The Walk in the Fields and among the Vineyards
Komt, mijn liefste! laat ons uitgaan in het veld; laat ons vernachten op de dorpen. Laat ons vroeg ons opmaken naar de wijnbergen, laat ons zien, of de wijnstok bloeit, de jonge druifjes zich opendoen, de granaatappelbomen uitbotten; daar zal ik U mijn uitnemende liefde geven. Hooglied 7:11, 12.
Ik predik niet dikwijls uit het Hooglied van Salomo; en wel voornamelijk om twee redenen: Vooreerst omdat, schoon dit heilige boek vol rijkdom en keur van bevinding is, het voor het grootste gedeelte in zo’n beeldrijke en overdrachtelijke taal is gesteld, dat het meer genade en wijsheid vordert dan ik werkelijk bezit, om altijd de juiste uitlegging van de figuren te geven te dien einde door de Heilige Geest gebezigd. En, ten andere, omdat de gemeente Gods, in het algemeen gesproken, niet in geschikte toestand verkeert, om de lessen van heiligheid en waarheid, in dit gedeelte van Gods Woord vervat, te verstaan, te begrijpen, en bevindelijk te verwezenlijken.
Het Hooglied, zoals gij wel weet, is een gewijd bruiloftslied, en kan in het algemeen beschreven worden als de onderlinge uitdrukking van de liefde van Christus en van de Gemeente bevattende, onder het zinnebeeld van een bruidegom en een bruid, die in elkaars gezelschap genoegen scheppen, en aan hun genegenheid in tedere, maar kuise en heilige taal lucht geven. Maar de Gemeente Gods thans is eerder een eenzame weduwe dan een blijde bruid; zij brengt eerder haar tijd met vasten dan met feest te houden door; zij klaagt eerder dan dat zij liefkoost, en zit eerder bij de rivieren van Babylon met haar harp aan de wilgen opgehangen, dan dat zij de zangen van Zion in zoete melodie uitstort.
Maar de door mij opgenoemde zwarigheden zijn echter niet zo, of zij kunnen overwonnen worden. Wat de eerste tegenwerping betreft, ofschoon veel van het Hooglied zo overdrachtelijk en beeldsprakig is, dat het dikwerf onze pogingen teleurstelt om zijn geestelijke betekenis te verstaan, zo zijn er toch beelden in, van welke wij enigszins in staat zijn, door de dunne nevel der beeldspraak beschouwd, ze duidelijk en bevindelijk te verstaan; en, wat de tweede zwarigheid aangaat, zijn er ook plaatsen in, welke de tegenwoordige bevinding van Gods kinderen te gemoed komen, omdat zij, ofschoon uitdrukkingen van liefde, toch eerder in de taal der tedere begeerte dan in die van werkelijk genot gesteld zijn. Neemt b.v. hoofdst. 1: 3: “Uw oliën zijn goed tot reuk, Uw naam is een olie, die uitgestort wordt: daarom hebben U de maagden lief”.
Elk waar gelovige, die ooit gevoeld heeft dat Christus’ naam liefelijk en dierbaar is, kan de bevinding, in die woorden vervat, verstaan, al mag ook in vele opzichten zijn geloof gebrek aan volle verzekerdheid of tegenwoordig genot hebben. Zo wederom: “Trek mij, wij zullen U nalopen” (1: 4). Daar hebben wij de bevinding van een ziel, die door liefdekoorden en mensenzelen verlangt getrokken te worden, en Jezus na te lopen, opdat zij Hem mag inhalen, bezit van Hem nemen, en Zijn voetstappen drukken, al mag zij ook in volle verzekerdheid te kort schieten.
Alweer: “Ik zocht ‘s nachts op mijn leger Hem, dien mijn ziel lief heeft, maar ik vond Hem niet” (3:1). Daar hebben wij de bevinding van een ziel treurende onder verlatenheid en liet verstoken zijn van Gods aangezicht, de Heere zoekende, en die toch niet in staat is Zijn tegenwoordigheid of kracht werkelijk te ervaren. “Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haren Liefste?” (8: 5). Daar hebben wij de uitdrukking van een hartelijk, getrouw kind Gods, dat uit de woestijn der wereld komt, Jezus met zijn hart trouw aankleeft, en op Hem leunt met al Zijn kracht, als het enige voorwerp zijner vurige liefde. Bijna al deze plaatsen zijn in beeldsprakige, toch echter gemakkelijk verstaanbare taal uitgedrukt, en zeker niet boven de bevinding van het grootste deel van Gods volk.
Wij zullen vinden, zo God mij helpt om de uitgelezen bevinding van onze tekst ‘ op te sporen, dat de woorden voor ons beide karakters bezitten. Vooreerst, al is de taal ten hoogste bloemrijk, is zij toch verstaanbaar genoeg, door de dunne sluier der beeldspraak heen, om ons een zichtbaar afbeeldsel te vertonen, en wel niet minder dan een gelaat stralend van het licht en de schoonheid van een zeer genadige bevinding; en tevens ten andere, is de dus daarin afgebeelde bevinding niet van zulk een verheven aard in geestelijk genot, dat zij boven het bereik van degenen is, die iets van de uitstorting der oprechte liefde in de boezem van de verlosser kennen.
Laat ons dan tot de woorden komen zoals zij zich voordoen in de bijzondere taal des gezegenden Geestes, en zien of wij daaruit niet enig geestelijk onderwijs, genaderijke aanmoediging, Goddelijke troost of nuttige vermaning mogen opzamelen.
I. Merkt op de uitnodiging, die Christus (want Hij is hier de Spreker) doet aan Zijn geliefde om Hem te vergezellen op Zijn liefdeavondwandeling: “Kom, mijn liefste, laat ons uitgaan”.
II. De plaats waarheen Hij haar uitnodigt in gezelschap met Hem te gaan: “Laat ons in het veld uitgaan, laat ons vernachten op de dorpen”.
III. Het doel van hun reis, samen zo hand aan hand gaande: “Laat ons vroeg ons opmaken naar de wijnbergen, laat ons zien of de wijnstok bloeit, de jonge druifjes zich opendoen, de granaatappelen uitbotten”.
IV. Het onthaal dat Hij haar belooft, als zij hun tocht volbracht hebben: “Daar zal Ik u mijn uitnemende liefde geven”.
I. Ik heb zo even mijn gevoelen te kennen gegeven, dat het onze Heere is, die hier spreekt. De Schriftverklaarders, geloof ik, en onder hen mag ik Dr Gill noemen, schrijven de woorden aan de Gemeente toe; maar naar mijn inzicht in het onderwerp, zijn zij veel gepaster op de lippen van de verlosser. Laat mij u daarvan reden geven. De uitnodiging “kom, mijn geliefde”, schijnt gepaster van de lippen des bruidegoms dan van die der bruid te komen. Hij baant de weg, zij volgt. Hij trekt, zij komt. Hij verzoekt haar te komen; zij luistert naar zijn uitnodiging, en grijpt blijde zijn aangeboden hand aan. Is dit niet meer passend, meer overeenkomstig met hun onderlinge betrekking? Zou het zo niet tussen verliefden in het dagelijkse leven zijn?
Is het niet meer met de maagdelijke zedigheid overeenkomende om gevraagd te worden dan om te vragen, om haar hof gemaakt te worden dan het zelf te maken, om genodigd te worden een avondwandeling te doen dan de uitnodiging zelf te doen? Maar wanneer wij zien op de verheven waardigheid van de hemelse bruidegoms, hoe vol zij ook van hoogst genadige toegevendheid zij, moet het ons tevens om hoger redenen treffen, dat het passender is voor de Heere om aan de gemeente de uitnodiging te doen om met Hem te wandelen, dan aan de gemeente om Hem uit te nodigen met haar te wandelen.
1. Maar laat ons nu op de tedere uitdrukking zien met welke Hij haar aanspreekt: Mijn liefste. Dit is Zijn taal door het gehele lied heen tot zijn verloofde en bruid. Wat ook de gemeente in haar zelf zij, en geen taal kan de diepte harer verlaging door de val beschrijven, zij is dierbaar en ná aan het hart van Christus. Twee dingen moeten ons altijd met verwondering, en ik mag zeggen met heilige bewondering treffen, wanneer wij die bevindelijk in onze eigen boezem verwezenlijkt zien; vooreerst, dat Christus, door het geloof, als de eeuwige Zoon Gods in al de heerlijkheid Zijner ongeschapen Godheid beschouwd, ooit iemand van het menselijk geslacht zou hebben bemind.
Hebt gij ooit gepoogd het gevoel te verwezenlijken dat Hij, die eeuwig God is, zich ooit zou neergebogen hebben om een schepsel als de mens te beminnen? Als ik zeg “beminnen”, bedoel ik niet die algemene goedkeuring, die God heeft, als Schepper, in het werk Zijner handen, maar die warmte van bij7ondere en tedere genegenheid, welke wij door de uitdrukking verstaan. Is het niet genoegzaam om onze geest met verwondering te vervullen, dat de Grote en Heerlijke, de door Zichzelf bestaande Ik zal zijn een eindig schepsel als de mens zou beminnen?
Wij kunnen begrijpen hoe gelijken gelijken kunnen beminnen of zelfs meerderen minderen, zo de ongelijkheid niet zeer groot is; maar dat Hij, die de hemel met Zijn heerlijkheid vervult, met al de warmte van oneindige genegenheid de mens, het schepsel Zijner hand, zou beminnen – dat is inderdaad een verborgenheid. David gevoelde dit toen hij zei, na een beschouwing van de heerlijkheid van de starrenhemel: “Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt? en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt? En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?” (Ps. 8: 4, 5). Zo was ook Salomo’s gevoel, toen hij de tempel had gebouwd.
“Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja de hemel der hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel temeer dit huis, dat ik gebouwd heb” (1 Kon. 8: 27). Maar wanneer wij beschouwen wat de mens niet alleen als een eindig, maar als een gevallen schepsel is; wanneer wij de reinheid en heiligheid Gods stellen tegen de onreinheid en onheiligheid van de mens; en wij bedenken hoe hatelijk de zonde is in de ogen van Hem, die de ongerechtigheid niet kan aanschouwen, dan mogen wij wel verbaasd staan, dat een zo heilig God zulke lage zondaren zou beminnen.
Maar de tweede zaak is ook geschikt om ons met verwondering en bewondering te treffen. De verborgenheid, welke nooit in dit leven begrepen kan worden, en hoogst waarschijnlijk insgelijks in het toekomende onbegrijpelijk zal blijven, is, dat God sommigen zou hebben lief gehad en anderen niet. Waarom Hij Jakob lief gehad en Ezau gehaat, David verkozen en Saul verworpen zou hebben, zijn verborgenheden, onnavorsbaar voor het menselijk verstand. Maar, ofschoon onmeetbaar door het meetsnoer der menselijke rede, zijn zij toch waarheden, even duidelijk in Gods Woord geopenbaard als die leerstukken, welke meer binnen het bereik van ons verstand liggen; en daarom behoorden zij door het geloof aangenomen, niet door het ongeloof betwist te worden.
Het zal genade zijn, in plaats van ons verstand door die verborgenheid in verlegenheid te brengen, veel minder haar dikwijls tot eert twistpunt te maken, zulk een getuigenis in onze eigen consciëntie te hebben, als Paulus eens had, toen bij in de volle verzekerdheid van het geloof kon zeggen: “Hij heeft mij lief gehad en zich voor mij overgegeven”. Als wij nu de gemeente in haar tegenwoordige vervallen toestand beschouwen, kunnen wij wel verbaasd staan, dat onze genadige Heere nog enige liefde tot haar zou gevoelen. Maar zo is het. De liefde zelf is de eerste bewegende oorzaak. Zelfs in de natuurlijke liefde, kan niemand de bron aanwijzen waaruit zij voortkomt.
Alles wat wij van haar weten is, dat zij vrijwillig voortvloeit, uit eigen beweging, naar haar voorwerp. Zo is het ook met de goddelijke liefde: zij vloeit vrijwillig voort, zonder enige andere oorzaak te zoeken dan haar eigen inwendige beweging, of enig ander voorwerp dan dat naar hetwelk zij zich zacht maar toch krachtig uitstrekt. “God,” lezen wij, “is liefde” (1 Joh. 4: 8).
Dat is Zijn naam; dat is Zijn aard. Maar zo iemand vraagt, waarom God iemand der mensenkinderen heeft lief gehad, is alles wat wij kunnen antwoorden: “Hierin is de liefde, niet dat wij God lief gehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden” (1 Joh. 4: 10). En zo iemand vraagt hoe wij deze liefde kunnen kennen, is alles wat wij kunnen zeggen: “En wij hebben gekend en geloofd de liefde, die God tot ons heeft. God is liefde; en die in de liefde blijft, blijft in God, en God in het” (1 Joh. 4:16).
2. Maar liefde kan niet zonder wederliefde bestaan. Is dit niet in menselijke liefde waar? Hoe menig ongelukkig meisje is van hartzeer gestorven door onbeantwoorde liefde! Hoe menig man is bijna tot wanhoop gebracht, omdat het voorwerp zijner liefde haar verpande trouw schond en een ander huwde. Het is hetzelfde in de goddelijke als menselijke liefde. Goddelijke liefde behoeft wederliefde. Maar daar is dit bijzonder kenmerk in de goddelijke liefde, in hetwelk zij ver alle aardse liefde overtreft, dat zij nooit de behoefte aan wederliefde kent, nooit het gebrek aan getrouwheid gevoelt.
Gij kunt een aards voorwerp liet hebben en geen wederliefde hebben. Gij kunt uw genegenheid op iemand van het andere geslacht vestigen, en die genegenheid zien versterven, omdat het voorwerp ontrouw wordt. Maar zo is het niet in de hemelse liefde. Zij vindt altijd wederliefde; zij ontmoet nimmer ontrouw. Maar hoe kan dit zijn? Ga ik hier op veilige en vaste grond, of beweer ik iets, dat niet in stipte overeenstemming is met het Woord der Waarheid en de bevinding der heiligen?
Denkt gij dan dat het mogelijk is, dat goddelijke liefde vernietigd kan worden? Wat is de reden dat menselijke liefde niet altijd vergolden wordt? Is het niet omdat de minnaar niet in staat is enen wederzijdse gloed in de boezem der geliefde te ontsteken? Maar kan dit het geval zijn met de goddelijke liefde? Als men dit dacht, zou men een twijfel opperen omtrent de macht des Almachtigen, zowel als opzettelijk in strijd zijn met de Schrift der waarheid. Wat lezen wij daar?
“Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft lief gehad” (1 Joh. 4: 19). En wederom: “De liefde Gods is in onze harten uitgestort door de Heilige Geest, die ons gegeven is”. Het is daarom onmogelijk, dat goddelijke liefde zou teleurgesteld worden door geen wederliefde te ontmoeten. Het is waar dat gij soms twijfelt en vreest of Jezus u bemint.
Maar deze twijfel en vrees zelf duiden aan, dat gij enige liefde voor Hem hebt; en zo gij Hem bemint, kunt gij zeker zijn dat Hij u bemint. Liefde tot de Heere is een zeker teken van een nieuwe en hemelse geboorte, “want een ieder, die lief heeft, is uit God geboren, en kent God” (1 Joh. 4: 7). En gij kunt ook zeker zijn van Zijn trouw jegens u, zelfs al bent gij dikwijls ontrouw aan Hem; want dien Hij lief heeft, heeft Hij lief tot het einde; en “indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw; Hij kan zichzelf niet verloochenen” (Joh. 13: l; 2 Tim. 11: 13).
Zo Hij u dus eens heeft lief gehad, zal Hij u nimmer verlaten. Deze twee bittere druppels, die vaak de gehelen beker van menselijke liefde in één teug alsem en gal doen verkeren, gebrek aan wederliefde en ontrouw, worden nooit in de goddelijke liefde gevonden. Op deze twee dingen dan kunt gij rekenen, zo gij inderdaad Jezus met een rein hart zuiver bemint: 10. dat uw liefde door de Zijn vergolden wordt, en 20. dat Hij getrouw zal zijn aan elke belofte, die ooit door Hem aan uw hart gedaan wordt.
Maar liefde kan ook niet zonder gemeenschap bestaan, dat is: het onderling genot van elkaars gezelschap. Zo is het in de aardse, zo is het in de hemelse liefde. Onze gezegende Heere, in de woorden voor ons sprekende, nodigt daarom Zijn geliefde uit om “te komen”, waarmee Hij te kennen geeft dat zij Zijn aangeboden hand zou aannemen, opdat zij samen zouden “uitgaan” in het genot van elkaars tedere en liefderijke gezelschap. Zij neemt het aanbod gewillig aan. Zij schept te veel behagen in Zijn gezelschap om niet te luisteren, wanneer Hij haar uitnodigt. Hij gaat voor, zij volgt; en hand aan hand gaan zij samen uit.
3. Maar laat ons nu zien op de uitnodiging vervat in de uitdrukking: Laat ons uitgaan. Daar is iets zeer bevindelijks in deze vriendelijke en liefderijke uitnodiging; iets dat niet over het hoofd moet gezien worden, zo wij het oor willen lenen om naar de stem des Heeren te luisteren. Hij heeft reeds gezegd: “Kom”. Dat was, om zo te zeggen, de roepstem, de eerste klank van de liefdebazuin, om de aandacht der bruid op te wekken.
Zij hoort, zij staat op; zij geeft gehoor aan de roeping, zij neemt de aangeboden hand, en nu zegt de Heere: Laat ons uitgaan. Het denkbeeld in de uitdrukking vervat schijnt te zijn, dat Christus en de gemeente van alles zich i)loeten verwijderen wat het onderling genot van elkaars gezelschap kan storen. De wereld wordt als een verstrooiingbarende plaats aangezien als een overbevolkte hoofdstad, vol gedruis, walm, gewoel en beweging, waar hun gemeenschap door iedere voorbijganger zou kunnen gestoord worden. Om daarom haar liefelijke gemeenschap zonder stoornis te genieten, neemt Hij haar bij de hand en nodigt haar met Hem uit te gaan.
Maar wat wordt er door de uitdrukking “uit te gaan” aangeduid?
a. Scheiding van alles wat de liefde van Christus in de weg staat. Hij vindt haar in de wereld, soms verlokt door en verward in haar het vlees strelende strikken, en soms overstelpt door haar neerdrukkende angsten. Van deze beide verwijderd moet het kind Gods uitgaan, zal het hand in hand met Jezus wandelen. Het kan geen drietal zijn: – Jezus, de ziel, en de wereId. In de natuurlijke liefde is een drietal geen gezelschap. Er moeten er slechts twee zijn, om het begeerde gezelschap te genieten. Zo is het in de genade: het moet Christus en de ziel zijn, de ziel en Christus, of anders kan er geen liefelijke gemeenschap zijn.
De wereld moet zich niet tussen het tweetal stellen noch het scheiden door haar gelaat in het midden te plaatsen, want haar komst is erger dan die van een toevallig bezoeker, of van een niet begeerden, hinderlijken persoon. Zij is een medeminnares. En wat kan erger gezelschap voor twee minnenden zijn dan de tegenwoordigheid van een medeminnares? De liefde tot de wereld en de liefde tot Christus kunnen niet in hetzelfde hart wonen; want “zo iemand de wereld lief heeft, zo is de liefde des Vaders niet in hem” (1 Joh. 2: 15). De eerste stap dan tot gemeenschap met Christus is uit de wereld te gaan. “Daarom, gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal u aannemen” (2 Kor. 6: 17).
Zo wij in de liefde tot de wereld verstrikt zijn, of vastgesmeed aan en geboeid door wereldse zorgen, en de geest der wereld in ons hart heerst, zal geheel onze belijdenis flauw, zo niet zonder enige waardij zijn. Wij mogen de taal van het gebed bezige, maar ons hart meent het niet ernstig; wij mogen nog proberen trots te wezen op een belijdenis der waarheid, maar haar kracht en gezegende invloed worden noch gekend noch gevoeld. Om enige mate van gemeenschap niet de Heere, hetzij door Zijn kruis of Zijn verheffing tot de troon te genieten, moeten wij “uit een wereld gaan”, die in vijandschap tegen Hem is.
b. Zo moet er ook “een uitgaan zijn” van alle zonden. Christus .kan nooit enige gemeenschap met de zonde hebben, want wat gemeenschap heeft Christus met Belial? Zo wij aan enige zonde, hetzij in het geheim of openbaar, toegeven, kan er geen gemeenschap niet het Lam Gods bestaan. Wij moeten daaruit gaan en al haar verfoeilijkheid achterlaten. Maar hoe kunnen wij dit doen? Hoe kunnen wij het vlees met al zijn genegenheden en hartstochten kruisigen?
Hoe kunnen wij onszelf verloochenen, onze rechterhand afhouwen of ons rechteroog uitrukken, hoe een gevierde afgod uit onze boezem roeien, en tot elke ongerechtigheid zeggen: “Ga achter mij, satan?” Dit kunnen wij niet voor onszelf doen; maar de Heere kan het voor en in ons doen. En dit doet Hij als Hij zegt: Kom uit. Bij het woord eens konings is macht; en door die macht kan Hij ons bekwaam maken om van al het kwade uit te gaan, en van alles wat hatelijk is in Zijn heilige ogen.
Maar deze uitnodiging gebiedt ons ook uit te gaan uit de belijdende kerk. Christus is daar niet. Daar ligt wel het lichaam, eens door goddelijk leven bezield; maar de bezielende geest is gevloden, en nu is er niets dan een levenloos lijk. Zo was het ook met de kerk van ouds. De Heere was eens “in de vergadering in de woestijn” (Hand. 7: 38); maar de tegenwoordigheid en de kracht des Heeren hebben haar verlaten, en toen werd hetgeen eens het huis des Heeren was, een kuil der moordenaars. Dit uitgaan uit de belijdende kerk werd afgeschaduwd doordat de lichamen der dieren, welker bloed in het heiligdom gedragen werd, buiten de legerplaats verbrand werden. Daarom zegt de apostel: “Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden. Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende” (Hebr. 13: 12, 13). Dit moest ik nu vele jaren geleden doen; want toen ik de kracht van Gods waarheid aan mijn hart en geweten vond en gevoelde, was ik even zeer verplicht uit de belijdende kerk “uit te gaan”, als uit de wereld en uit de zonde.
c. Maar deze uitnodiging van Christus betekent ook dat wij (hetgeen het moeilijkste van alles is) uit onszelf moeten gaan, dat is: onszelf verloochenen. Het is enigszins gemakkelijk de wereld te verlaten; gemakkelijk de belijdende kerk te verlaten; en, ofschoon moeilijker, zijn er toch gevallen, in welke mensen zelfs hun zonden kunnen verlaten, gelijk men van de hond zegt dat hij zijn uitbraaksel had verlaten, ofschoon hij daartoe later terugkeerde. Maar in dat verloochenen van zijn eigen ik ligt juist de zwarigheid; want dit genoemde eigen ik omvat zulk een verscheidenheid van vormen.
Het steeds te verloochenen, er afstand van te doen, en er uit te gaan, ziet daar wat de grondslag van levende godsvrucht uitmaakt. Dit werd op een treffende wijze door onze gezegende Heere aangeduid, toen Hij zei: “Zo wie achter Mij komen wil, die verloochene zichzelf, en neme zijn kruis op, en volge Mij” (Mark. 8: 34). Maar welke verschillende vormen en gedaanten neemt dit monster aan! Hoe moeilijk is het zijn kronkelingen na te gaan!
Hoe bezwaarlijk de listige vijand in zijn verborgen hol op te sporen, hem uit zijn krocht te slepen, en hem aan de voet des kruises te doden, zoals Samuel Agag in Gilgal doodde. Eigentrotsheid, eigengerechtigheid, eigengierigheid, eerzucht, zinnelijkheid, bedrog, eigen godsdienstigheid, eigen vleselijke lust: zulk een lelijk, misvormd schepsel op te sporen, te ontmaskeren, van zijn bontkleurige klederen en afwisselende tooisels te beroven, en dan er op te trappen, alsof men met de hak zijner laars zijn adderenkop zou willen verpletteren; wie wil zulk een geweld aan zijn geliefd eigen ik doen, wanneer elke zenuw trilt en beeft, en het flauwmoedige hart aan de opgeheven voet toeroept: “Spaar, spaar het?”
Maar zegt de apostel niet van zichzelf: “Ik ben met Christus gekruist” (Gal. 11: 20); “Ik draag de littekenen van de Heere Jezus in mijn lichaam” (Gal. 6: 17); “Ik vervul in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam” (Kol. 1: 24). Dit alles is “met Christus te lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden;” dit “een doden van de werken des vleses”, door de Geest, “een overgeven in de dood om Jezus’ wil, opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden” (Rom. 8: 13, 17; 2 Kor. 4: 1 l). Tenzij er geen zelfverloochening door deze zelfkruisiging zij, kan er ook geen hand aan hand met Christus wandelen, geen zichtbare vereniging, geen hemelse gemeenschap met Hem bestaan; want er kan even zo min gemeenschap tussen Christus, de ziel en het eigen ik, als tussen Christus, de ziel en de zonde bestaan.
II. Maar laat ons nu onze aandacht op ons volgend deel vestigen: de verblijfplaats, het bepaalde oord, waarheen de gezegende Heere de geliefde van Zijn ziel uitnodigt met Hem te gaan: “Laat ons uitgaan in het veld”.
1 . Wat is het hoofddenkbeeld hier? Er zijn er vele.
a. Het eerste dat ik zal noemen is dat van het gedruis, de walm en het gewoel van een grote hoofdstad te verlaten, waar geen afzonderlijke plaats, geen gelegenheid tot afzondering voor de stille rust van een eenzaam veld is, waar wij ons kunnen overgeven aan gebed en overpeinzing, tot onszelf inkeren en met ons eigen hart omgaan. Het geschreeuw en geraas, het gewoel en de verwarring der drukke stad ontzeggen ons dikwerf die kalme rust en geheiligde gemeenschap, waartoe de Heere Zijn gelovig volk wilde uitnodigen. Hij wilde dan Zijn geliefde als bij de hand nemen en haar uit het gedruis en gewoel der volkrijke stad voeren, opdat zij gelegenheid tot een weinig stille overpeinzing zou vinden.
Hoe aangenaam is het zelfs in het dagelijkse leven voor een inwoner der drukke hoofdstad, om zich aan haren walm en gewoel te onttrekken en zich naar het stille land te begeven, en zo die man waarlijk godzalig is, en met een geest van overpeinzing gezegend, daar dan over de dierbare waarheid Gods na te denken. Zoals gij u herinnert, ging Izak uit om des avonds in het veld te peinzen; toen hij zijn ogen opsloeg, zag hij de kamelen komen, die hem de aankomst van de echtgenote aankondigden, die de Heere voor hem had gevonden. Ik heb zelf bevonden, dat het veld een geschikte plaats voor overpeinzing is, en te dien einde wandel ik daar ’s Zaterdagsavonds dikwerf. Dus kan het veld in onze tekst de eenzame overpeinzing der ziel voorstellen. In de ouden tijd waren Gods heiligen zeer op overdenking gesteld.
“Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn” (Ps. 104: 34). “Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting de gehele dag” (Ps. 119: 97). “Als ik aan U gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken” (Ps. 63: 7). “Spreek in uw eigen hart op uw leger, en wees stil” (Ps. 4: 5). De overdenking is zeer nuttig, en voor leraren, die der gemeente Gods tot zegen willen zijn, onvermijdelijk. Daarom zegt Paulus tot zijn geliefden Timotheüs: “Bedenk deze dingen, wees hier bezig, opdat uw toenemen openbaar zij in alles” (1 Tim. 4:15).
Overdenking is voor het geestelijke wat spijsvertering voor het natuurlijke voedsel is; zonder haar is er geen voeding uit het woord der Waarheid. Maar het is een bezigheid, waartoe zeer weinigen bekwaam of genegen zijn; inderdaad, over het woord der Waarheid na te denken vereist een geestelijk gemoed, hemelse aandoeningen, en een ziel onder bijzonder goddelijke indrukken, waardoor geheiligde wezenlijkheden niet alleen geschikt voedsel, maar het element zelf worden waarin wij leven en ons bewegen.
b. Maar wederom kan “het veld” geestelijk een plaats voor het eenzame gebed voorstellen. Hoe dikwerf zelfs letterlijk zal het kind Gods naar het veld gaan, opdat hij een gelegenheid heb om zijn hart voor de Heere uit te storten. Gij, die huisgezinnen hebt, sommigen wellicht door schreeuwende kinderen omringd en droevig gekweld, in bekrompen huizen wonende, niet weinig gelegenheid tot stille afzondering, nauwelijks wellicht in staat om uw slaapkamer uw eigen te noemen; hoe blijde gaat gij soms uit naar de velden, waar geen oog u kan zien dan het oog, en geen oor u horen dan liet oor Gods, opdat gij uw hart zonder stoornis kunt uitstorten. De zeer kalme rust des velds is goed voor uw gestel.
De zachte, frisse lucht, die over uw gelaat waait, vervrolijkt en verfrist uw lichaam; de leeuwerik, die in de lucht zingt; het gelaat der liefderijke natuur voor uw ogen uitgespreid; de diepe eenzaamheid van het landschap, ver van de stoffige wegen, van alle verleiding en klanken der zonde verwijderd, allen wekken een geest van het gebed op, als gij ogen en hart naar de hemel verheft. Bent gij in kommer, dan mag gij daar ongehoord kermen; moedeloos, dan mag gij daar zuchten, en noch vrouw noch kind zullen de klank opvangen; hebt gij vrijmoedigheid tot de troon der genade, dan kunt gij daar gemeenschap niet de Heere oefenen; en, zo uw zaken het toelaten, dan kunt gij soms in het grasrijke veld blijven tot de avondschaduw rondom u valt, en de sterren in al haar schoonheid en heerlijkheid boven u schitteren.
Dan kunt gij verfrist en versterkt door uw wandeling in het veld naar huis gaan; want de Heere is daar met u gegaan, en Zijn gezelschap is het best van al1e Dus kan het veld geschikt dat eenzame gebed voorstellen, dat het leven zelf der ziel is, en zonder welk er geen gemeenschap met de Heere des levens en der heerlijkheid kan zijn.
c. Maar “het veld” kan ook betekenen een plaats van zelfbeproeving; want het kan geestelijk aanduiden afzondering, afgetrokkenheid, eenzaamheid, rust, een alleen zijn met God. Mensen haten voor het merendeel de eenzaamheid, zij leven graag in een druk gezelschap, en ontsnappen dus aan de kwelling om alleen te zijn. ja, hoe velen van degenen die wij hopen dat God vrezen, schijnen bevreesd te zijn voor zelfbeproeving. En waarom? omdat zij vrezen, dat de zelfbeproeving dingen aan het licht zal brengen, die hen met schaamte zouden overdekken, en zij zijn onwillig om vernederd te worden, of hun mond in het stof te steken, indien het zij dat er nog hoop is? Maar hoe goed is soms de zelfbeproeving! Zegt de apostel niet: “Onderzoekt uzelf, of gij in het geloof bent, beproeft uzelf. O! kent gij uzelf niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt?” (2 Kor. 13: 5). En alweer: “Maar de mens beproeve zichzelf, en ete alzo van het brood, en drinke van de drinkbeker” (1 Kor. 11: 28). Hoe schijnt de Psalmist als het ware zichzelf voor de Heere uit te storten, toen hij in dit veld van zelfbeproeving wandelde (Psalm 139: 23, 24). “Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten, en zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op de eeuwige weg”.
2. Maar laat mij aan de woorden een wat uitgebreider betekenis geven. Als de Heere tot Zijn liefste zegt: “Laat ons in het veld uitgaan,” dan schijnt het alsof Hij haar uitnodigde met Hem hand aan hand te gaan, en te zien wat voor hun ogen was ten toon gespreid. In Zijn gezelschap, en door Zijn Geest en genade onderwezen zou zij zien, wat zij met haar eigen ongeoefend oog, nooit zou ontdekken.
a. Hij zou haar vooreerst b.v. verzoeken het veld der Schepping te beschouwen. “Wat een ruim veld van overdenking is hier; en hoe genoeglijk is het de woelige stad te verlaten en de blik op het kalme en stille gelaat der natuur te slaan, zoals Milton zegt:
Gelijk iemand, die lang in een bevolkte stad opgesloten,
Waar hoge huizen en riolen de lucht verontreinigen,
Op een zomermorgen uitgaat om in bevallige dorpen
En pachthoeven de lucht in te ademen,
En uit alles wat hij ontmoet, leven en geneugte opgaart.
Maar hoeveel zoeter is het dit met een geestelijk gemoed te doen, en hemels genoegen daar uit te putten. Hoe juicht gij, als gij de zon in haar glans ziet voortgaan, of de maan de donkere nacht verlichten, of de sterren als zovele diamanten aan de hemel schitteren, terwijl gij Gods heerlijkheid bewondert, die dus aan de schonen hemel ten toon is gespreid. ‘De mensen voelen de warmte der zon, of het licht der maan, en zien, sommigen met zorgeloze en sommigen met bewonderende ogen, naar de gesternten van de hemel; maar hoe weinigen merken de hand Gods op, die haar schiep, en hoe minder kunnen nog met de dichter Cowper zeggen:
“Mijn Vader heeft haar allen gemaakt!”
Maar wij kunnen dit veld der Schepping met gelovige ogen niet zien, tenzij wij hand aan hand met Christus wandelen; tenzij Zijn genade het hart verlichte en Zijn heerlijkheid de ziel bestra1e
b. Maar daar is een ander veld – het veld der Voorzienigheid; en in dat veld zowel als in het voorgaande, kunnen wij alleen uitgaan, als wij het met een gelovig oog beschouwen en hand aan hand met Christus gaan. Het veld der Voorzienigheid is vol verschillende paden, en deze zijn dikwijls zo ingewikkeld, dat wij weldra zouden verdwalen, zo wij niet zulk een veilige gids en metgezel hadden. Als het nu de Heere behaagt ons bij de hand te nemen en in het veld Zijner Voorzienigheid te leiden, dan zullen wij zien, waarheen wij ook staren, “dat alle paden des Heeren zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren” (Ps. 25: 10).
Ziet terug op het pad der Voorzienigheid, waarop de Heere u van uw jeugd af door de woestijn van deze wereld geleid heeft, dan zult gij genade op elk deel daarvan gestempeld vinden. Gij kon het inderdaad toen niet zien, want de Heere leidt de blinden langs enen weg, dien zij niet kennen; maar gij ziet het nu, zo gij ten minste aan ‘s, Heeren hand op dat veld wandelt. Hoe krom dat pad schijnbaar eens was, is het nu geheel recht gemaakt; hoe het ook van de rechten weg scheen af te dwalen, en zich bijna in een verwarden doolhof te verliezen, dan toch kunt gij opmerken dat het op één middelpunt uitliep.
Maar, als gij met een levend geloof aan ’s Heeren hand in dit veld wandelt, kunt gij zowel voor als achterwaarts zien, en geloven dat, zo de Heere u als een liefderijk God in Zijn bestuur is voorgekomen, Hij zo immer ten uw behoeve dezelfde zal zijn; dat Hij u nooit zal begeven of verlaten, maar altijd nieuwe velden ter bewondering en aanbidding Zijner wondervolle hand zal openen door de voorziening in uw behoeften. Maar wij zijn niet altijd of dikwijls hier. Hoe dikwijls, als het ware, trekken wij onze hand uit die des Heeren, en tasten naar de muur als blinden, en gaan tastend voorwaarts alsof wij geen ogen hadden. Dan gevoelen wij, zo wij niet aan ’s Heeren hand wandelen, dat het veld der Voorzienigheid duister is, dat zijn paden kronkelig en verward worden, en als wij de hand verliezen, die de draad vasthoudt, zien wij er weinig minder dan een verwarden doolhof in.
e. Ten andere is er weer het veld der bevinding; en welk een rijk veld is dat om met Christus als uw gids te wandelen! Maar hoe wankelend zijn onze schreden, als wij er niet aan ’s Heeren hand gaan! Zo gij echter licht in Zijn licht ziet, gaat gij ’s Heeren handelingen met uw ziel na, en beschouwt alles wat gij in uw gemoed doorlopen hebt sedert de dag, toen de Heilige Geest het eerst u voor het geestelijk leven deed ontwaken, welk een veld is er dan voor u! De zuchten en klachten, die uit uw hart opgerezen, de tranen, die uit uw ogen gebiggeld zijn, de overtuigingen van zonde, die uw geweten doorboord hebben, de rouw dien gij over de Heere en over uw zonden gedragen hebt, kunt gij daarin de leiding en het onderricht van de Heilige Geest niet zien?
Herinnert u de eerste stralen der genade, die in uw ziel vielen; de dageraad van hoger licht in uw gemoed, de toegepaste belofte die vervuld werd, de Persoon en het werk, het bloed en de gerechtigheid van de Heere Jezus, die u ontdekt werden, de zaligheid u met goddelijke kracht aan het hart geopenbaard; wat een veld van zoete en genaderijke bevinding kan de ziel soms voor haar ogen zien uitgespreid, welke op andere tijden voor het oog verborgen is! Maar hoe verschillend is het zijn ogen over dit veld zonder Christus en met Hem te laten gaan! Zonder Hem is alles duisternis, met Hem alles licht.
d. Ziet weer op de Schrift: wat een veld ligt daar voor onze ogen in het ingegeven Woord! Wat heilige waarheid, wat bemoedigende uitnodiging, wat troostrijke beloften, wat genadige voorschriften, welk een veld van rijken en uitgelezen schat bevat het bezielde Woord voor de ziel, om daarin aan ’s Heeren hand te wandelen. Als Hij u door het gewijde blad leidt, en het geheel met hemels licht bestraalt, hoe getuigt het van Hem beide in het Oude en Nieuwe Testament.
Van Hem spreken al de profeten; op Hem wijzen alle inzettingen en plechtigheden; want de getuigenis van Jezus is de geest der profetie; en gelijk Hij het vleesgeworden Woord is, is Hij het alles en de zelfstandigheid van het geschreven Woord. Maar Hij moet met ons op dat gewijde veld wandelen, en met ons doen wat Hij met de discipelen deed: “Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden” (Lukas 24: 45). Wat is ieder leerstuk zonder Hem? Afgescheiden van Christus, van Zijne macht en tegenwoordigheid, is ieder leerstuk slechts een denkbeeld, een gevoelen, een blote bespiegeling. Wat zijn wederom de beloften afgescheiden van Christus? Niets beduidende verklaringen.
“Want zo vele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem ja en zijn in Hem amen, Gode tot heerlijkheid door ons” (2 Kor. 1: 20); en daarom buiten Hem zijn zij noch ja noch amen, dat is, zij hebben geen verklaring noch bevestiging. En wederom, wat zijn de voorschriften afgescheiden van Christus? Lastige bevelen, zonder doel of beweegreden voor haar opvolging. Wij zien dus hoe noodzakelijk het is de kracht en tegenwoordigheid van Christus in het gehele veld der hemelse waarheid en in elk deel daarvan te bezitten.
3. Maar wij willen nu tot een andere uitnodiging van dezelfde genadige lippen overgaan en die op gelijke wijze tot de gemeente is gericht: Laat ons vernachten op de dorpen. Het is alsof de Heere tot haar zei: “Nu hebben wij samen de dag op het veld doorgebracht, aanschouwende de schoonheid en heerlijkheid Gods in deze verschillende afdelingen der Voorzienigheid en genade; de nacht daalt; waar zullen wij gedurende de nacht vertoeven? Wij zullen niet naar de woelige stad gaan; de dag van morgen zal ons nieuwe bezigheid op het kalme, stille veld verschaffen; maar wij kunnen de gehele nacht niet in het veld vertoeven, laat ons op de dorpen vernachten.”
a. Natuurlijk wordt hier geestelijk onderricht meegedeeld. Laat ons zien, of wij de geestelijke betekenis der woorden kunnen opzamelen.
Deze dorpen, met een geestelijk oog beschouwd, schijnen Evangeliekerken voor te stellen. Dorpen zijn natuurlijk van de grote hoofdstad onderscheiden, en toch zijn zij ook van alleenstaande huizen weer te onderscheiden. Wij mogen hen beschouwen als kleine groepen van woningen buiten het gewoel der stad gebouwd, geen huizen in de steden gelegen in al de walm, het gewoel en gedruis van drukke straten, maar stille verblijven op het land, ver van de bedrijvige stad. Als de Heere Zijn bruid uitnodigt om met Hem op de dorpen te vernachten, dan schijnen deze plaatsen te zijn, waarin Hij Zijn hoofd kon neerleggen en liefelijk de rust genieten waartoe Hij haar uitnodigt.
Maar komt dit overeen met het andere gedeelte der uitnodiging om in het veld uit te gaan? Op deze wijze: daar is niet alleen liefelijke gemeenschap met de Heere op het veld te genieten, maar ook met Zijn volk in de kerk. Als wij tot geestelijke vereniging en gemeenschap met diegenen gebracht worden, die God vrezen, en voornamelijk door leden te zijn van een Evangeliekerk, dan vernacht de ziel in het dorp; daar is rust en kalmte te vinden, niet alleen in het genot van ’s Heeren tegenwoordigheid, maar in de liefde en toegenegenheid, welke Christenen elkaar onderling toedragen.
En schoon deze onderlinge liefde en genegenheid onder de leden van het geestelijk lichaam van Christus niet menigvuldig is in onze dagen, toch wordt er nog een mate van genoten door elke levend gemaakte ziel; want liefde tot de broederen is het eerste bewijs van genadewerk aan de ziel, volgens Gods eigen getuigenis: “Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, omdat wij de broeders lief hebben: die zijn broeder niet lief heeft, blijft in de dood” (1 Joh. 3: 14).
b. Het is echter kortom slechts vernachten op de dorpen; enkel het doorbrengen van een nacht, slechts juist een korte poos van verademing in het gezelschap van degenen, die God vrezen, maar geen lange duur van Christelijke gemeenschap, door de verschillende omstandigheden, die dikwijls Christelijke harmonie en vrede storen. Hoe weinige gemeenten wandelen in waarheid, in onderlinge liefde en toegenegenheid? Wat strijd en verdeeldheid, wat naijver en achterdochtige koelheid, zo niet onvriendelijkheid, verdelen vaak de gemeenten van Christus! Maar als Christus en de bruid samen zijn in het genot van elkaars gezelschap, dan is het goed in de dorpen; dan heerst de vereniging in de gemeenten; en in dien vrede en vereniging kunnen Christus en Zijn bruid samen neerliggen in de stille nachtwake.
III. Maar hun arbeid voor de volgende morgen is reeds bepaald. Als zij de nachtrust in het dorp nemen, is het alleen opdat zij de volgende morgen de oogst der dorpen mogen aanschouwen en voor zichzelf zien wat vrucht er door hen te dragen is. “Laat ons vroeg ons opmaken naar de wijnbergen; laat ons zien of de wijnstok bloeit, de jonge druifjes zich opendoen, en de granaatappelbomen uitbotten.” Daar was werk af te doen, dat het best in gezelschap kan afgedaan worden. Zij hadden een wijl van onderlinge gemeenschap in het veld gehad; zij hadden de nacht doorgebracht op de dorpen in gemeenschap met de kerken, die God vrezen, aan Zijn voorschriften gehoorzaam zijn, in Zijn wegen wandelen en Zijn geboden houden. Maar daar was werk af te doen in de vroegen ochtend.
1. Laat ons vroeg ons opmaken naar de wijnbergen. Ik heb in de Schrift opgemerkt hoe veel er van het vroeg opstaan in de morgen wordt gezegd. Wij hebben in Abrahams merkwaardige geschiedenis drie verschillende voorbeelden van zijn vroeg opstaan in de morgen, en het waren drie zeer gewichtige voorvallen in Abrahams leven.
Het eerste voorbeeld van zijn vroeg opstaan was na de verwoesting van Sodom en Gomorra, toen hij vroeg opstond om te zien of God zijn gebed om het behoud van Lot had verhoord; en hij zag van ver, bijna bij het licht des dageraads, dat de rook van de vervloekte steden der vlakte opging, gelijk de rook eens ovens (Gen. 19: 27, 28).
Het volgende was toen hij Hagar moest wegzenden: “Toen stond Abraham ‘s morgens vroeg op, en nam brood, en een fles waters, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haren schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg” (Gen. 21: 14). Door Sara’s verontwaardiging over Ismaëls bespotting verplicht zijnde, dien doorn uit haar oog weg te nemen, en verzekerd door Gods eigen woord dat hij naar haar stem zou luisteren, stelde hij de gehoorzaamheid niet langer uit. Hij gevoelde diep de slag, maar toch stond hij vroeg op in de morgen om te tonen, dat hij niet langer haar in zijn huis wilde huisvesten, die een vijandin voor de rust zijner vrouw was, en door dat te doen deed hij volgaarne de wil Gods.
De derde maal dat hij vroeg opstond was de zwaarste taak in de gehele geschiedenis van Abrahams leven, toen hij zijn zoon Izak met zich nam om hem tot een brandoffer op te offeren op dezelfde plaats, waar later de tempel werd gebouwd.
Maar wij verstaan hier de uitdrukking in haren letterlijke zin niet; wij geven daaraan een geestelijke betekenis, omdat zij werkzaamheid en vlijt aanduidt. Ik heb echter opgemerkt, dat er zeer weinig goeds te verwachten is van mensen, die er zich aan gewennen om is morgens lang te bed te blijven liggen: het verraadt een vadsig lichaam en een tragen geest. Maar, zoals vanzelf spreekt, spreekt de Heere hier figuurlijk, omdat Hij die naarstigheid der ziel aanduidt, die zich door een vlug lichaam in het vroeg opstaan openbaart, en in het niet laten verloren gaan van kostbare ogenblikken op het leger der luiheid.
2. Maar waarheen verzoekt de Heere Zijn bruid met Hem in de vroegen morgen uit te gaan? Naar de wijnbergen. Daardoor wordt geestelijk en bevindelijk een beproevend onderzoek aangeduid van de toestand der gemeenten, daar zij naakt en bloot liggen voor dat heilig en hartdoorzoekend oog Gods met wie wij te doen hebben. Christus en Zijn bruid hebben in heilige gemeenschap met elkaar gewandeld; zij hebben in de dorpen in liefelijke harmonie met de gemeenten vernacht, en nu zouden zij op een onderzoeksreis uitgaan. Zij zouden hun schreden naar de wijnbergen richten, om te zien wat daar te doen was, hoe de wijnstokken er uit zagen, of zij wet aangerijpt waren, of het gebladerte krachtig en groenend was, en welk uitzicht op vrucht zij voor dat jaar in het algemeen gaven.
Het beeld paste natuurlijk op dat land en klimaat. In ons land staan de landlieden vroeg in de morgen op om de toestand hunner kudden na te gaan, en hun akkers te bezien, om daarnaar een oordeel over hun tegenwoordige en toekomstige toestand te vellen; dus stonden in Palestina, waar wijnbergen de voornaamste voortbrengselen van het land waren, hun eigenaars en bouwlieden natuurlijk vroeg in de morgen op, om hun wijnstokken te bezichtigen. In de Schrift is de wijnberg een blijvend zinnebeeld van de gemeente Gods. “Mijn beminde heeft een wijngaard op een vette heuvel” (Jes. 5: 1); en zo spreekt onze Heere: “Een zeker mens plantte een wijngaard, en hij verhuurde dien aan landlieden” (Luk. 20: 9).
Zo lezen wij in het voor ons liggende hoofdstuk uit het Hooglied: “Mijn wijngaard, dien Ik heb, is voor Mijn aangezicht” (Hoogl. 8: 12). Nu, gelijk een wijnberg een verzameling van wijnstokken is, en dus een afbeelding van een gemeente, zo kan elke wijnstok beschouwd worden als afbeeldende een enkele gelovige als een lid der gemeente. Wanneer dan de Heere tot Zijn geliefde had gezegd: “Laat ons vroeg ons opmaken naar de wijnbergen,” voegt Hij er bij: “Laat ons zien of de wijnstokken bloeien,” dat is, laat ons hun afzonderlijke toestanden gadeslaan. Dus behoort elke gelovige de staat zijner ziel voor God te beschouwen, en wel met al die naarstigheid, ernst en werkzaamheid, welke afgeschaduwd werden door het vroeg opstaan om naar het werk te gaan. Denkt gij niet dat het soms goed is de staat van Uw ziel voor God te beschouwen?
Kunt gij soms niet eens vragen: “Is mijn ziel bloeiende? Heeft zij een goed uitzicht? Hoe ziet zij er uit niet een geestelijk oog beschouwd?” Als de landman naar zijn veld gaat, kan hij in een ogenblik zien of de oogst gezond is of niet, of er een worm aan de wortel, honigdauw in de stengel, of bederf in de aar is. Als een ervaren wijngaardenier in een wijngaard gaat, kan hij met één oogopslag de juiste toestand der wijnstokken zien. Het voorkomen der bladeren en het algemene uitzicht der wijnstokken verraden in één ogenblik aan zijn ervaren oog of de rode spin, de slak of de meelworm de wijngaard hebben aangetast. Het vereist geen streng onderzoek; gelijk de ziekte in het menselijk lichaam zich terstond aan de ervaren arts openbaart, zo ontdekt een bekwaam oog met een blik de ziekte in de wijn druif.
Zo is en behoort het in de genade te zijn. Zo ik een geestelijk oog heb, zie ik terstond in mijn ziel, kan ik nagaan of zij gezond of ongezond is, of de bladeren van mijn belijdenis gekruld en met honigdauw bedekt, dan of zij groen, bloeiend zijn en hoop geven op een goede oogst. Stel u de pachter voor, die nooit naar zijn schaapskooi gaat om de staat zijner kudden op te nemen, en die te lui is om naar zijn hoeve te wandelen om zijn oogst te bezien! Is zulk een mens geschikt om pachter te wezen? Wat einde kan zulk een man anders verwachten dan het werkhuis? Zo behoort de Christen, die een oogst van veel groter belang heeft dan al de tarwe, die in eens pachters veld groeit, en van meer waardij dan al de schapen in de hoeve opgesloten, de staat zijner ziel op te nemen om te zien of zij bloeit of niet. Zo het gebed, de lofverheffing, het lezen der Schrift, de zelfbeproeving, overpeinzing, geloof, hoop en liefde, en andere gaven des Geestes alle werkend, levendig en krachtig zijn, dan bloeit de wijnstok.
Zo het gebed koel, vormelijk en dodig is; zo de Schrift weinig of met een zorgeloos oog wordt gelezen; zo er geen zelfbeproeving, overpeinzing, noch geestelijke gezindheid, geen voortgang van het geloof en der liefde is, dan bloeit de wijnstok niet. Dan is er enig bederf aan de wortel. Om in de taal der hoveniers te spreken: de druiven “verschrompelen” soms, dat is, zij worden droog, ingeschrompeld en zuur. De oorzaak daarvan is, geloof ik, in het algemeen, dat er enig bederf aan de wortel is; dat hij door regen en koude verkleumd is, en daardoor de “wortelwerking” belemmerd is geworden. In bijna elke plant is het aan de wortel, dat de ziekte begint. Indien gij ooit een plant in een bloempot kwijnend ziet, rekent er dan op dat er bederf aan de wortel is. Hij is of te veel of te weinig bevochtigd, of de wortel is uit een andere oorzaak kwijnend geworden, en de wortelwerking heeft opgehouden of is ongezond. Zo is het in de godsdienst; zo er enig bederf aan de mens is, dan moet het bijna altijd aan de wortel gezocht worden.
“De wortel van de zaak,” zei Job, “wordt in mij gevonden”. Job kon zich bij God beroepen, dat de wortel zijner godsdienstigheid gezond was. Ware “de wortel” slecht geweest, dan zou “de zaak” niet goed geweest zijn; maar zolang de wortel gezond was, “gelijk de haageik,” waarvan de profeet spreekt, “schoon bij zijn bladeren afwierp, zou er nog steunsel in zijn, om ter behoorlijker tijd takken gelijk een eik voort te brengen” (Jes. 6: 13). Zo de godsdienst eens mensen geen wortel heeft, of zo de wortel door ziekte bedorven is, zal zich dit bederf zeker in zijn belijdenis openbaren.
Hij kan geen bloeiende ziel hebben in en uitwendig bloeiende, tenzij de wortel diep in de grond ligt, en vol werkende vezelen zij, die verborgen voedsel opzuigen uit die rivier welker beekjes de stad Gods verblijden. Dan zal hij zijn als een boom, die aan het water geplant is, en zijn wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen (Jer. 17: 8).
3. In verband daarom niet dit, komt de volgende vraag, of de jonge druifjes zich opendoen. De eerste blik was op het algemene voorkomen van de wijnstok. Was de stok wel rijp geworden; waren de bladeren goed en volwassen; was er enig spoor van honigdauw, bederf, rups, of enig ander schadelijk iets in werking om de hoop op de oogst te vernietigen? Wel, zo de eerste aanblik, zo het algemeen voorkomen des wijnstoks voldoende was, komt er nu een strenger onderzoek om te zien of de jonge druifjes zich opendoen. Waar is de opengaande bloesem? Is er geen bloesem, er zal dan geen vrucht zijn; en zo er geen uitbotsels van de jonge druif zijn, zullen wij tevergeefs, als de herfst komt, naar rijpe trossen uitzien. De “jonge druif”, geestelijk beschouwd, schijnt de jeugdige genade der ziel te betekenen.
Rekent er op, niets strijdt meer met de levende godsvrucht dan hardvochtigheid in de dingen Gods. Het teer geweten, de nederige geest, het gebroken hart, het verslagen gemoed, dat zijn ware en schriftuurlijke tekenen en bewijzen van Gods genade. Inderdaad zult gij vinden, dat elke genade des Geestes iets van deze teerheid heeft. De genade is een vreemde plant: zij is geen inheems gewas. Zij kan noch de vorst, noch de koude oostenwinden doorstaan. Zij komt uit het warme klimaat van de hemel, en heeft zorgvuldige opkweking nodig, opdat zij mag leven en groeien. Dus kan de jeugdige druif die vrees Gods in het hart voorstellen, welke het geweten teer maakt; die inwendige werkingen van het geloof, waardoor, als door zo vele loten, de Persoon en het werk van Christus ingezogen worden; de eerste tedere gewaarwordingen van opengaande liefde jegens de Heere, wanneer Hij, door enige ontdekkingen van zichzelf, voor de eerste keer zich dierbaar maakt aan het gelovige hart; de tedere omhelzingen van een goede hoop door genade, welke het volbrachte werk van de Zoon van God aannemen.
De jonge druif kan ook geestelijk de tedere gewaarwordingen der ziel onder goddelijk onderwijs voorstellen, waardoor zij treurt over haar zonden, weeklaagt over haar tekortkomingen, en met wenende ogen en een berouwvol hart opziet tot de Heere om vergiffenis en vrede. Zo wij geen jonge druiven in de lente zien, zullen er zeker geen rijke, rijpe trossen in de herfst zijn. De volledige vrucht was nog niet gekomen; maar naar deze zag de Heere uit – of de jonge druif uit de stengel uitbotte of haar bloesem opende. Voor mij is er niets bedroevenders dan de ongevoeligheid, die men bij zo velen van onze predikanten en belijders bespeurt. De dorre, ongevoelige wijze, waarop zij de gewichtigste geloofswaarheden van het evangelie prediken, is hoogst terugstootend voor een geestelijk gemoed, en doet menigeen in grote mate vrezen, of zulke mensen wel ooit iets gevoelden van de kracht der waarheid voor zichzelf in een teer geweten.
4. Maar er was ook nog iets anders, waarnaar de Heere in gezelschap Zijner bruid was gaan zien: “of de granaatappelbomen uitbotten”. De granaatappel is een vrucht niet eigen aan, maar zeer algemeen in het Heilige land, en is onderscheiden door een helder groen blad en een mooie, karmozijnrode bloem, gevolgd door een heerlijke, rijpe en rode vrucht, van welke het sap bijzonder zoet en liefelijk is. De Heilige Geest schijnt daarom de granaatappel door de gehele Schrift heen als een zinnebeeld van uitgelezen Evangelievrucht genomen te hebben. De hogepriester droeg aan zijn gewaad gouden granaatappelen, afgewisseld met gouden schellen.
De gouden schellen kondigden door haar geluid zijn nadering tot de tabernakel en zijn komst aan; maar de gouden granaatappelen duidden stilzwijgend aan, dat hij aan God vrucht brengen zowel als Zijn lot verkondigen zou. Het blijkt uit de Schrift dat er iets bijzonder lieflijks en zoets was in het sap van de granaatappel, en dat het met wijn vermengd werd om de laatste meer geur te geven. Dus, zegt de bruid: “ik zou u van specerijwijn te drinken geven, en van het sap van mijn granaatappelen (Hoogl. 8: 2). Als een lekkere vrucht werden zij daarom in Oosterse tuinen geplant: “Uw scheuten zijn een paradijs van granaatappelen, met edele vruchten” (Hoogl. 4: 13). Dus betekent de granaatappel, als geestelijk zinnebeeld, Evangelievrucht.
De Heere en Zijn gemeente gingen daarom hand aan hand uit om te onderzoeken, of deze granaatappelen uitbotten – of er, met andere woorden, hoop op vrucht in de gemeenten was. Zij zagen niet uit in de verwachting van granaatappelen te vinden, geschikt om ingezameld te worden; zo ver gingen zij nog niet. Daar zij hun wandeling in de morgen tijdens de lente deden, was er nog geen vrucht aan de tak te vinden. Hun onderzoek werd eerder opgewekt om te zien of er enig uitzicht op een toekomstige oogst was. Hierdoor wordt aangeduid dat de Heere zeer teer en vriendelijk met de ziel omgaat, van haar geen rijpe vrucht in de lente verwacht, maar onderzoekt welke blijken er waren van goddelijk onderwijs aan de jeugdigen knop. Keert gij ooit tot uw ziel in om te zien of deze granaatappelen uitbotten; om te onderzoeken en na te gaan welke genadevruchten gij van de Geest kunt vinden; welke uitbotsels van hoop en liefde gij kunt opsporen; welke blijken van hemels onderricht, wat tekenen en getuigenissen van aandeel in het bloed en de liefde des Lams, en wat uitzichten voor de eeuwigheid?
Maar hoe waar is het dat wij deze vruchten in onszelf niet kunnen zien, welk een mate er van haar mag zijn, tenzij in het gezelschap van Christus. Christus nodigt de bruid niet uit in haar hart een blik te slaan, tenzij in Zijn gezelschap; maar wordt zij niet Zijn tegenwoordigheid en liefde begunstigd, dan kan zij zien of de granaatappelen uitbotten. En zij zullen altijd uitbotten, wanneer zij in ’s Heeren gezelschap is, want dan werkt Zijn genade; en als Zijn genade in werking is, dan verspreidt de jonge druif een heerlijke geur en de granaatappel bloeit rijkelijk. Zo wij in dagen van donkerheid, verlatenheid en moedeloosheid een blik in ons hart slaan, zullen wij daar geen vrucht zien. Deze tedere bloesems sluiten hun bladeren in de koude noordenwind; zij zijn bevreesd uit te botten tenzij de zon schijnt.
Maar als de zon schijnt, komt de jonge druif, en de granaatappel bot uit; want in ’s Heeren tegenwoordigheid komt men tot elke christelijke genade. Dus ziet gij dat de Heere ons niet uitnodigt om ons hart gade te slaan, teneinde te vinden wat er goeds in is, gedurende de donkere nacht van koude verlatenheid. Zegt Hij niet: “Laat ons vroeg opgaan naar de wijnbergen,” teneinde hen onder de stralen der opgaande zon te aanschouwen, en onder begunstiging van Zijn gezelschap? Zo de bruid zonder Hem of in de donkere nacht uitgegaan ware, wat zou zij van het zich opendoen der jonge druif, of het uitbotten der vroege granaatappelen gezien hebben?
IV. Maar dit brengt ons tot ons vierde of laatste deel: het onthaal, dat Hij beloofd heeft Zijner geliefde bruid te geven als de jonge druif zich opendoet en de granaatappel uitbot: Daar zal Ik u Mijn uitnemende liefde geven. Zo wij geheel in donkerheid en verwarring verkeren, aan de wezenlijkheid van het genadewerk aan onze ziel twijfelen, is er niets van de jonge druif of het uitbotten der granaatappels te zien. Wellicht kunnen zij bloeien en uitbotten, maar wij kunnen het niet zien. Maar behaagt het de Heere ons met Zijn tegenwoordigheid en gezelschap te verblijden, dan zien wij licht in Zijn licht, en aanschouwen, door het onderwijs Zijns Geestes, wat voor ons verborgen is in een staat van donkerheid en verlatenheid. Om deze reden zegt Hij: Daar zal Ik u Mijn uitnemende liefde geven. Die liefde openbaart zich op verschillende wijzen. Terecht mogen wij vragen, welke die verschillende wijzen zijn. Daar is b.v.:
1. Zijn eeuwigdurende liefde; want Hij zegt: “Ik heb u lief gehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid”. Het is een gevoel van Christus’ eeuwigdurende liefde, welke de ziel verheugt, als zij in het hart door de Heilige Geest uitgestort wordt. Want had deze liefde begin, dan kon zij einde hebben; maar omdat zij van eeuwigheid is, duurt zij tot in eeuwigheid.
2. Zijn stervende liefde – de liefde, die onze Heere aan het kruis stervende betoonde voor zulke ellendige zondaren, als wij onszelf gevoelen te zijn. Zo wij slechts op Zijn stervende liefde aan het kruis kunnen staren, en een strelende overtuiging hebben, dat Hij ons lief had en zich voor ons overgaf, dan kunnen wij, door de kracht van die stervende liefde gedrongen, Hem ons gehele hart toewijden, de zonde met een volkomen haat haten, begeren naar Zijn lijdend beeld gelijkvormig gemaakt te worden, en wandelend bevonden worden in Zijn gezegende voetstappen.
3. Zijn vergevende liefde, wanneer het Hem behaagt de ziel met een gezicht en gevoel van Zijn verzoenend bloed te verwaardigen, en Hij die liefde openbaart, die sterker is dan de dood en over dood en hel zegevierde.
4. Zijn lankmoedige liefde, waardoor Hij al ons wangedrag, onze afvalligheid, onze afzwervingen en overtredingen verdraagt; nooit wordt die liefde daardoor getergd om ons geheel aan onszelf over te laten, schoon wij waarlijk verdienden om voor eeuwig om onze zonden en misdaden verlaten te worden.
5. Eindelijk zijn verlossende en herstellende liefde (Hij verlost mijn ziel), waardoor Hij ons verlost uit een staat van vleselijke gezindheid, donkerheid en dood, over ons weer opheft het licht Zijns aanschijns, en ons opnieuw bekwaam maakt Hem met een zuiver hart vurig lief te hebben.
Onder al deze verschillende wijzen of vormen openbaart Hij zijn uitnemende liefde aan ons. En deze geeft Hij aan de ziel uit Zijn eigen vrije genade, onaangezocht, onverdiend, als de vrijwillige uitstorting van Zijn eigen hart, welk vol is van de tederste genegenheid jegens allen, die Zijn groten naam lief hebben en vrezen.
Was het niet wel waard uit te gaan om dit alles te genieten? Was het geen gezegende reis voor Zijn verloofde en bruid, toen zij het gewoel der wereld, de zonde en zich zelf achterliet, en in zulk een liefelijk gezelschap uitging? O mochten wij dus gezegend worden! Wat is begeerlijker dan dit voor de ziel bij leven of sterven! Maar hoe zeldzaam is het voor de ziel daarmee begunstigd te worden! Ei! toch, laten de mensen zeggen wat zij willen, er is nergens waar geluk dan in deze kennis en genieting van Christus’ liefde; geen ware scheiding van de wereld door enige andere kracht dan door deze; geen andere ware geschiktheid voor de erfenis der heiligen in het licht, dan hetgeen deze vereniging en gemeenschap met de Heere openbaart en verzegelt.
De Heere prente deze waarheden door Zijn oneindige genade in ons hart, verwaardige ons van tijd tot tijd met de strelende, bevindelijke genieting daarvan, en geve ons te leven en te sterven in Zijn hoogst gezegende omhelzing!
Amen.
Preached at North Street Chapel, Stamford, on January 5, 1862
“Come, My beloved, let us go forth into the field; let us lodge in the villages. Let us get up early to the vineyards; let us see if the vines flourish, whether the tender grapes appear, and the pomegranates bud forth — there will I give you My loves.” — Song of Solomon 7:11-12
I do not often preach from the Song of Solomon, and this chiefly for two reasons. First, though this holy book is full of rich and choice experience, it is couched for the most part in language so figurative and allegorical that it needs more grace and wisdom than I possess to be sure I would always give the correct interpretation of the figures employed for that purpose by the blessed Spirit. And, secondly, the church of God, generally speaking, is not in a state fit to understand, receive and experimentally realize the lessons of holiness and truth contained in this portion of the Word of God.
The Song of Solomon, as you well know, is a sacred nuptial song, and may be generally described as conveying the mutual expression of the love of Christ and of the church under the figure of a bridegroom and a bride delighting in each other’s company, and giving vent to their affection in tender, yet chaste and holy language. But the church of God at present is rather a lone widow than a joyous bride; rather spends her time in fasting than in feasting; is rather complaining than courting; and rather sits by the rivers of Babylon with her harp hung upon the willows than pours forth in sweet melody the songs of Zion.
But the difficulties which I have named are neither of them insuperable. As regards the first objection, though much of the Song of Solomon is so allegorical and figurative as often to elude our endeavors to understand its spiritual meaning, yet there are figures in it which we seem in some sense able clearly and experimentally to comprehend as seen through the thin mist of the allegory; and, as regards the second difficulty, there are passages also which meet the present experience of the children of God, because, though expressions of love, yet are they couched rather in the language of tender desire than of actual enjoyment.
Take, for instance, such a passage as — “Because of the aroma of Your good ointments, Your name is as ointment poured forth, therefore do the virgins love You.” So 1:3 Any true believer who has ever felt Christ’s name to be sweet and precious can understand the experience contained in those words, even though in many points his faith may fall short of full assurance or present enjoyment.
So again, “Draw me, and I will run after You.” So 1:4 There we have the experience of a soul longing to be drawn by “cords of love and bands of a Man,” and to run after Jesus that it may overtake Him, gain possession of Him, and follow in His footsteps, all which may fall very short of full assurance.
Again, “By night on my bed I sought Him whom my soul loves — I sought Him, but I found Him not.” So 3:1 There we have the experience of a soul, mourning under desertion and the hidings of God’s face, seeking the Lord, and yet unable to realize His presence or His power.
“Who is this that comes up from the wilderness, leaning upon her Beloved?” So 8:5 There we have the expression of a true-hearted child of God coming up out of this wilderness world, cleaving to Jesus with purpose of heart and leaning upon Him with all his strength, as the only object of his warm affection.
Almost all these passages are couched in figurative language, yet easily intelligible, and certainly not beyond the experience of the greater part of the family of God.
We shall perhaps find, if God helps me this morning to bring forth the choice experience of our text, the words before us to possess both of these characters. First, though the language is highly metaphorical, yet is it sufficiently intelligible through the light veil of allegory to present us with a visible portrait, and that no less than of a face beaming with the light and beauty of a very gracious experience; and yet, secondly, the experience thus portrayed in it is not of a character so high in spiritual enjoyment as to be beyond the reach of those who know something of the breathing forth of the sincerity of love into the bosom of the Redeemer.
Let us then approach the words as they present themselves to us in the express language of the blessed Spirit, and see whether we cannot gather up from them some spiritual instruction, or gracious encouragement, or divine consolation, or profitable admonition.
I. Observe, first, the invitation which Christ—for He is the speaker here—addresses to His beloved to accompany Him in His evening walk of love — “Come, My beloved let us go forth.”
II. Secondly, the place where He invites her to go in company with Him. “Let us go forth into the field; let us lodge in the villages.”
III. Thirdly, the object of their journeying together thus hand in hand — “Let us get up early to the vineyards; let us see if the vines flourish, whether the tender grapes appear, and the pomegranates bud forth.”
IV. Fourthly, the entertainment which He promises her when they have gone through their survey — “There will I give you My loves.”
I. The INVITATION which Christ addresses to His beloved to accompany Him in His evening walk of love — “Come, My beloved let us go forth.” I have just hinted my opinion that it is our Lord who speaks here. The commentators, I believe, and among them I may name Dr. Gill, ascribe the words to the church; but, according to my view of the subject, they are much more appropriate in the lips of the Redeemer. Let me give you my reason. The invitation, “Come, My beloved,” seems to fall with more propriety from the lips of the bridegroom than from those of the bride. He leads, she follows. He draws, she runs. He invites her to come — she listens to His invitation, and gladly takes hold of His offered hand. Is not this more suitable, more becoming their mutual relationship? Would it not be so between lovers naturally? Is it not more becoming maidenly modesty to be asked than to ask, to be courted than to court, to be invited to take an evening walk than to give the invitation? But when we look at the exalted dignity of the heavenly Bridegroom, full though He be of most gracious condescension, it must strike us at once upon higher grounds that it is more becoming for the Lord to give the invitation to the church to walk with Him than for the church to invite Him to walk with her.
1. But now look at the tender expression by which he addresses her — “My beloved.” This is His language throughout the whole Song to His spouse and bride. Whatever the church is in herself, and no language can describe the depths of her debasement through the Fall, she is dear and near to the heart of Christ. Two things must always strike us with wonder, and I may say holy admiration, when we can realize them experimentally in our own bosom.
First, that Christ, viewed by faith as the eternal Son of God in all the glory of His uncreated Deity, should ever have loved any of the human race at all. Did you ever attempt to realize the feeling that He, who is eternally God, should ever have condescended to love a creature like man? When I say “love,” I do not mean that general approbation which God has as a Creator in the works of His hands, but that warmth of peculiar and tender affection, which we mean by the term. Is it not sufficient to fill our mind with wonder that the great and glorious, self-existent I AM should love a finite creature such as man? We can understand how equals can love equals, or even superiors love inferiors when the disparity is not very great; but that He who fills heaven with His glory should love, with all the warmth of infinite affection, man, the creature of His hand—this indeed is a mystery.
David felt this when he said, after a contemplation of the glories of the starry heavens, “What is man that You are mindful of him? and the son of man that You visit him? For You have made him a little lower than the angels, and have crowned him with glory and honor.” Psalm 8:4,5 Such also was Solomon’s feeling when he had built the temple. “But will God indeed dwell on the earth? behold the heaven and heaven of heavens cannot contain You — how much less this house that I have built?” 1Ki 8:27 But when we consider what man is, not only as a finite, but as a fallen creature; when we contrast the purity and holiness of God with the impurity and defilement of man; and when we bear in mind how hateful sin is in the eyes of Him who cannot look upon iniquity, well may we stand astonished that a God so holy should love sinners so vile.
But the second thing is calculated also to strike us with wonder and admiration. The mystery, which never can be fathomed in this life and most probably will be equally unfathomable in the life to come, is that God should have loved some, and not have loved others. Why He should have loved Jacob and hated Esau, chosen David and rejected Saul, are mysteries inscrutable to creature intellect. But though unfathomable by the line of human reason, they are still truths as clearly revealed in the Word of God as those doctrines which lie more within the compass of our understanding; and therefore should be received in faith, not caviled at through unbelief. It will be our mercy, instead of puzzling our minds over this mystery, still less caviling at it, to have such a testimony in our own conscience as Paul had of old, when he could say, in the full assurance of faith, “He loved me and gave Himself for me.”
When, then, we look at the church in her present fallen condition, we may stand astonished that our gracious Lord should feel any love towards her. But so it is. Love is self-moving. Even in natural love, none can tell the source from which it springs. All we know of it is that it flows freely, of its own self-movement, towards its object. So it is with divine love — it flows forth spontaneously without seeking any other cause but its own self-movement, or any other object but that to which it softly yet strongly tends. “God,” we read, “is love.” 1Jo 4:8 That is His name; that is His nature. But if any ask why God loved any of the sons of men, all we can answer is, “Herein is love, not that we loved God but that He loved us, and sent His Son to be the atoning sacrifice for our sins.” 1Jo 4:10 And if any ask how we may know this love, all we can reply is, “And we have known and believed the love that God has to us. God is love, and he that dwells in love dwells in God, and God in him.” 1Jo 4:16
A. But love cannot exist without REQUITAL. Is not this true in human love? How many a poor girl has died of a broken heart from unrequited love! How many a man has been almost driven to desperation by the object of his affections breaking her engagement with him, and marrying another! It is in divine as in human love. Divine love needs requital. But there is this peculiar feature in divine love, and one in which it far exceeds all earthly affection, that it never knows the lack of requital; it never feels the lack of faithfulness. You may love an earthly object, and may have no requital. You may fix your affections upon one of the opposite sex and have them blighted, the object being unfaithful. But not so in heavenly love. It always meets with requital; it never meets with unfaithfulness.
But how can this be? Am I walking on sure and safe ground here, or advancing anything not in strict harmony with the Word of truth and the experience of the saints? Do you, then, think it possible that divine love can be thrown away? What is the cause of human love not being always requited? Is it not because the lover is not able to kindle a mutual flame in the bosom of the beloved? But can this be the case with divine love? To think so would be to cast a doubt on the power of the Almighty, as well as be expressly contrary to the Scriptures of truth. What do we read there? “We love Him because He first loved us.” 1Jo 4:19 And again, “The love of God is shed abroad in our hearts by the Holy Spirit who is given unto us.”
It is impossible, therefore, that divine love should be disappointed by meeting with no requital. It is true that you may sometimes doubt and fear whether Jesus loves you. But these very doubts and fears imply that you have some love toward Him; and if you love Him, you may be certain He loves you. Love to the Lord is a sure sign of a new and heavenly birth, “for every one who loves is born of God and knows God.” 1Jo 4:7 And you may be certain also of His faithfulness to you, even though you are often unfaithful to Him; for those whom He loves, He loves to the end; and “if we believe not, yet He abides faithful — He cannot deny Himself.” John 13:1 2Ti 2:13 If, therefore, He has once loved you, He will never leave you. Those two bitter drops which often turn the whole cup of human love into a draught of almost unmixed wormwood and gall, lack of requital and unfaithfulness, are never found in love divine. These two things, then, you may depend upon, if indeed you love Jesus with a pure heart fervently—that your love is requited by His; and that He will be faithful to every promise ever spoken by Him to your heart.
B. But love cannot exist without COMMUNION — the mutual enjoyment of each other’s society. It is so in earthly, it is so in heavenly love. Our blessed Lord, therefore, speaking in the words before us, invites His beloved “to come,” implying that she was to take His offered hand, that they might “go forth” in the enjoyment of each other’s tender and affectionate society. She willingly accepts the offer. She is too pleased with His company not to listen when He invites. He leads, she follows; and hand in hand they go forth together.
2. But now look at the invitation couched in the expression, “Let us go forth.” There is something very experimental in this kind and loving invitation; something that must not be passed over if we would bend our ear to listen to the voice of the Lord. He had already said, “Come.” That was, so to speak, the calling note, the first sound of the love trumpet to rouse up the attention of the bride. She hears; she rises; she obeys the call; she takes the offered hand, and now the Lord says, “Let us go forth.” The idea contained in the expression seems to be that Christ and the church are to go forth out of everything which can interrupt their mutual enjoyment of each other’s society. The world is looked upon as a distracting place, like an over-crowded metropolis, full of noise, smoke, din and bustle, where their communion would be interrupted by every passer-by. In order, therefore, to enjoy sweet communion without interruption, He takes her by the hand and invites her to go forth with Him. But what is implied in the expression “going forth?”
A. Separation from everything which interferes with the love of Christ. He finds her in the WORLD, sometimes allured by, and entangled in its flesh-pleasing snares, and sometimes overborne with its burdensome anxieties. Forth, forth from both of these must the child of God go if he is to walk hand in hand with Jesus. It cannot be a trio—Jesus, the soul and the world. In natural love, a trio is no company. There must be two only to enjoy the wished-for society. So in grace; it must be Christ and the soul, the soul and Christ, or else there is, there can be, no sweet communion. The world must not interpose nor separate the two by turning its face into the midst, for it comes worse than a mere casual visitor, or an unwished-for interferer. It is a rival. And what can be worse company for two lovers than the presence of a rival? The love of the world and the love of Christ cannot dwell in the same bosom — “For if any man loves the world, the love of the Father is not in him.” 1Jo 2:15
The first step, then, toward communion with Christ is to come out of the world — “Come out from among them and be separate, says the Lord, and touch not the unclean thing — and I will receive you.” 2Co 6:17 If we are entangled in the love of the world, or fast bound and fettered with worldly anxieties, and the spirit of the world is rife in our bosom, all our profession will be vapid, if not worthless. We may use the language of prayer, but the heart is not in earnest; we may still manage to hold our head high in a profession of the truth, but its power and blessedness are neither known nor felt. To enjoy any measure of communion with the Lord, whether on the cross or on the throne, we must “go forth” from a world which is at enmity against Him.
B. So also there must be a going forth from all SIN. Christ never can have any fellowship with sin; for what fellowship has Christ with Belial? If we are indulging in any sin, secret or open, there can be no fellowship with the Lord the Lamb. We must go forth out of it and leave all its abominations behind. But how can we do this? How can we crucify the flesh with its affections and lusts? How can we deny ourselves; cut off right hands or pluck out right eyes; tear a beloved idol from the breast; and say to every iniquity, “Get behind me, Satan!” This we cannot do for ourselves; but the Lord can do it for us and in us. And this He does when He says, “Come forth.” With the word of a king there is power; and by that power He can enable us to go forth out of all evil and out of everything hateful in His holy eyes.
C. But the invitation bids us also go forth out of the PROFESSING church. Christ is not there. There lies indeed the body, once animated with life divine; but the animating spirit is fled, and now there is nothing but a lifeless corpse. So it was with the church of old. The Lord once was “with the church in the wilderness” Acts 7:38; but the presence and the power of the Lord left it; and then that which was once the house of the Lord became the den of thieves. This going forth from the professing church was foreshadowed by the bodies of the beasts, whose blood was brought into the sanctuary, being burnt outside the camp. The apostle, therefore, says, “therefore Jesus also, that He might sanctify the people with His own blood, suffered outside the gate. Let us go forth therefore unto Him outside the camp, bearing His reproach.” Heb 13:12,13 This I had to do now many years ago; for when I found and felt the power of God’s truth upon my heart and conscience, I was as much obliged to “go forth” out of the professing church, as I was out of the world and out of sin.
4. But this invitation of Christ implies also that we must go forth which is the hardest thing of all to do out of SELF. It is easy in some measure to leave the world; easy to leave the professing church; and, though more difficult, yet there are cases in which people may even leave their sins, as the dog is said to have left his vomit, though he returned to it again. But to go forth out of self — there is the difficulty; for this “self” embraces such a variety of forms. Still, to deny it, renounce it, and go forth out of it lies at the very foundation of vital godliness. This was strikingly intimated by our blessed Lord when He said “Whoever will come after Me, let him deny himself, and take up his cross and follow Me” Mr 8:34
But what varied shapes and forms does this monster SELF assume! How hard to trace his windings! How difficult to track the wily foe to his hidden den, drag him out of the cave, and immolate him at the foot of the cross, as Samuel hewed down Agag in Gilgal. Proud self, righteous self, covetous self, ambitious self, sensual self, deceitful self, religious self, flesh-pleasing self—to detect, unmask, strip out of its multi-colored clothes and changeable suits of apparel, this ugly, mis-shaped creature, and then stamp upon it, as if one would crush with the heel of our boot its viper head; who will do such violence to beloved self, when every nerve quivers and shrinks, and the coward heart cries to the uplifted foot, “Spare, spare?” But does not the apostle say of himself, “I am crucified with Christ” Ga 2:20; “I bear in my body the marks of the Lord Jesus” Ga 6:17; “I fill up that which is behind of the afflictions of Christ in my flesh, for His body’s sake.” Col 1:24 All this is “suffering with Christ, that we also may be glorified together; a mortifying, through the Spirit, of the deeds of the body;” a being “always delivered unto death for Jesus’ sake, that the life also of Jesus might be made manifest in our mortal flesh.” Romans 8:13,17 2Co 4:11 Unless there is a going forth out of self by this self-crucifixion, there is no walking hand in hand with Christ, no manifest union, no heavenly communion with Him; for there can no more be a partnership between Christ, the soul and self, than there can be a partnership between Christ, the soul and sin.
II. But now let us direct our attention to our next point—the place of appointment, the meeting spot, to which the blessed Lord invites His beloved to go forth with Him — “Let us go forth into the FIELD.” What is the leading idea here? There are several.
1. The first I shall name is that of leaving the noise, smoke and din of a large metropolis, where there is no privacy, no opportunity for retirement, for the quiet calm of a lonely field, where we may indulge in prayer and meditation, or retire into one’s own bosom and commune with one’s own heart. The sounds and sights, the bustle and confusion of the busy town often prevent that calm repose and sacred communion to which the Lord would invite His believing people. He would take, then, His beloved as if by her hand and lead her out of the noise and din of the crowded town that she might find opportunity for a little quiet meditation. Even naturally how pleasant it is to an inhabitant of the crowded metropolis to get away from its smoke and din into the quiet country; and if a truly godly man, and blessed with a spirit of meditation, there to meditate upon the precious truth of God. Isaac, you will recollect, went out to meditate in the field at the evening time when he lifted up his eyes and saw the camels coming, announcing the arrival of the wife whom the Lord had found for him. I have myself found the field to be a suitable place for meditation, and often walk there on a Saturday evening for that purpose.
Thus the field in our text may represent the secret meditation of the soul. The saints of God in ancient days were much given to meditation. “My meditation of Him shall be sweet,” Psalm 104:34 “O how I love Your law! It is my meditation all the day.” Psalm 119:97 “When I remember You upon my bed and meditate on You in the night watches.” Psalm 63:6 “Commune with your own heart upon your bed, and be still.” Psalm 4:4 Meditation is very profitable, and for ministers who would profit the church of God, it is indispensable. Paul therefore says to his beloved Timothy, “Meditate upon these things; give yourself wholly to them; that your profiting may appear to all.” 1Ti 4:15 Meditation is to spiritual food what digestion is to natural food — without it there is no nourishment from the Word of truth.
But it is an employment that very few are able or willing to exercise themselves with; in fact, to meditate upon the Word of truth requires a spiritual mind, heavenly affections and a soul under special divine impressions, whereby sacred realities become not only suitable food, but the very element in which we live and move.
2. But again, “the field” may spiritually represent a place of secret prayer. How often even literally will the child of God go into the field that he may have an opportunity for pouring out his heart before the Lord! You who have families, some, it may be, surrounded and often sadly worried with crying children, living in small confined houses, with little opportunity for secret retirement, scarcely able perhaps to call your sleeping room your own; how gladly sometimes you go forth into the fields where no eye can see you but the eye of God, and no ear hear you but the ear of God, that you may pour out your heart without interruption! The very calm quiet of the field suits your frame. The soft fresh air blowing upon your face cheers and refreshes your body; the lark twittering in the sky; the face of lovely nature spread before your eyes; the pure solitude of the scene far away from the dusty roads and all sights and sounds of sin—all favor a spirit of prayer as you lift up your eyes and heart to heaven.
If you are in trouble, there you may groan unheard; if dejected, there you may sigh, and neither wife nor child catch the sound; if favored with access to the throne, there you may have communion with the Lord; and there, if time allows, you may sometimes stay in the grassy field until the shadows of evening gather around you, and the stars shine forth in all their beauty and glory. Then you can go to your home refreshed and strengthened with your walk in the field, for the Lord has gone forth there with you, and His company is the best of all. Thus the field may fitly represent that secret prayer which is the very life of the soul, and without which there can be no communion with the Lord of life and glory.
3. But “the field” also may signify a place of self-examination; for it may spiritually imply retirement, thought, solitude, quiet, being alone with God. People for the most part hate solitude. They love to live in a crowd, and thus, for the most part, escape the torment of being alone. How many of those who we hope fear God seem to be afraid of self-examination! And why is this, but because they fear that self-examination may bring things to light which might cover them with shame, and they are unwilling to be humbled or put their mouth in the dust?
But how good self-examination sometimes is! Does not the apostle say, “Examine yourselves to see whether you are in the faith; test yourselves. Do you not realize that Christ Jesus is in you—unless, of course, you fail the test?” 2 Cor. 13:5 And again, “But let a man examine himself, and so let him eat of that bread and drink of that cup.” 1Co 11:28 How the Psalmist seems as it were to spread himself out before the Lord as he walked in this field of self-examination — “Search me, O God, and know my heart; try me and know my thoughts, and see if there be any wicked way in me, and lead me in the way everlasting.” Psalm 139:23,24
But let me give the words a somewhat more enlarged signification. When the Lord says to His beloved, “Let us go forth into the field,” it would seem as if He invited her to go with Him hand in hand, and see what was spread before their view. In His company, and taught by His Spirit and grace, she would see what she could not, with her own unassisted vision, ever observe.
4. He would bid her, for instance, look, first, at the field of creation. What an ample field of meditation is here; and how delightful it is to leave the crowded city and look upon the calm and quiet face of nature! But how much more sweet it is to be able to do this with a spiritual mind, and to receive from it heavenly delight! Then as you view the sun walking in his brightness, or see the moon illuminating the dark night, and the stars glittering like so many diamonds in the sky, how the glory of God shines forth as thus traced out in these beautiful heavens! Men enjoy the warmth of the sun, or the light of the moon, and look, some with careless and some with admiring eyes, upon the constellations of the heavens; but how few see that the hand of God gave to them their being, and how fewer still can say, in the language of Cowper, “My Father made them all!” But we cannot see this field of creation with believing eyes except we walk hand in hand with Christ, His grace enlightening the heart and His glory illuminating the soul.
5. But there is another field—the field of providence; and into that field, as in the preceding, we can only go forth, so as to take of it a believing view, as we can walk hand in hand with Christ. The field of providence is full of various paths, and these are often so intricate that we would soon lose our way unless we had such an unerring Guide and Companion. Now when the Lord is pleased to take us hand in hand and lead us into the field of providence, then, whichever way we look, we see that “all the paths of the Lord are mercy and truth unto such as keep His covenant and His testimonies.” Psalm 25:10
Look back and see the path of providence in which the Lord has hitherto led you up and down this wilderness world from your very infant days, and you will find mercy stamped upon every part of it. You could not indeed see it at the time, for the Lord “brings the blind by a way that they know not;” but you see it now, if at least you are walking in the field hand in hand with the Lord. However crooked that path once apparently was, it is now all made straight; however it seemed then to diverge from the right way, and almost to lose itself in a tangled maze, yet it is now seen all to have tended to one center.
But, if blessed with a living faith as you are walking with the Lord in this field, you can also look forward as well as backward, and believe that as the Lord has appeared thus far as a kind God in providence, He will ever still appear in the same way on your behalf—that He will never leave nor forsake you, but be ever opening fresh fields for admiring and adoring His wondrous hand in providing for your needs.
But we are not always nor often here. How often we take, as it were, our hand out of the Lord’s and then we grope for the wall like the blind—we grope as if we had no eyes! Then we feel, when we are not walking hand in hand with the Lord, the field of providence is obscured, its paths become perplexing and confused, and, having lost the hand which holds the clue, we see little else but an inextricable labyrinth.
6. Then again there is the field of experience; and what a copious field is that in which to walk with Christ as your guide! But how faint our steps, unless we can walk in this field also hand in hand with the Lord! If, however, seeing light in His light, you take a view of the Lord’s dealings with your soul, and look at all you have passed through in your mind from the day when the Spirit first quickened you into spiritual life, what a field is spread before you! The sighs and groans that have gone up out of your bosom; the tears which have dropped from your eyes; the convictions of sin which have pierced your conscience; the mournings after the Lord and over your sins and backslidings—can you not see the leadings and teachings of the blessed Spirit here?
Look, also, again at the first breakings in of mercy upon your soul; the dawning beams of light upon your mind; the promise applied; the Person and work, the blood and righteousness of the Lord Jesus discovered; and salvation brought home with a divine power to your heart—what a field of sweet and gracious experience the soul can sometimes see spread before its eyes which at other times is hidden from view! But O how different it is to cast one’s eyes over this field without Christ and with Him! Without Him all is darkness; with Him all is light.
7. Then, again, look at the Scriptures; what a field there is spread before our eyes in the inspired Word! What holy truths, what encouraging invitations, what comforting promises, what gracious precepts, what a field of richest, choicest treasure does the inspired Word contain for the soul to walk in hand in hand with the blessed Lord! As He guides it through the sacred page, illuminating the whole with heavenly light, how it testifies of Him both in Old Testament and New! Of Him all the prophets speak; to Him all the rites and ceremonies point, for the testimony of Jesus is the spirit of prophecy; and as He is the Word incarnate, so is He the sum and substance of the Word written.
But He must walk with us in this sacred field, and do to us as He did to His disciples — “Then opened He their understanding that they might understand the Scriptures.” Luke 24:45 What is all DOCTRINE without him? Separate from Christ, from His power and presence, doctrine is but notion, speculation and mere opinion. What again are the PROMISES separate from Christ? Unmeaning declarations. For “all the promises of God in Him are yes and in Him Amen” 2Co 1:20; and therefore out of Him they are neither “yes” nor “Amen,” that is, they have no affirmation and no confirmation. And again, what are the PRECEPTS distinct from Christ? Burdensome commands, without end or motive for their performance. We see, then, how needful it is to possess the power and presence of Christ in the whole field of heavenly truth and in every portion of it.
But we will now advance to another invitation from the same gracious lips and addressed in a similar manner to the church — “Let us lodge in the VILLAGES.” It is as if the Lord said to her, “Now we have spent the day together in the field, seeing the beauty and glory of God in these various departments of providence and grace. Night is coming on; where shall we tarry during the night season? We will not go back to the noisy town. Tomorrow will bring us fresh employment in the calm, quiet country; but we cannot stay all night in the field. Let us lodge in the village.” Of course there is spiritual instruction communicated here. Let us see, then, if we can gather up the divine meaning of the words.
1. These villages, taking a spiritual view of them, seem to represent gospel churches. Villages are naturally distinct from the great metropolis, and yet they are different from solitary houses. We may view them, then, as little clusters of habitations gathered out of the world, not town houses situated in all the smoke and din and noise of the thronged streets, but quiet abodes in the country, far, far away from the bustling city. As, then, the Lord invites His bride to lodge with Him in the villages, they seem to be places in which she could lay her head down and sweetly enjoy the rest to which He invites her. But how does this agree with the other part of the invitation to go forth into the field? In this way — there is not only enjoying sweet communion with the Lord in the field, but there is enjoying sweet communion with His people in the church.
As, then, we are brought into spiritual union and communion with those who fear God, and especially by being members of a gospel church, there is a lodging of the soul in the village; there is a finding rest and repose, not only in the enjoyment of the Lord’s presence, but in the love and affection which Christians mutually bear to each other. And though this mutual love and affection among the members of the mystical body of Christ be not frequent in our day, yet still there is a measure of it enjoyed by every quickened soul; for love to the brethren is the first evidence of the work of grace upon the heart, according to God’s own testimony — “We know that we have passed from death unto life, because we love the brethren. He who does not love his brother abides in death.” 1Jo 3:14
2. Yet it is after all but lodging in the villages, merely tarrying for a night, enjoying just a short space of refreshment in the company of those who fear God, but no long permanence of Christian communion, through the various circumstances which often disturb Christian harmony and peace. How few churches really walk in mutual love and affection! What strife and division, what jealousies and suspicious coldness, if not unkindness, often divide the churches of Christ! But when Christ and the bride are together in the enjoyment of each other’s company, then it is well with the villages; then does union prevail in the churches; and in that peace and union Christ and His bride can lie down together in the silent watches of the night.
III. The OBJECT of their journeying together thus hand in hand — “Let us get up early to the vineyards; let us see if the vines flourish, whether the tender grapes appear, and the pomegranates bud forth.” Their morning’s work is already decided upon. If they repose for the night in the village, it is only that they may in the morning examine the village crops and see for themselves what fruit is to be borne by them. There was work to be done which could best be done in company. They had had a season of mutual communion in the field; they had spent the night in the villages in communion with the churches that fear God, obey His precepts, walk in His ways, and keep His ordinances. But there was work to be done in the early morning.
1. “Let us get up early to the vineyards.” I have observed in Scripture how much is said of getting up early in the morning. We have in Abraham’s remarkable history three different intimations of his rising early in the morning; and they were three very important occasions in Abraham’s life.
The first instance of his getting up early was after the destruction of Sodom and Gomorrah, when he rose up early to see whether God had heard his prayer for the deliverance of Lot; and he saw from afar, almost with the dawning light, that the smoke of the accursed cities of the plain rose up as the smoke of a mighty furnace. Ge 19:27,28
The next was when he had to send away Hagar — “And Abraham rose up early in the morning, and took bread and a bottle of water and gave it unto Hagar, putting it on her shoulder and the child, and sent her away.” Ge 21:14 Being obliged by Sarah’s indignation at Ishmael’s mockery to remove that thorn out of her side, and assured by God’s own word that he would hearken unto her voice, he no longer delayed obedience. He felt deeply the stroke, yet he rose up early in the morning to show that he would no longer harbor in his house one that was an enemy to his wife’s repose, and that in doing so he was doing the will of God from the heart.
The third time he rose up early in the morning was the most painful act in the whole history of Abraham’s life, when he took his son Isaac to offer him as a burnt offering upon the very spot on which the temple was afterwards built.
But we do not understand the expression here in its literal sense; we give it a spiritual meaning, as implying activity and diligence. I have, however, observed there is very little good to be expected from people who accustom themselves to lie in bed all morning; it argues an indolent body and an indolent mind. But of course the Lord here speaks figuratively as implying that diligence of soul which is manifested by a diligent body in getting up early, and not losing precious moments on a bed of sloth.
2. But WHERE did the Lord invite His bride to go with Him in the early morning? To the vineyards. Now this spiritually and experimentally describes a searching examination into the state of the churches as they lie naked and open before that holy and heart-searching God with whom we have do. Christ and His bride had been walking in holy communion with each other; they had been lodging in the villages in sweet communion with the churches, and now they were to go together upon a tour of examination. They were to direct their steps towards the vineyards, to see what was going on there, how the vines looked, whether they were healthy, whether the grapes had been well ripened, whether the foliage was strong and verdant, and what prospects they generally presented of fruit for that year. The figure, of course, was adapted to that country and climate. As in our country, farmers get up early in the morning to inspect the state of their flocks and herds, and to look over their fields so as to form some judgment of their present and future state, so in Palestine, where vineyards were the chief productions of the country, their owners and cultivators would naturally rise up early in the morning to examine the state of their vines. In the Scripture the vineyard is a standing figure of the church of God. “My well beloved has a vineyard in a very fruitful hill” Isaiah 5:1; and so our Lord speaks. “A man planted a vineyard, and leased it out to tenant farmers.” Luke 20:9
Now, as a vineyard is a collection of vines and thus typifies a church, so each vine may be considered as typifying an individual believer as one of the church, When, then, the Lord had said to His beloved, “Let us get up early to the vineyards,” He adds, “Let us see if the vines flourish,” that is, let us look at individual cases. Thus, every believer should examine the state of his soul before God, and that with all that diligence, earnestness, and activity which are shadowed forth by getting up early for the work. Do not you think that it would be good sometimes thus to examine the state of your soul before God? Might you not sometimes well ask yourself, “Is my soul flourishing? Does it wear a healthy aspect? How does it look, viewed by a spiritual eye?”
When the farmer goes into his field, he can see in a moment whether the crop is healthy or not, whether there is worm at the root, or disease on the stem, or blight in the ear. When an experienced gardener goes into a vinery, he can see at a glance the exact state of the vines. The appearance of the foliage and the general aspect of the vines show in a moment to his experienced eye whether the worm or bug is infesting the house. It requires no minute examination; as disease in the human body manifests itself at once to the experienced physician, so a skillful eye detects at a glance disease in the vinery.
So it is, or should be, in grace. If I have a spiritual eye, directly I look into my soul, I can see whether it is healthy or unhealthy, whether the leaves of my profession be curled and mildewed, or whether they be green and verdant and give promise of a good crop. Think of the farmer who never goes into his barn-yard to examine the state of his flocks and herds, and who is too idle even to walk the breadth of his farm to see the state of his crops! Is such a man fit to be a farmer? What can such a man expect as his end but the workhouse? So the Christian, who has a crop of far more importance than all the wheat that grows in the farmer’s fields, and of more value than all the sheep of the farm, should look into the state of his soul to see whether it be flourishing or not.
If prayer, if praise, if reading the Scriptures, if self-examination, if meditation, if faith, hope and love, and other graces of the Spirit are all active, lively and vigorous, then the vine is flourishing. If prayer is cold, formal and dead; if the Scriptures are little read or with a careless eye; if there be no self-examination, no meditation, no spirituality of mind, no going forth of faith and affection—then the vine is not flourishing. There is something wrong at the root.
To use gardening language, the grapes sometimes “shank off,” that is, become dry, shrunken and sour. The cause of this generally is, I believe, that there is something wrong at the root; that they have been chilled with the cold rains, and therefore the root has become unhealthy. In almost every plant it is at the root that disease begins. If ever you see even a plant in a flower-pot unhealthy, depend upon it there is something wrong at the root. It is over-watered or under-watered, or from some other cause the root has become diseased, and root-development is suspended or unhealthy.
So it is in religion; if there is anything wrong with a man, it is almost sure to be something wrong at the root. “The root of the matter,” Job said, “is found in me.” Job could appeal unto God that the root of his religion was right. If “the root” had been wrong, “the fruit” would not have been right; but as long as the root was sound, it would put forth fruit in due time. If a man’s religion has no root, or if the root be injured by disease, it will be sure to discover itself in his profession. He cannot have a prosperous soul—prosperous inwardly and prosperous outwardly—unless the root be deep in the soil, and unless it be full of living fibers, drawing up secret nourishment from that river, the streams whereof make glad the city of God. Then he shall be “like trees planted along a riverbank, with roots that reach deep into the water. Such trees are not bothered by the heat or worried by long months of drought. Their leaves stay green, and they go right on producing delicious fruit.” Jer 17:8
3. Connected with this, therefore, comes the next question, whether “the tender GRAPES appear.” The first look was at the general appearance of the vine. Was the stem well ripened; were the leaves well and fully grown; was there any appearance of mildew, blight, caterpillar, or any other noxious thing in operation to destroy the prospect of the crop? Well, if the first view were satisfactory, if the general aspect of the vine were favorable, now comes a closer examination to see whether “the tender grapes” are appearing. Where is the opening blossom? If there be no blossom, there will be no fruit; and if there are no buddings of the tender grapes, we shall look in vain when autumn comes for ripe clusters.
These “tender grapes,” spiritually viewed, seems to signify the tender graces of the soul. Depend upon it, nothing is more opposed to vital godliness than hardness of heart in the things of God. The tender conscience, the humble mind, the broken heart, the contrite spirit — these are true and scriptural marks and evidences of the grace of God. In fact you will find that every grace of the Spirit partakes of this tenderness. Grace is an exotic; it is not a native plant. It cannot stand the frost, nor the cold north winds. It comes from the warm climate of heaven, and needs careful nourishing that it may live and grow.
Thus these tender grapes may represent that fear of God in the heart which makes the conscience tender; those inward actings of faith, whereby, as with so many tendrils, the Person and work of Christ are laid hold of; the first tender sensations of opening love toward the Lord, when, by some discovery of Himself, He for the first time makes Himself precious to the believing heart; the tender claspings of a good hope through grace, which lay hold of the finished work of the Son of God.
The tender grapes may also spiritually represent the tender sensations of the soul under divine teaching, whereby it mourns over sin, laments its shortcomings and looks to the Lord with weeping eyes and sorrowful heart for pardon and peace. If we see no tender grapes in the spring, there will certainly be no rich, ripe clusters in the autumn. Full fruit indeed was not yet come; but this is what the Lord was looking for—whether the tender grapes were budding out of the stem or opening their bloom. To me there is nothing more sickening than the hardness which one sees in so many of our preachers and professors. The dry, hard way in which they preach the most solemn doctrinal truths of the gospel is most repulsive to a spiritual mind, and makes one greatly fear whether such men ever knew anything of the power of truth for themselves in a tender conscience.
4. But there was also something else which the Lord in company with his bride was to look for — “And the POMEGRANATES bud forth.” The pomegranate is a fruit not peculiar to, but very common in the Holy Land, and is distinguished by a bright green leaf and a beautiful crimson flower, followed by a rich, ripe, red fruit, of which the juice is peculiarly luscious and sweet. The Holy Spirit therefore seems to have taken the pomegranate throughout Scripture as an emblem of choice gospel fruit. The high priest wore upon his robe pomegranates intermingled with golden bells. The golden bells sounded his approach in the tabernacle and loudly proclaimed his coming; but the pomegranates silently proclaimed that he was to bear fruit unto God as well as sound forth his praise.
It would seem from the Scripture that there was something peculiarly delicious in the juice of the pomegranate, and that it was mingled with wine to give the latter more flavor. Thus, the spouse says, “I would cause You to drink of spiced wine of the juice of my pomegranates.” So 8:2 As a delicious fruit they were therefore planted in Hebrew gardens — “Your plants are an orchard of pomegranates with pleasant fruits.” So 4:13
Thus the pomegranate, as a spiritual emblem, signifies gospel fruit. The Lord and His church went forth therefore hand in hand to examine whether these pomegranates were budding forth—whether, in other words, there was promise of fruit in the churches. They were not looking in the expectation of finding pomegranates fit to be gathered; they did not go so far as that. Being the time of spring when they took their morning walk, fruit was not yet to be found upon the bough. Their examination was directed rather to see whether there was any appearance of a future crop.
By this is intimated that the Lord deals very tenderly and gently with the soul, not expecting ripe fruit in the spring, but examining what marks there were of divine teaching in the early bud. Do you ever look into your soul to see whether these pomegranates are budding forth; to search and examine what semblance you can find of the graces of the Spirit; what buddings forth of hope and love you can trace out; what marks of heavenly teaching, what tokens or testimonies of interest in the blood and love of the Lamb, and what prospects for eternity?
But how true it is that we cannot see these fruits in ourselves, whatever measure there be of them, except in company with Christ! Christ does not invite the bride to look into her own heart, except in His company; but when favored with His presence and smile, she may look and see whether the pomegranates are budding forth. And they will always bud forth when she is in company with the Lord, for then His grace is in operation; and when His grace is in operation, then the tender grapes give a good smell and the pomegranates richly bloom.
But if we look into our heart in seasons of darkness, desertion and desolation, we shall see no fruit there. These tender blossoms shut up their leaves in the cold north wind; they are afraid to come forth except when the sun shines. When the sun shines, the tender grapes appear and the pomegranates bud forth; for in the presence of the Lord there is a springing up of every Christian grace. Thus you see that the Lord does not invite us to be poring over our heart to find what good there is in the dark night of cold desertion. Does He not say, “Let us get up early to the vineyards,” as if to see them under the beams of the rising sun, and as favored with His company? If the bride had gone forth into the vineyard without Him or in the dark night, what would she have seen of the appearing of the tender grapes, or of the budding forth of the early pomegranates?
IV. But this brings us to our fourth and last point; the entertainment which He has promised to give His beloved bride when the tender grapes appear and the pomegranates bud forth — “There will I give you My loves.” If we are all in darkness and confusion, doubting and fearing as to the reality of the work of grace upon our soul, there is no seeing anything of the tender grape, no viewing anything of the budding of the pomegranate. They may be there blooming and budding, but we cannot see them. But when the Lord is pleased to cheer us with His presence and company, then we see light in His light, and behold, in the teaching of His Spirit, what is hidden from us when in a state of darkness and desertion. It is for this reason He says, “There will I give you My loves.” Observe the expression, “loves,” in the plural number. And may we not well ask what “loves” are these? They are many.
1. There is first His EVERLASTING love; for He says, “I have loved you with an everlasting love; therefore with loving-kindness have I drawn you.” It is a sense of Christ’s everlasting love which rejoices the soul when shed abroad in the heart by the Holy Spirit. For if this love had beginning, it might have ending. But being from eternity, it reaches to eternity.
2. Then there is DYING love—the love our Lord displayed in dying upon the cross for such poor miserable wretches as we feel ourselves to be. If we can but view His dying love upon the cross, and have a sweet testimony that He loved us and gave Himself for us, then, under the constraint of this dying love, we can give Him all our heart, hate sin with a perfect hatred, desire to be conformed to His suffering image, and be found walking in His blessed footsteps.
3. Then there is PARDONING love, when He is pleased to bless the soul with a sight and sense of His atoning blood, and reveals that love which was stronger than death and triumphed over death and hell.
4. Then there is His FORBEARING love, bearing with all our misbehavior, backslidings, wanderings and transgressions, which is never provoked to give us utterly up, though we deserve to be abandoned for our sins and crimes forever and ever.
5. Then there is His RESTORING love—“He restores my soul”—whereby He restores us out of a state of carnality, darkness, and death, lifts up once more the light of His countenance and enables us once more to love Him with a pure heart fervently.
All these and other flowings forth of His love are spoken of here as His “loves.” And these He gives to His child, of His own free grace—uncalled for, unmerited, undeserved, the spontaneous effusion of His own heart, which is full of the tenderest affection to all who love and fear His great name.
Was it not well worth going forth to enjoy all this? Was it not a blessed journey for His spouse and bride, when she could leave the world and sin and self behind, and go forth in such sweet company? O that we might be thus blessed! What is there worth living for or dying for but this? But how rare for the soul to be thus favored! And yet, say what men will, there is no real happiness anywhere else but in this knowledge and enjoyment of the love of Christ; no real separation from the world by any other power than this; no other real fitness for the inheritance of the saints in light but what this union and communion with the Lord reveals and seals.
May the Lord of His infinite mercy establish these truths in our heart, favor us from time to time with the sweet experimental enjoyment of them, and give us to live and die in His most blessed embrace!