wij dan nog de glimlach van God, of het inwendig getuigenis van de Geest in ons geweten?

Als het geweten in onze binnenste spreekt, wat zegt het dan? Dat elke verwijdering van de Heere droefheid en smart veroorzaakt; dat u er zo ver vandaan bent uzelf te rechtvaardigen in het bedrijven van uw zonden, dat u wel tranen van bloed zou willen huilen om het goddeloze afwijken van de Heere. Het is enkel barmhartigheid dat de Heere ons niet heeft overgegeven aan verharding van het hart, dat ons geweten niet is toegeschroeid, zodat wij met het Israël van vroeger zouden zeggen: „Zekerlijk, ik ben onschuldig; ik heb niet gezondigd” (Jeremia 2:35); maar dat Hij ons heeft teruggevoerd met smeking en met geween.

Zijn sommigen van ons niet gedwongen geweest de Heere al huilend onze afkeringen te belijden: hoe wij Zijn vreze verlaten hebben en vreselijk tegen Hem gezondigd hebben? Hoe onwillig wij geweest zijn Zijn juk op ons te nemen en in Zijn geboden te wandelen? Zijn wij niet gedwongen geweest Hem te zeggen dat wij ongehoorzaam, weerspannig, vuil en dwaas zijn geweest? En heeft Hij ons niet, zij het in geringe mate, geleid om ons aangezicht naar Sion te wenden en onze rug te keren naar alle valse leraars en ijdele herders, naar alle kracht en wijsheid en gerechtigheid en wil van het schepsel, en heeft Hij ons eenvoud en oprechtheid van hart en geweten gegeven, waardoor wij ons aangezicht naar Sion gewend hebben, uitziend naar een zegen die uit Sion moet komen, uitziend naar genade en naar heerlijkheid?

„Ik zal u ook ziek maken (Eng. vertaling), u slaande en verwoestende om uw zonden” (Micha 6:13); dat zinspeelt op het gevoel van ziekte dat door een wond veroorzaakt wordt. „Ik ben zeer verwond” (1 Kon. 22:34). En hebben deze wonden in ons geweten ons niet in zekere mate ziek gemaakt van de wereld, ziek van de belijdende kerk, ziek van de huichelaars, ziek van de witgepleisterde Farizeeën, ziek van vleselijke belijders, ziek van onze afkeringen, ziek van alles, behalve van het Woord van God dat met kracht geopenbaard wordt? Ziek van alles, behalve van het bloed en de liefde van de Verlosser; van alle onderwijs, behalve van het onderwijs van de Heilige Geest; ziek van alle gezelschap, behalve van het gezelschap van de kinderen van God?

Kunt u zeggen dat u uw rug hebt gekeerd naar alles, behalve naar Christus, en Die gekruisigd? Dat u zich hebt afgekeerd van alle leerstellingen, behalve van die welke het bloed van het Lam als middelpunt hebben? Dat u zich hebt afgekeerd van algemene liefdadigheid en algemene mensenliefde, die in de plaats gekomen zijn van de kracht der godzaligheid (hoewel u uw medemens als mens graag zou willen liefhebben en dienen), en dat uw geestelijke genegenheden uitgaan naar God en Zijn volk?

En is er in uw ziel zo’n gevoel als bij Ruth, toen zij zei: „Uw volk is mijn volk en uw God mijn God”? Is er in uw ziel een gewillig antwoord op de stem van de Heere, wanneer Hij zegt: „Mijn zoon, geef Mij uw hart”? Kunt u dan zeggen: „Neem het, Heere, met al wat ik ben en heb”? Werpt u zich aan de voet van het kruis, en ligt daar de verzuchting tot de Heere van het leven en de heerlijkheid, dat Hij van vrede spreekt tot uw ziel?

Aan de lezer…

Kent u dat? U kunt niet ontkennen dat u afkeert. Moet u niet belijden dat u uw eerste liefde verlaten hebt, dat u zo vaak de Springader des levenden waters verliet voor gebroken bakken die geen water houden? Schrijnt het in uw geweten, zodat u wel tranen van bloed zou willen huilen? Dat is geen teken van verharding, maar van barmhartigheid. Het is enkel genade dat de Heere u niet heeft overgegeven, maar u met smeking en geween terugvoert.

Hebben de wonden u ziek gemaakt van de wereld, ziek van uzelf, ziek van alles behalve van het bloed en de liefde van de Verlosser? Wend dan uw aangezicht naar Sion, uitziend naar genade en naar heerlijkheid. Hoort u Zijn stem: „Mijn zoon, geef Mij uw hart”, werp u dan met al wat u bent en hebt aan de voet van het kruis neer en zucht daar tot Hem, dat Hij van vrede spreekt tot uw ziel.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Blader door alle dagen van dit Bijbels Dagboek
Steun dit werk