The Earnest Contention for Living Faith
Dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is. Judas vers 3
De lof van de eerste christelijke godsdienst, vinden wij dikwijls in geschriften vermeld, en daar schijnt een algemene overtuiging in de gemoederen van de mensen te zijn, dat de eerste christelijke godsdienst, nauwelijks met enige uitzondering, van een hoogst uitmuntende natuur was; en menigeen spreekt en schrijft alsof de kerken, vermeld in het Nieuwe Testament, enkel bestonden uit zulke voortreffelijke heiligen, als sinds die tijd nooit verschenen zijn en nooit weer verschijnen zullen. Vanwaar nu, hebben wij onze ontwijfelbare zekerheid van de natuur van de eerste christelijke godsdienst af te leiden? Ons enig zeker en onfeilbaar gezag moet het Woord van God zijn, waarmee ik in dit geval de brieven van het Nieuwe Testament bedoel. Maar wat besluiten wij uit deze brieven dan de verschrikkelijke werkelijkheid – dat hoewel vervolging in hun meest vreselijke gedaanten, hen in het aangezicht zag – er sommigen waren van het allerlaagste karakter, in kerken onmiddellijk door de apostelen gevormd!
De heiligen onder hen waren inderdaad heiligen; “grote genade was over hen;” en hun werk des geloofs, arbeid van de liefde en verdraagzaamheid van de hoop (1 Thess. 1:8) vloeide rijkelijk over. Deze daadzaak kan niet ontkend worden; maar deze erkende waarheid schijnt een andere niet minder zekere daadzaak op de achtergrond verdrongen te hebben, namelijk, dat er ook welig onkruid onder de tarwe vermengd was, “Goddelozen, die eertijds tot ditzelve oordeel opgeschreven zijn”. En dat deze slechte karakters, in het brede beschreven in de tweede brief van de apostel Petrus en in deze brief van Judas, leden waren van deze eerste kerken. En zo schijnen de kerken van het Nieuwe Testament van nabij te hebben geleken op de vijgenkorven van Jeremia. “In de ene korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn; maar in de andere korf waren zeer boze vijgen, die vanwege de boosheid niet konden gegeten worden.” (Jer.24: 9.)
Nu, het schijnt dat het onderscheidend oog van Judas deze leemten in de kerken zag: en dat zij niet beperkt waren tot een of twee kerken, maar over allen verspreid waren. Daarom schreef hij onder hemelse ingeving deze “Algemene Zendbrief,” zo genoemd, omdat het opschrift niet luidt aan een bijzondere kerk, zoals te Korinthe, Rome, Eféze of Thessalonika; maar gericht en uitgezonden aan het gehele lichaam van de Christenen, al de zichtbare kerken die bestonden. Zijn gemoed schijnt vervuld te zijn met twee voorname denkbeelden.
- Vooreerst “om hun te schrijven van de algemene zaligheid;” dat is, hun de heerlijkste waarheden van de zaligwording voor te stellen, gemeenschappelijk aan het gehele lichaam van de uitverkorenen.
- Ten tweede “hen te vermanen, dat ze zouden strijden voor het geloof dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.” Maar hoe was hij in zijn geest zo gedrongen hun te vermanen dat zij zouden strijden? Omdat zijn onderscheidend oog een duistere wolk over de kerken zag komen. Het geloof, eenmaal aan de heiligen overgeleverd, was in gevaar; niet in enig eeuwig gevaar alsof het geloof van de uitverkorenen niet langer zou voortdurend, en God zou ophouden een kerk op aarde te hebben; maar in tijdelijk gevaar; en dat niet van buiten, meer van binnen; niet door openlijke vervolgers, maar door valse broeders.
De tijd laat mij niet toe geheel in deze brief te treden, noch deze vlekken in de eerste kerk, deze vlekken in hun liefdemaaltijden af te schetsen. En toch zou het goed zijn te pogen zo kort mogelijk een weinig licht over deze karakters te verspreiden, omdat dezelfde afschuwelijke karakters meer of min de meeste, zou niet alle, van de tegenwoordige gereformeerde kerken verwoesten; en zo enig licht over de tekst zelf verspreid mocht worden.
Het is dan nodig op te merken, dat deze karakters geen toevallige hoorders, buitenvoorhof aanbidders, slechts leden van de bijeenkomst, maar dat zij leden van de kerk waren. Ze waren onloochenbaar in de gemeenschap van de kerk; want zij waren gezeten onder de ordonnanties. “Dezen zijn vlekken in uw liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelven zonder vrees.” Deze liefdemaaltijden waren weliswaar, niet hetzelfde als des Heeren Avondmaal, maar zij volgden altijd de ordonnantie, en geen een zat neer aan de een, die niet neer zat aan de andere. Zij waren dus in kerkelijke gemeenschap met de overigen. Zij worden gezegd; “bezijden ingekropen te zijn;” dat is, in de kerk, maar op een onderhandse, bedrieglijke, listige wijze. Maar naardien Judas hun karakters beschreven heeft, willen wij, onder Gods zegen, de beschrijving, welke hij gegeven heeft, een weinig toelichten.
Zij worden dan gezegd, “te lasteren hetgeen zij niet weten; en hetgeen zij natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, in hetzelve verderven zij zich.” (vs. 19.) Daar waren dan dingen, welke zij niet wisten, en er waren dingen, welke zij wisten. Zij lasterden tegen het een, en zij verdierven zich in het ander Wat waren de dingen die zij niet wisten? Het werk van de Heilige Geest in het hart, de openbaringen van Gods tegenwoordigheid, de uitstorting van Zijn liefde in de ziel, de toepassing van het bloed der besprenging, zowel als de verzoekingen, moeilijkheden, bestrijdingen, oefeningen, twijfelingen, vrees en vuistslagen, die het deel zijn van Gods volk. Dit waren de dingen, die “zij niet wisten;” zij hadden er geen persoonlijke, inwendige. Goddelijke, ondervindelijke kennis aan; ze “lasterden” ze daarom, en noemden ze dolheid, zenuwachtigheid, dweperij, gejaagdheid, bedrog, zwaarmoedigheid, droefheid of welke slechte naam zij konden bedenken, waardoor zij een berisping konden werpen op de onderwijzingen Gods in de ziel. Maar wat waren de dingen welke “zij natuurlijk wisten?” De leerstellige waarheden, welke zij in hun oordeel hadden ontvangen, de heerlijke zaligmakende waarheden welke zij natuurlijk hadden geleerd, en daarom slechts natuurlijk kenden. Want wij moeten onthouden, dat het Arminianisme nog niet in de kerken ingekomen was, maar de zuivere waarheid nog door de Apostelen gepredikt werd. Maar “in hetzelve verdierven ze zich,” dat is, zij hielden de waarheid door ongerechtigheid ten onder, zondigden, opdat de genade te meerder zou worden, en “veranderde de genade van God in ontuchtigheid,” dat is, misbruikten de leer van de genade alsof zij de zonde aanmoedigde. En waarom? omdat ze nimmer de leer van de genade in zielsondervinding en persoonlijke ervaring kenden, maar hielden dezelve in een hard hart, een goddeloos gemoed en een verschroeid geweten.
Maar ze dragen zekere merktekenen met zich, welke Judas’ onderscheidend oog zag, en zijn duidelijke hand heeft afgemaaid.
- Zij waren “de weg van Kaïn ingegaan.” Wat was Kaïns zonde, hier genoemd Kaïns “weg?” Vijandschap jegens zijn broeder. En waarom? Omdat de Heere Abels offer had aangenomen, en het zijne verworpen. Zo is er in het hart van dode mondbelijders een diep gewortelde vijandschap, een inwendige moord, tegen het wezenlijk volk van God; en de wortel van deze vijandschap is, omdat God de een aanneemt en de andere verwerpt.
- Zij waren “door de verleiding des loons van Balaam heen gestort.” Wat was Balaams verleiding? Licht zonder leven, gaven zonder genade, slaafse vrees zonder geestelijke vrees, een gewilligheid om te vervloeken en een dwang om te zegenen; een zien maar nu niet, een aanschouwing maar niet nabij, een begeerte om de dood van de oprechten te sterven en een moordenaar met de Midianieten te zijn.
- “En zijn door de tegenspreking van Korach vergaan;” dat is, Korach, Dathan en Abiram (Num. 16.) En wat was deze tegenspreking? Een benijden van Mozes in het leger, en van Aaron, de heiligen des Heeren.” (Ps. 106:16.) Deze karakters, welke Judas veroordeelt, drongen zich zelden op deze wijze vooruit, om deel te hebben aan de voorrechten en bijzondere zegeningen van het volk van God, verhieven zich in de bediening, maakten een partij uit in de kerk, gedoogden geen scheiding van het kostelijke en het snode; maar verklaarden dat Mde gehele vergadering heilig was, iedereen van hen, en dat de Eleere onder hen was;” en bij gevolg dat een lid van de kerk te zijn, noodzakelijk was een kind van God te zijn. Maar zij waren hoogvliegende belijders, met al die vijandschap en goddeloosheid in hun hart; en Judas heeft verschillende beelden gebruikt, welke op groot uiterlijk voorkomen wijzen, maar allen ontbloot van wezenlijkheid.
- “Zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden.” Wat is een wolk? Een voorbode van regen, een verblijfplaats van vruchtbaar makende vochtigheid, in de lucht hangende, gereed om vettigheid neer te druppelen op de aarde. Somtijds zien we de aarde verschroeid en droog, gespleten en bruin. Wit zien naar de lucht, gelijk Elia’s dienaars of wij wolken kunnen zien opkomen om zich in regenstromen uit te gieten. O, daar zien wij er een zwanger met regen aan de horizon. Hij komt over onze hoofden. Maar, helaas! het is “een waterloze wolk,” een uiterlijk voorkomen zonder wezenlijkheid, de zon bedekkende, maar de enige zaak missende die de wolk begeerlijk of schatbaar maakt. Geen dauw, noch regen, noch vochtigheid. Zo zijn deze dorre hoogvliegende belijders. Trots in hun eisen, maar al hun omgang ontbloot van dauw of smaak, zich hoog in de lucht verheffende, de zon bedekkende, de hemel verbergende, meer geen regendruppels latende vallen, geen vruchtbaarheid voortbrengende. Maar in plaats van stil zegeningen neer te doen druppen, rondom voerende winden van dwaling, vlagen van drift en de stormen van hun eigen lusten.
- “Als bomen in het afgaan van de herfst.” De uitverkorenen zijn bomen, gelijk de Geest zegt, “eikenbomen der gerechtigheid, een planting des Heeren, opdat Hij verheerlijkt worde.” (Jes. 61: 3.) Deze ook, zijn bomen, maar “onvruchtbare bomen” inwendig of uitwendig, “de Geest niet hebbende” (vs. 19), en daarom ontbloot zijn heerlijke vruchten. Maar vruchten hebben zij, zodanig als het is “in het afgaan van de herfst,” dat is, juist hun natuurlijke vruchten van ijver, bestendigheid, gulheid en eenvoudigheid zijn uitgedroogd, het sap weg, en de droge huid slechts overblijvende. “Tweemaal gestorven,” dood in zonden, en dood in een belijdenis; “ontworteld,” zodat een doorziend kind van God bemerkt dat de wortel van hun godsdienst in het vlees is, en zij zichzelf ontwortelen en de wijngaard, op Gods eigen tijd, voor zijn ogen uitroeien.
- “Wilde baren der zee.” De zee draagt op haar wijde boezem de voortbrengselen van alle gewesten, en haar golven brengen de geladen schepen in de haven. Maar deze woeden en schuimen tegen Gods nooddruftig volk en dreigen hen te doden, liever dan ze te dragen, immers zich hoogverheffende tegen de onderwijzingen van de Heilige Geest in de harten van de uitverkorenen, schuimen zij voor onderscheidende ogen slechts hun eigen schande op.
- “Dwalende sterren.” Geen vaste sterren om de zeeman te geleiden, niet de poolster, om hem de koers te wijzen, maar sterren die door de lucht dwalen en daarom slechts bedriegen in plaats van onderwijzen, hem blootstellende aan de zandbanken, in plaats van hem in de begeerde haven te leiden.
- Maar deze personen hebben geen twijfel over hun staat, want “hun mond spreekt zeer opgeblazen dingen, verwonderende zich over de personen om des voordeels wil.” Zij zijn niet geplaagd als andere mensen. Daarom, “als zij ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelf zonder vrees.” Zij weiden zich in de letter van de waarheid, met de leer van de genade in hun hoofd, en de diepste verborgenheden van levende Godvrucht in een dichtgeschroeid geweten houdende. Daarom “weiden zij zichzelf zonder vrees.” Geen goddelijke vrees, geen bevend ontzag, geen plechtige arbeid, geen heilige bekommering, noch begeerte om oprecht te zijn, noch vrees om verkeerd te zijn, geen twijfel of het vrij staat te naderen, geen zuchten onder inwendige huichelarij en verwaandheid, geen roepen ter middernacht tot een hartdoorzoekend God om de grond van hun hart te zien, geen vurige worstelingen om oprecht en getrouw voor Hem te zijn, geen schuld of zelfveroordeling, geen zelfverfoeiing over onwaardig; komen. O noodlottig teken! O, afschuwelijk merk! ontbloot te zijn van dat hetwelk het “beginsel van de wijsheid is,” en hetwelk God legt in de harten van Zijn volk, opdat zij niet van Hem zouden afwijken.
Nu, wij hebben geen reden om te geloven, dat deze personen leefden in hetgeen men noemt openbare zonde en goddeloosheid. Ware het zo geweest, zij zouden uit de kerk geworpen zijn; maar het is klaarblijkelijk dat zij, toen Judas schreef, nog in de kerkgemeenschap waren. Hun zonden waren voortgezet in het verborgen. Maar Judas’ scherp oog, verlicht door de heiligen Geest, zag door al hun veinzerij, en drong door tot hun wezenlijk karakter, door al hun verschillende reeksen van kleding, sluiers hoofddeksels en mantels Hij zag dan, dat het geloof in gevaar was, en bemerkende, dat deze donkere wolk over de kerken trok, schreef hij deze brief om te vermanen, “de geroepenen, die door God de Vader geheiligd waren en door Jezus Christus bewaard, om te strijden voor het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is. En zijn de tijden nu minder gevaarlijk? Moeten niet de kerken, in welke de menigte van Gods volk is, verkeren onder dezelfde karakters, welke Judas hier beschrijft? De kinderen Gods worden dan gelijk geroepen, “om te strijden voor het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is.”
Zo veel tot inleiding, lang genoeg inderdaad, maar misschien niet onnodig, uit aanmerking van het licht, dat het over onze tekst moge verspreiden.
En nu komen wij tot onze tekst, en het eerste woord, dat onze aandacht schijnt te vereisen, is de uitdrukking: “geloof;” want op dat woord, als op een spil, schijnt de gehele tekst te draaien.
Ik denk, we moeten twee dingen door deze uitdrukking verstaan: “Het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is”
- Vooreerst, de leer door de apostelen gepredikt, en
- Ten tweede, het inwendig geloof, waardoor deze leer met het hart geloofd wordt tot rechtvaardigheid en met de mond beleden tot zaligheid.
1. De leer door de apostelen gepredikt
De leer van de genade was aan de heiligen overgeleverd, door de Heere en Zijn Apostelen, zij was aan de heiligen toevertrouwd als aan een levende bewaarplaats, en door deze was zij overhandigd aan hen, die navolgers wat ren in het koninkrijk en de lijdzaamheid van Jezus Christus. Dit schijnt de voornaamste en eerste mening van de tekst te zijn Maar daarover zal ik deze morgen niet uitweiden, meer zal mij bepalen tot hetgeen ik beschouw de tweede en niet minder belangrijke zin te zijn “het geloof, hetwelk woont in het hart van het ware volk van God.”
Welnu, het geloof onderzoekende waarvan gesproken wordt, zal het best zijn te zien wat het niet is, voordat wij zien wat het wel is.
Het geloof dan, dat aan de harten van de heiligen overgeleverd is, door de mond van de Heere, is niet in het minste opziet of de minste trap de vrucht of het voortbrengsel van het schepsel. “Opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid van de mensen, maar in de kracht Gods.” (1 Kor. 2: 5.) Het is een geloof, dat niet door mensen geleerd wordt, noch voortgebracht kan worden door de inspanning van krachten en pogingen van het vlees. Het kan niet uit de Schriften gelepeld worden door sterke studie; neen, al de inspanningen van het schepsel kan geen grein daarvan in het hart voortbrengen. Natuurlijk geloof, geloof door overlevering van de Schriften, het ontvangende als een Goddelijke ontdekking, op het gezag van anderen, en een blote verstandelijke kennis van teksten en plaatsen, leerstellingen en verborgenheden, alles schiet oneindig te kort bij het gezegende geloof, hetwelk God aan Zijn uitverkorenen meedeelt.
Het geloof aan de heiligen overgeleverd staat geheel en alleen in de macht van God. Hij is de Beginner en Voleinder van het in de ziel, wij hebben geen Jota meer noch minder, dan het Hem behaagt mee te delen. Deze hemelse genade wordt door God de Heilige Geest in de ziel gestort uit de volheid des Zoons Gods. “Wij zijn het leem en Hij is Pottenbakker; en voor zover wij vaten van de barmhartigheid zijn, zijn wij het werk Zijner Hand.” Dit geloof dan, kan slechts gemend worden door een inwendige ondervindelijke bezitting, en alle beschrijving er van moet te kort schieten bij hetgeen het wezenlijk in zielsondervinding is. Dit geloof nu, wordt in de ziel ontvangen wanneer de Heilige Geest haar eerst wederbaart tot een geestelijk en eeuwig leven; en het werk en bediening van dit geloof is om deze waarheden, welke de Heilige Geest in het geweten doet wonen te omhelzen en te verwezenlijken. Want het is de “vaste grond der dingen die men hoopt.”
Die almachtige Onderwijzer werpt een Goddelijk licht op zekere ontlede waarheden, en brengt ze uit het woord in het hart, waar zij bevestigd en ingeprent worden door een almachtige kracht. En de bezigheid en bediening van het geloot is te werken op en ernstig om te gaan, met deze waarheden, welke de Heilige Geest aanbrengt en bekend maakt. Het geloof dus, moet niet voortzeilen op de letter van Gods woord, die ongemeen grote en onpeilbare oceaan van de waarheid. Het geloof blijft thuis, en doet zoals Maria deed, “overleggende al deze dingen in haar hart.” Al wat komt met licht, leven en kracht, al wat door het geweten is bevolen, al wat ondervindelijk in het hart gebracht wordt, het geloof gaat er mee om. Wat waarheid het ook is, welke met Goddelijke kracht in de ziel komt, is voedsel van het geloof, en waar geloof kan door niets anders gevoed worden.
Maar hier zijn dikwijls vele van Gods kinderen twijfelmoedig. Zij lezen in het woord wat geloof is, en wat het geloof uitwerkt: zoals bijvoorbeeld, dat het bergen verzet, door de liefde werkt, de wereld overwint, het hart reinigt, en vergezeld wordt van
liefde, blijdschap en vrede. Zulk een geloof kunnen velen van Gods kinderen niet in hun harten vinden. Nog eens, zij zien heerlijke waarheden in de letter van het Woord vermeld. Zij zien daar van Jezus gesproken als een groot en heerlijke Zaligmaker. De zekerheid van de kerk in haar verbondshoofd, de gewichtige waarheden van verkiezing en voorverordinering, de zekerheid van het zalig worden van de uitverkorenen, de gezegende onderwijzingen van de Heilige Geest in de harten van Gods volk; deze en andere Goddelijke waarheden zien velen van Gods wedergeboren kinderen duidelijk in de Schrift geschreven. Maar zij kunnen niet tot dezelve geen, om ze als zeker en eeuwig voor de hunnen verwezenlijkt te hebben. Zij geloven dat zij waar zijn; maar zij kunnen ze niet voor zichzelf geloven, om er zich in te verblijden als met kracht aan hun hart verzegeld. Nu hier worden zij in verlegenheid gebracht; en gevoelende, dat hun geloof hun lasten niet verlicht, de schuld niet verwijdert, het geweten met bevredigt, en de dood niet overwint, besluiten zo, omdat zij dit geloof hebben, dat zij geen geloof hebben.
Maar is dit het noodwendige en schriftuurlijke besluit? Indien het geloof zich slechts kan voeden en verwezenlijken in waarheden welke de Heilige Geest aanbrengt, zo zal het eerst beginnend geloof werkzaam zijn met hetgeen er in het begin aangebracht wordt. Nu, wat is een gezond begin? De vreze des Heeren, Want daarvan wordt gezegd dat het is, “het beginsel der wijsheid.” (Ps. 111: 10). Maar de vrees Gods kan niet bestaan zonder de kennis van God, want wij kunnen hem niet vrezen, die wij niet kennen. Daarom zegt de Heere Jezus: “Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus die Gij gezonden hebt.” Het geloof dan, in zijn vroege kindse toestand, werkt op en is verbonden met deze inwendige kennis van God, welke ontstaat door hetgeen de Heilige Geest van Hem op het geweten ontdekt heeft. Maar deze kennis van God omvat de kennis van hetgeen God is, van Zijn heiligheid, zuiverheid, macht, rechtvaardigheid, zijn haten van de zonde, en eeuwige toom en mishagen tegen de overtreders. En als wij slechts het licht zien in Gods licht, wanneer Hij onze verborgen zonden stelt in het licht van Zijn aanschijn, dan begint het geloof te werken op en werkt met deze eeuwige wezenlijkheden. Aldus wordt de ziel overtuigd van zonde, bekend gemaakt met de geestelijkheid van Gods wet, en voor Zijn rechtbank beschuldigd als een overtreder. Onder deze ontdekking werkt de zonde en het bederf, verzoekingen bezetten de ziel, twijfelingen en vrees verrijzen, en schulden verdoemenis worden krachtig gevoeld.
Maar waar is het geloof in al deze tijd? Wel uit het gezicht naar niet uit het hart; neen, ijverig aan het werk, en werkende op deze gewichtige wezenlijkheden, zoals de Heilige Geest ze aanbrengt. Maar hoe blijkt het geloof? door het gevoel. Ware er geen geloof, dan zou er geen gevoel zijn. Maar de tegenwoordigheid van het gevoel toont de aanwezigheid van het geloof. Daarom, zelf de schuld die de ziel gevoelt, de ernstige bezorgdheid welke zij betoont om de toekomende toorn te ontvlieden, het zuchten en kermen om genade, het worstelen naar licht en vrijheid, gelijk de zuigeling uit de gevangenis van de moederschoot, diezelfde twijfelingen en vrezen die haar voortgang verhinderen, en al de talrijke en verschillende beproevingen welke de wedergeborene ziel wachten, allen, allen openbaren het aanwezen van het geloof. Eeuwige wezenlijkheden worden er in geloofd, en door dit geloof ontstaan al deze inwendige oefeningen.
Nu, na enige tijd, zo zal er verandering komen. De Heilige Geest houdt Jezus in het Woord omhoog als een passende en heerlijke Zaligmaker, en brengt in het hart enige smaak van Zijn persoon, van Zijn werk en dierbaar bloed. Het geloof zoals voorheen, ziet, verwezenlijkt en voedt zich met dit hemels voedsel. Wat de Heilige Geest ontdekt, omhelst het geloof, het is er mee werkzaam, en werkt er op. De volmaakte liefde is nog niet komen uitdrijven, alle “vrees, welke pijn heeft” Maar een mate van vrede wordt in het geloven gevoeld, en het geloof heeft somwijlen iets meer van een vertroostende natuur om zich mee te voeden.
Het is gewoonlijk in deze tijd, dat wij blootgesteld zijn aan en verlegen gemaakt worden door de satan, valse belijders, en het bedrog van ons eigen hart. Aan de ene zijde van de weg des levens is wanhoop, en aan de andere zijde is vermetelheid, twee diepe grachten, in de een of in de andere van welke wij geneigd zijn te vallen. De ziel dan opgeblazen wordende door beschouwingen van Christus loopt dikwijls vurig voorwaarts, en aldus wordt zij voortgeduwd verder dan haar wezenlijke ondervinding. Stoute belijders die altijd op de rots zijn, predikers uitschreeuwende tegen twijfelingen vrees, en de bedrieglijkheid van het eigen hart drijft het onbedachtzame kind van God vooruit, in hoofd kennis buiten hart kennis. Men wordt niet graag door belijders beroken en belikt, met een wantrouwend oog beschouwd, en behandeld als een zuigeling, een zwakke bloed, een beginner en dat al iemands godsdienst in twijfel getrokken wordt door zodanigen welke geen twijfel hebben aan hun eigen. Het vlees wordt hierdoor gekweld, gedrukt, verstoord en gedood.
Zo enige grond hebbende om op te kunnen gaan, beweegt zich het ongeoefende, en mogelijk ongeballaste vat van de barmhartigheid, tenzij genoegzaam weerhouden wordende voort in de letter van Gods Woord, om te zeilen op die wijde en onbegrensde zee, zonder enige kaart, enig kompas of roer. Maar zo iemand gaat buiten Gods onderwijzing, waar zal hij niet gaan, tenzij de Heem hem terugbrengt? Welnu, de aankomeling gaat, tamelijk stout en tamelijk vast. Ontvangen licht en leven, met stralen van hoop en vertroosting geven hem enigen toegang tot de leer van de genade, in welke hij daarom stoutmoedig stapt. Twijfelingen en vrees beginnen zich te verwijderen, beproevingen en bestrijdingen verliezen hun scherpe kant, en een tijdelijke rust en vertroosting worden gevoeld. Als hij nu enige troost en gerustheid vindt maakt hem dit te stouter om met vertrouwen en zekerheid verder en verder te gaan, meer en meer voortgetrokken van de letter van de waarheid. Nu, indien de Heilige Geest hem niet bewaart, hij zou vooruitsnellen met al het drieste vertrouwen van een dode belijder.
Maar de Heere heeft hem nimmer verlaten, en zal hem nimmer verlaten; ook was hij niet wezenlijk op zijn gemak met al zijn vals vertrouwen. Een ware beproeving, een machtige verzoeking, een ziekbed, zo een als ik geloof dat tien jaren tevoren voor mij nuttig zou geweest zijn, de dood nabij, de hel in het gezicht, begint dit valse vertrouwen neer te werpen. De ziel verliest al haar ingebeelde schatten en gewaande bezittingen, en zinkt in armoede en tot de bedelstaf. De valse hoop begint te verdwijnen, de vermolmde steunsels worden neergestoten, en de schuilplaats van de leugen wordt ontdekt. Hoog vertrouwen vlucht weg, en de ziel stort neer in de donkerheid, en wel nabij de wanhoop. Maar waarom dit alles? Wat doet de Heere nu? Wel, Hij leert de ziel wat geloof is, door haar te leren wat het geloof niet is. Hij had stenen gemaakt en leem verzameld, om een Babel mee op te bouwen, om de toekomende toorn te ontvlieden; de ark met
Uzza aanrakende, in dezelve oneerbiedig inziende met de mannen van Beth-Shemes Het geloof komt nu terug tot zijn ware oude werk, thuis te wachten en de dingen te overleggen, welke het inwendig gevoelt. Onze godsdienst wordt nu gewogen, en veel, mogelijk alles van onze bevindingen wordt vals bevonden. Het grootste gedeelte er van was vleselijk, en meer of minder vermetelheid. De ziel wordt dan gedreven tot onderhandeling met God, in een hoek gedreven, waar geen ontkoming is. Voorheen, toen de ziel in een gemakkelijke, ruime, onverschillige weg was, toen was er weinig of geen werk met God. Daar waren wel gebedstijden, ogenblikken van berouw en verbrijzeling, maar geen nauwe omgang met een hartdoorzoekende Jehovah. Hiskia was een goed man, en had een aannemelijk paaslam geofferd, zo ook antwoord ontvangen op zijn gebed, en een treffende bevrijding ondervonden, toen hij eens “zijn aangezicht had omkeerde naar de wand, en bad tot de Heere, en weende gans zeer.” Maar nooit had hij nauwe omgang met God, totdat hij het oordeel des doods in zijn ziel had. Dit wierp al zijn godsdienst neer; ontnam hem de vleselijke hoop, en dreef hem in een hoek. Maar waar is het geloof nu? Wel, werkzaam met de volmaaktheden van God, Zijn majesteit, Zijn hartdoorzoekend oog en Zijn onveranderlijke voornemens; en kermende, zuchtende en klagende om blijken van genade.
Het is niet het vallen op de knieën, noch enkel gebeden te uiten, dat de nauwe gemeenschap met God uitmaakt. Nee daar zijn, geloof ik, enige van deze engten nodig totdat de ziel ontbloot en neergelegd wordt. Nu komt hij als een zondaar, gereed om verloren te gaan; als een arme balling, aan wie genade inwendig ontdekt moet worden. Gelijk de arme vrouw bezocht met de vloed des bloeds, trachtte de zoom van Jezus kleed aan te raken. In deze toestand leert de ziel wat geloof is. Hiskia werd gebracht om te gevoelen, dat men “bij deze dingen leeft, en in dit alles was het leven van zijn geest.” Onder deze scherpe beproevingen leren wij wat geloof is, en wat het geloof niet is; wat het geloof werkt en wat het geloof niet werkt. Het schuim en tin wordt weggedaan in deze oven, en in dezelve leert het geloof wezenlijke maat en staat, zijn ware werk en bezigheid. De ziel wordt in het vuur onderwezen, om te zoeken en te verzoeken om persoonlijke genadeblijken, zij wordt afgebracht van de blote letter van de Schrik, en verlangt naar de onderwijzingen van de Heilige Geest, als de Schriften met kracht toepassende. Wat zij nu daarvoor ontvangt, ze ontvangt het als een vrije gift, om welke zij moest zuchten, bedelen en klagen. Haar geloof kan slechts staan in de kracht van God, en is geheel en al hulpeloos zonder Hem. En als de Heere genadig hulp en kracht zendt, sterkte en gevoel, en trekt de genegenheden tot zich, dan weet de ziel wat geloof is, zowel bij zijn aanwezen als bij zijn gemis; zowel wat het kan doen, als wat het niet kan doen.
Aldus naar de gegeven maat wordt het hart gezuiverd, de liefde tot de wereld uitgeworpen, vleselijke godsdienst onttroond, en Christus gemaakt alles in allen. Daar is nu een oprechte bekendheid met de waarheid, en de arme, nooddruftige, naakte en hulpeloze ziel rust en vertrouwt op Christus alleen. Dit geloof, overeenkomstig zijn onderscheiden maat in een ieder, was eens aan de heiligen overgeleverd, niet alleen door de prediking van Christus en Zijn apostelen, maar overgeleverd in hun harten.
Voor dit geloof dan, moeten wij strijden, als een blijvende wezenlijkheid, een scheiding makende weg tussen verwaandheid en wanhoop. Een geloof, hetwelk geheel en alleen staat in de onderwijzing en leidingen en aanvoeringen van de heilige Trooster; en ontvangen slechts in zo’n maat, en op zulke tijden als Hij het uitstort in het hart.
Maar waarom er ernstig voor te strijden? Waarom geen vrede in de kerken, waarom niet bokken en schapen in één verblijf gesteld, en gepreekt en gesproken, zodat men een goede naam onder de belijders heeft? Waarom niet al wie belijdt “broeder” genoemd, en houden de dingen rustig en genoeglijk? Omdat wij min of meer de natuur van dit geloof in onze eigen zielen ondervonden hebben en gezien de verleiding en de gevaren van alle namaaksels, zo moeten wij er ernstig voor strijden. En wat dan? Wel, het gevolg is dikwijls verdeeldheid, beroeringen zwarigheden. Strijden moeten wij daarom, voor dit geloof, niet bitter, noch verstoord, maar ernstig en toegenegen; er voor stribbelen als een zaak van oneindig aanbelang, als de enige zaak waard om er voor te strijden; er voor strijden door lachen en zuur zien, hetzij men het wil horen of het nalaten.
Judas zegt niet: strijdt voor de kerkorde. Ofschoon een goede zaak op haar plaats; noch voor leerstellingen, hoewel waar en schatbaar; noch voor uw eigen naam, ofschoon persoonlijk dierbaar, maar “voor het geloof dat eenmaal de heiligen overgeleverd is.” Omdat het ons gemaakt heeft, elk naar onze mat, tot nieuwe schepselen, een uitwerksel in onze zielen voortbrengende, en aan het bezit daarvan hangt onze hoop voor de eeuwigheid; omdat het het grote keerpunt is tussen zondaar en heilige, tussen leven en dood. Al het volk van God wedergeboren tot een geestelijk leven hebben geloof, de zwakste zowel als de sterkste; de zuigeling van gisteren, zowel als de heilige van vijftig jaren ondervinding. Elet geloof verschilt in uitgebreidheid, niet in soort. De strijd daarom, voor het goddelijk geloof, is te omvatten al het wedergeboren geslacht, en te verwerpen alle dode belijders. Daarom, als wij er voor strijden, dan moeten wij zijn bestrijders niet voor een uur wijken. Wij moeten geen valste wapenstilstand maken, geen geveinsde schikkingen, geen vermolmde verbonden en geven geen kwartier aan enig geloof dat niet staat in de kracht van God de Heilige Geest. Wij moeten niemand toestaan een grein wezenlijke godsdienst te bezitten, die het niet bezit. Mijn geweten zou mij veroordelen als ik er niet ernstig voor streed, maar mijn geweten zou mij evenzeer veroordelen indien ik er verbitterd voor streed.
Ik geloof dat ik in deze geest tot u ben gekomen. Ik gevoel dat ik hier niet gekomen ben om enig mensen tegen te staan, of iemand met minachting te behandelen, te dienen tot iemands hoogmoed, om iemand te verheffen, of iemand te vernederen. Zover ik mijn eigen beweegredenen ken (en onze harten zijn zo bedrieglijk, dat het moeilijk is ze geheel te kennen), dan ben ik hier gekomen met een begeerte tot de eer van God. Een vlies zal komen over het oog, wanneer wij denken en menen, dat het het oprechtste is; maar ik heb gevoeld, dat er in deze stad voor bevindelijke waarheid, een deur geopend, een kerk gebouwd en een kansel opgericht zijnde, ik, getroost en nauwgezet van geweten er in kon gaan om “ernstig te strijden voor het geloof dat eenmaal de heiligen overgeleverd is.” God wil geen andere grond erkennen en zegenen, en geen andere prediking dan die, welke strijdt voor het geloof dat Hij zelf eens heeft overgeleverd. Ik wens er ernstig voor te strijden, eenvoudig, geheel en toegenegen; en mogen wij altoos ervoor strijden, nabij en van ver in onze woorden en daden, zowel als in ons leven, gedrag en onze omgang.
In deze gemengde vergadering zullen mensen vergaderd zijn uit verschillende beweegredenen. Sommigen om een nieuwe prediker te horen, sommigen om iets op te zamelen van de predikstoel, opdat zij iets mogen wegdragen om mij schuldig te maken voor een woord; sommigen om de nieuwe kerk te zien, en sommigen om te horen wat de Heere tot hun ziel spreekt. Tot hen wenste ik tenslotte mij te wenden. Indien u iets van dit geestelijk geloof hebt, zo zult gij overvloed van verzoekingen met het hebben. De Heere zegt: (Openb. 3: 18), “Ik raad u dat u van Mij koopt goud.” Maar welk goud? “beproefd in het vuur,” geen ander. Daarom, waar ook de Heere geloof geeft, zo geeft Hij ook verzoekingen om het te beproeven, “opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt.” (1 Pet. 1, 7). Aldus worden wij beproefd met ongeloof, ontrouwheid, twijfelingen, vragen en vrees; beproevingen aangaande de Voorzienigheid; beproevingen door de lichamelijke smarten; beproevingen door de vijandschap van de wereld, de tegenstand van vleselijke belijders, het bedrog van valse vrienden, maar het meest van alles door onze eigen vreselijk bedorven harten. En echter met al deze beproevingen, sommigen meer er sommigen minder, al degenen die iets hebben van dit hemels geloof, willen en moeten er ernstig voor strijden, als de enige zaak die de ziel onder beproevingen staande houdt en als gevoelende dat dit geloof alleen “zal bevonden worden tot prijs, en eer, en roem bij de verschijning van Jezus Christus. Gij daarom, in wiens hart God dit geloof gewerkt heeft, zult een kruis te dragen hebben. U die het niet hebt, en slechts strijdt voor leerstellingen, een naam om te leven, voor kerkgebruiken, vormen, en plechtigheden, van menselijke uitvindingen, en een uitwendige godsdienst, zult geprezen worden door de wereld, en ontmoet, noch uitwendige noch inwendige tegenstand. Maar mogen wij, die wensen God te vrezen, gewillig zijn, deze dingen te verduren, “ontvangende het einde van ons geloof, de zaligheid onzer zielen.”
Amen.
A Sermon Preached at the Opening of Trinity Chapel, Alfred Street, Leicester, on the Morning of December 25, 1840
“That ye should earnestly contend for the faith which was once delivered unto the saints.” — Jude 1:3
We often read in books the praises of primitive Christianity, and there seems to be a general persuasion in the minds of men that primitive Christianity was, with scarcely any exception, of a superlatively excellent nature; and many speak and write as if the churches mentioned in the New Testament consisted entirely of such eminent saints as have never since appeared, and will never appear again. Now whence are we to derive our evidence of the nature of primitive Christianity? Our only certain and infallible authority must be the word of God; by which I mean, in this instance, the Epistles of the New Testament. But what do we gather from these epistles but the startling fact that though persecution in its most dreadful forms stared them in the face, there were some of the vilest characters possible in the churches formed immediately by the apostles! The saints among them were saints indeed; “great grace was upon them;” and their “work of faith, patience of hope, and labour of love” abounded exceedingly. This fact admits of no denial; but this acknowledged truth seems to have thrown another no less certain fact into the back ground, namely, that there were very rank tares among this wheat, “ungodly men who were before of old ordained to this condemnation;” and that these vile characters, described at large in the second Epistle of Peter, and in this Epistle of Jude, were members of these primitive churches. And thus the New Testament churches seem to have closely resembled Jeremiah’s baskets of figs: “One basket had very good figs, even like the figs that are first ripe; and the other basket had very naughty figs, which could not be eaten, they were so bad.” Jer 24:2
Now it appears that the discerning eye of Jude saw these evils in the churches; and that they were not confined to one or two churches, but were spread through them all. Under heavenly inspiration, therefore, he wrote this “General Epistle,” so called because not addressed to a particular church, as at Corinth, Rome, Ephesus, or Thessalonica; but directed and sent abroad to the whole body of Christians, all the visible churches then existing. His mind seems to have been impressed with two prominent feelings. First, “to write to them of the common salvation;” that is, to set before them the glorious truths of salvation, common to the whole body of the elect; and secondly, to “exhort them that they should earnestly contend for the faith which was once delivered unto the saints.” But why was he so pressed in spirit to exhort them thus earnestly to contend? Because his discerning eye saw a dark cloud coming over the churches. The faith once delivered unto the saints was in danger; not in any eternal danger as to the faith of the elect failing, or of God’s ceasing to have a church on the earth; but in temporary danger; and that not from without, but from within; not from open persecutors, but from false brethren.
Time will not allow me to enter fully into this Epistle, nor trace out these blots in the primitive Church, these “spots in their feasts of charity.” And yet it may be as well to endeavour to throw a little light on these characters, as briefly as possible, since the same awful characters infest, more or less, most, if not all, of the Calvinistic churches now; and some light may also be thus shed upon the text itself.
It is necessary, then, to observe that these characters were not casual hearers, outer court worshippers, merely members of the congregation, but that they were members of the church. They were clearly in church fellowship, for they sat down to the ordinance. “These are spots in your feasts of charity, when they feast with you, feeding themselves without fear.” These feasts of charity! or love were not indeed the same thing as the Lord’s supper, but they always followed the ordinance, and none sat down at the one, who did not sit down at the other. They were therefore in church communion with the rest. They are said also to have “crept in unawares;” that is, into the church, but in an under-hand, crafty, and deceitful manner. But, as Jude has drawn their characters, we will, with God’s blessing, enter a little into the description that he has given.
They are said, then, “to speak evil of those things which they know not, but what they know naturally, as brute beasts, in those things they corrupt themselves.” Jude 1:10 There were things then which they knew not, and there were things which they knew. They spoke against the one, and they corrupted themselves in the other. What were the things which they knew not? The work of the Holy Ghost on the heart, the manifestations of God’s presence, the shedding abroad of his love in the soul, the application of the blood of sprinkling, as well as the trials, difficulties, temptations, exercises, doubts, fears, and bufferings, that are the lot of the people of God. These were the things that “they knew not;” they had no personal, inward, divine, experimental acquaintance with them; they therefore “spoke evil of them,” and called them madness, nervousness, enthusiasm, excitement, delusion, gloom, melancholy, or any plausible or evil name which they could devise, whereby they could cast a slur upon the teachings of God in the soul. But what were the things which “they knew naturally?” The doctrinal truths which they had received in their judgment, the glorious truths of salvation which they had learnt naturally, and therefore only knew naturally. For we must bear in mind that Arminianism had not then been introduced into the churches, but the pure truth was still preached by the apostles. But “in these things they corrupted themselves,” that is, they held truth in unrighteousness, sinned that grace might abound, and “turned the grace of God into lasciviousness,” that is, abused the doctrine of grace as encouraging licentiousness. And why? because they never knew the doctrines of grace in soul feeling and personal experience; but held them in a hard heart, a reprobate mind, and a seared conscience.
But they carried about with them certain marks, which Jude’s discerning eye saw, and his clear hand traced out.
1. They had “gone in the way of Cain.” What was Cain’s sin, here called Cain’s “way?” Enmity against his brother. And why? Because the Lord had accepted Abel’s offering, and rejected his. Thus in the heart of dead professors there is a deep-rooted enmity, inward murder, against the real people of God; and the root of this enmity is, because God accepts the one, and rejects the other.
2. They had “run greedily after the error of Balaam for reward.” What was Balaam’s error? Light without life, gifts without grace, slavish fear without spiritual fear, a willingness to curse, and a compulsion to bless; a seeing but not now, a beholding but not nigh, a desiring the death of the righteous, and a being slaughtered with the Midianites.
3. “And perished in the gain-saying of Core;” that is, Korah, Dathan, and Abiram. Nu 16 And what was this gainsaying? “an envying of Moses in the camp, and of Aaron the saint of the Lord.” Ps 106:16. Thus these characters whom Jude condemns thrust themselves forward to partake of the privileges and blessings peculiar to the people of God, aspired to the ministry, formed a party in the church, and allowed no separation of the precious and the vile; but, declared that “all the congregation was holy, every one of them, and that the Lord was among them;” and that therefore to be a member of the church was necessarily to be a child of God.
But they were towering professors, with all this enmity and ungodliness in their heart; and Jude has used several figures, which point to great appearances, but all destitute of reality.
4. “Clouds they are without water, carried about with winds.” What is a cloud? A harbinger of rain, a receptacle of fertilizing moisture, suspended in the air, ready to drop down fatness upon the earth. Sometimes we see the earth parched up and dry, chapped and brown. We look into the sky, like Elijah’s servant, if we can see clouds arising to dissolve in fertilizing showers. O! there we see one in the horizon, pregnant with rain. It comes over our heads. But alas! it is “a cloud without water,” an appearance without a reality, covering the sun, but wanting the only thing that makes the cloud desirable or valuable. No dew, no rain, no moisture. Such are these dry towering professors. Lofty in their pretensions, but all their conversation devoid of dew or savour, soaring in the air, hiding the sun, darkening the sky, but dropping no rain, producing no fertility. But instead of quietly dropping down blessings, carried about with winds of error, gusts of passion, and the storms of their own lusts.
5. “Trees whose fruit withereth.” The elect are trees, as the Spirit says, “trees of righteousness, the planting of the Lord, that he may be glorified.” These too are trees, but “trees without fruit,” internal or external, “having not the Spirit,” Jude 1:19 and therefore devoid of his gracious fruits. But fruit they have such as it is, “whose fruit withereth;” that is, even their natural fruit of zeal, consistency, liberality, and simplicity withered up, the juice gone, and the dried skin only remaining. “Twice dead,” dead in sins, and dead in a profession; “plucked up by the roots,” so that a discerning child of God sees that the root of their religion is in the flesh, and they themselves stand plucked up, and cast over the vineyard, in God’s own time, before his eyes.
6. “Raging waves of the sea.” The sea bears on its ample bosom the produce of all countries, and its waves bring the loaded ships into harbour. But these only rage and foam against God’s tried people, and threaten to bury them, rather than bear them, though in swelling high against the teachings of the Spirit in the hearts of the elect, they only foam out to discerning eyes their own shame.
7. “Wandering stars.” Not fixed stars to guide the mariner, not the polar star for him to direct his course by, but stars that wander over the sky, and therefore only deceive instead of instruct, betray him upon the shoals, instead of leading him into the desired haven.
8. But these persons have no doubt of their state, for “their mouth speaketh great swelling words” in self-commendation. They are not plagued as other men. Therefore “they feast and feed themselves without fear.” They feed on the letter of truth, on the doctrines of grace in their brain, on the deepest mysteries of vital godliness held in a seared conscience. Therefore they “feed without fear.” No godly fear, no trembling awe, no solemn reverence, no holy anxiety, no desire to be right, no dread to be wrong, no doubt if it be presumption to draw nigh, no groanings under inward hypocrisy and presumption, no midnight cries to a heart-searching God to see the ground of their heart, no fervent wrestlings to be upright and sincere before him, no guilt nor self-condemnation nor self-loathing at coming unworthily. O fatal mark! O black stamp, to be devoid of that which is “the beginning of wisdom,” and which “God puts into the hearts of his people, that they should not depart from him!”
Now we have no reason to believe that these characters were living in what is termed open sin and profaneness. Had it been so, they would have been turned out of the church; but it is evident that when Jude wrote, they were still in church membership. Their sins therefore were carried on in secret. But Jude’s discerning eye, enlightened by the blessed Spirit, saw through all their hypocrisy, and penetrated into their real character, through all their “changeable suits of apparel, veils, wimples, and mantles.” He saw then that the faith was in jeopardy, and observing this dark cloud lowering over the churches, wrote this epistle to exhort those that were “sanctified by God the Father, preserved in Christ Jesus, and called,” to “contend earnestly for the faith once delivered unto the saints.” And are times less perilous now? Do not the churches amongst whom the bulk of God’s people are swarm with the very same characters that Jude here points out? The saints of God, then, are similarly called upon now to “contend earnestly for the faith once delivered unto the saints.”
Thus much for introduction, long indeed but perhaps not unnecessary, considering the light it may throw on the text.
And now we come to our text; and the first word which seems to demand our notice, is the expression, “faith;” for on that word as on a pivot the whole text seems to turn.
I think we may understand two things by the expression, “the faith once delivered to the saints,” first, the doctrines preached by the apostles, and secondly, that inward faith whereby these doctrines are believed in by the heart unto righteousness, and confession made of them by the mouth unto salvation. The doctrines of grace were delivered to the saints by the Lord and his apostles: they were entrusted to the saints as to a living repository, and by them they were to be handed down to those who followed them in the kingdom and patience of Jesus Christ. This seems to be the prominent and primary meaning of the text. But on that I shall not this morning dwell, but shall confine myself to what I consider its secondary and no less important meaning -the faith that dwells in the heart of the manifested people of God.
Now in examining the faith thus spoken of, it may be as well to see what it is not, before we look at what it is. The faith, then, which is delivered into the heart of the saints from the mouth of the Lord is not, in the least respect or degree, the fruit or production of the creature. “That your faith should not stand in the wisdom of men, but in the power of God.” 1Co 2:5 It is a faith not to be learnt of man, nor to be procured by the exertions and strivings of the flesh. It cannot be got from the scriptures by hard study; nay, all the exertion of the creature cannot bring into the heart one grain or atom of it. Natural faith, believing traditionally in the scriptures, receiving them as a divine revelation upon the authority of others, and a bare intellectual knowledge of texts and passages, doctrines and mysteries, all fall infinitely short of the saving faith which God communicates to his elect.
The faith delivered unto the saints stands wholly and solely in the power of God. He is the author and finisher of it in the soul; nor have we one jot more, nor one jot less than he is pleased to communicate. This heavenly grace is breathed into the soul by God the Holy Ghost out of the fullness of the Son of God. “We are the clay, and He is the potter;” and so far as we are vessels of mercy, “we are the work of his hand.” This faith, then, can only be known by an inward experimental possession of it, and all description of it must fall short of what it really is in soul feeling. Now this faith is breathed into the soul when the Holy Ghost first quickens it into spiritual and eternal life; and the work and province of this faith is to lay hold of, embrace, and realize those truths which the Holy Spirit lodges in the conscience. For it is “the substance of things hoped for.” That Almighty teacher casts a divine light upon certain revealed truths, and brings them out of the word into the heart, where they are fastened and riveted by an almighty power. And faith’s business and employment is to act upon, and solemnly deal with these truths, which the Holy Spirit thus brings in and makes known. Faith, therefore, does not sail forth upon the letter of God’s word, that vast and fathomless ocean of truth. Faith stays at home, and does as Mary did, “ponder these things in her heart.” All that comes with light, life, and power, all that is commended to the conscience, all that is experimentally brought into the heart, faith deals with. Whatever truth comes with power from God into the soul is faith’s food, and true faith can feed on nothing else. But here many of God’s children are often staggered. They read in the word what faith is, and what faith does: as for instance, that it removes mountains, works by love, overcomes the world, purifies the heart, and is accompanied with love, joy, and peace. Such a faith as this many of God’s people cannot find in their heart. Again, they see glorious truths set forth in the letter of the word. They see Jesus there spoken of as a great and glorous Saviour. The security of the church in her covenant Head, the solemn truths of election and predestination, the certainty of salvation to the elect, the blessed teachings of the Spirit in the hearts of God’s people, these and other divine truths, many of the quickened family of God see clearly written in the scriptures. But they cannot get at them, so as to realize them as certainly and eternally theirs. They believe that they are true; but they cannot believe them for themselves, so as to rejoice in them as sealed with power in their own hearts. Now here they are baffled; and feeling that their faith does not relieve them from burdens, remove guilt, pacify conscience, and conquer death, they conclude because they have not this faith, that they have no faith.
But is this the necessary, or scriptural conclusion? If faith can only realize, and feed upon the truths which the Holy Ghost brings in, faith in its beginning will deal with what is brought in at the beginning. Now what is a sound beginning? “The fear of the Lord,” for that is declared to be “the beginning of wisdom.” Ps 111:10 But the fear of God cannot exist without the knowledge of God, for we cannot fear him whom we do not know. Therefore the Lord Jesus said, “This is life eternal, that they might know thee the only true God, and Jesus Christ whom thou hast sent.” Faith then, in its early infantile state, acts upon, and is engaged with this inward knowledge of God, which springs from what the Holy Ghost has revealed of him to the conscience. But this knowledge of God embraces the knowledge of what God is, of his holiness, purity, power, justice, hatred of sin, and eternal wrath and displeasure towards transgressors. And as we see light only in God’s light, when He sets our secret sins in the light of His countenance, faith begins to act upon, and deal with these eternal realities. Thus the soul is convinced of sin, made acquainted with the spirituality of God’s law, and arraigned at his bar as a transgressor. Under this discovery, sin and corruption work, temptations beset the soul, doubts and fears arise, and guilt and condemnation are powerfully felt. Well, but where is faith all this time? Out of sight indeed, but not out of the heart; nay, busy at work, and dealing with these solemn realities, as the Holy Spirit keeps bringing them in. But how is faith evidenced? By feeling. Were there no faith, there would be no feeling. But the presence of feeling shows the presence of faith. Thus the very guilt that the soul feels, the earnest anxiety which it manifests in fleeing from the wrath to come, its groans and sighs for mercy, its struggling forward into light and liberty, as the babe from the prison of the womb, the very doubts and fears that retard its progress, and all the numerous and varied exercises that attend the quickened soul, all, all manifest the presence of faith. Eternal realities are believed in, and from this belief all these inward exercises spring.
Now after a time, there shall be a change. The Holy Spirit holds up Jesus in the word as a suitable and precious Saviour, and brings into the heart some savour of his Person, work, and precious blood. Faith, as before, sees, realises, and feeds upon this heavenly food. What the Spirit reveals, faith embraces, deals with, and acts upon. Perfect love indeed has not yet come to cast out all “fear which hath torment.” But a measure of peace is felt in believing, and faith has at times something more of a comforting nature to feed upon.
It is usually at this season that we are exposed to, and are often entangled by Satan, false professors, and the deceit of our own heart. On one side of the path of life is despair, and on the other side is presumption, two deep ditches, into one or the other of which we are very liable to fall. The soul, then, being somewhat lifted up with views of Christ, often runs eagerly forward, and thus is thrust beyond its real experience. Confident professors always on the rock, preachers crying out against doubts and fears, and the heart’s own deceitfullness, all push the unwary child of God forward into head knowledge beyond heart knowledge. One does not like to be snuffed at and snubbed by professors, looked down upon with suspicion, and treated as a babe, a weakling, a beginner, and all one’s religion perhaps called in question by those who have no doubt of their own. The flesh is pained thereby, galled, fretted, and mortified. So having some little ground to go upon, the inexperienced and perhaps unballasted vessel of mercy, unless well held in, starts forth into the letter of God’s word, to sail on that wide and boundless ocean, without either chart, compass, or rudder. But let a man once go beyond God’s teaching, and where will he not get to, unless the Lord bring him back? Well, on the stripling goes, pretty boldly and pretty firmly. Light and life received, with rays of hope and consolation, give him some entrance into the doctrines of grace, into which therefore he boldly steps. Doubts and fears begin to remove, trials and temptations lose their sharp edge, and a temporary ease and consolation are felt. This emboldens him yet more to go farther and farther still with confidence and assurance, as he now finds some comfort and security more and more drawn from the letter of truth. Now, if the Holy Ghost did not keep him, he would rush forward into all the hardened confidence of a dead professor. But the Lord never has left, and never will leave him; nor was he really easy with all his false confidence. Some heavy trial, some powerful temptation, a bed of sickness, such as I believe was made useful in this way to me ten years ago, death near, and hell in sight, begin to pull down this vain confidence. The soul loses all its fancied treasures and supposed acquirements, and sinks into poverty and beggary. False hopes begin to vanish, rotten props to be knocked away, and refuges of lies to be discovered. Towering confidence flies away, and the soul falls down into darkness, and well nigh into despair. But why all this? What is the Lord doing now? Why, teaching the soul what faith is, by teaching him what faith is not. He had been making bricks, and collecting slime to build up a Babel with, to escape the wrath to come; touching the ark with Uzzah, looking into it presumptuously with the men of Bethshemesh. Now faith comes back to her true old work, to stay at home, and ponder the things inwardly felt. Our religion is now weighed up, and much, perhaps all, to our feelings, found false. The greater part of it stood in the flesh in more or less of presumption. Now then the soul is driven to close dealings with God, forced up into a corner, whence there is no escape. Before, whilst the soul was in an easy, smooth, lukewarm path, there were few or no close dealings with God. There were indeed seasons of prayer, moments of compunction and contrition, but no close, solemn, personal dealings with a heart-searching Jehovah. Hezekiah was a good man, and had offered an acceptable passover, as well as received answers to prayer and a striking deliverance before ever “he turned his face to the wall, and prayed unto the Lord, and wept sore.” But he never had close dealings with God, until he had sentence of death in his soul. This pulled down all his religion, stripped away his fleshly hopes, and drove him up into a corner. But where is faith now? Why, busy with the perfections of God, his majesty, heart-searching eye, and unalterable purposes, and suing, sighing, and groaning after manifestations of mercy. It is not falling on one’s knees, nor uttering prayers merely, that is close dealing with God; nor do I believe there are any of these close quarters until the soul is stripped and laid low. Now it comes as a sinner ready to perish, as a poor outcast, who must have mercy inwardly revealed. Like the poor woman diseased with the issue of blood, it longs to touch the hem of Jesus garment. In this conflict the soul learns what faith is. Hezekiah was brought to feel that “by these things men live, and in all these things was the life of his spirit.”
Under these sharp exercises we learn what faith is, and what faith is not; what faith does, and what faith does not. The dross and tin are purged away in this furnace, and in it faith learns its real measure and stature, its true work and business. The soul is taught in the fires to seek and sue after personal manifestations of mercy, is brought off the bare letter of the word, and breathes after the teachings of the blessed Spirit as applying the scriptures with power. What it now therefore receives, it receives as a free gift, for which it must sigh, beg, and groan. Its faith can only stand now in the power of God, and is utterly helpless without him. And when the Lord in mercy sends help and strength, power and feeling, and draws up the affections to himself, the soul knows what faith is, by its presence as well as by its absence; by what it can do, as well as by what it cannot do. Thus according to the measure given, the heart is purified, the love of the world cast out, fleshly religion dethroned, and Christ made all in all. There is now a solid acquaintance with the truth, and the poor, needy, naked, and helpless soul rests and hangs upon Christ alone. This faith, according to its different measure in each, was once delivered unto the saints, delivered, not merely in the preaching of Christ and his apostles, but delivered into their hearts. For this faith then we are earnestly to contend, as an abiding reality, a separating path between presumption and despair. A faith which stands wholly and solely in the teachings, guidings, and leadings of the Holy Comforter, and received only in such measure, and at such seasons as He delivers it into the heart. But why earnestly contend for it? Why not have peace in churches, smuggle matters up, put goats and sheep into one pen, and so preach and talk as to have a good name among professors? Why not call all that profess, “brethren,” and keep things quiet and comfortable? Because having more or less proved the nature of this faith in our own souls, and seen the deceits and dangers of all counterfeits, we must earnestly contend for it. And what then? Why, we must have divisions, troubles, and difficulties. Contend we must therefore for this faith, not bitterly nor angrily, but earnestly and affectionately; contend for it as a thing of infinite importance, as the only thing really worth contending for; contend for it through smiles and frowns, whether men will hear or forbear.
Jude does not say, Contend for church order, though a good thing in its place; nor for doctrines, though true and valuable; nor for your own reputation, though personally dear; but, “for the faith once delivered unto the saints.” Because it has made us, each according to our measure, new creatures, wrought an effect on our souls, and upon the possession of it hang our hopes of eternity; because it is the grand turning point between sinner and saint, between life and death. All the people of God quickened into spiritual life have faith, the weakest as well as the strongest; the babe of yesterday as well as the saint of a fifty years profession. Their faith differs in measure, not in kind. To contend therefore for divine faith, is to embrace all the living family, and reject all dead professors. If therefore we contend for it, we must give place to its opposers, no, not for an hour. We must make no hollow truces, no false treaties, no rotten alliances and give no quarter to any faith that stands not in the power of God the Holy Ghost. We must allow none to have a grain of real religion, who possess it not. My conscience would condemn me if I did not contend for it earnestly, but my conscience would equally condemn me if I were to contend for it bitterly. I trust in this spirit I have come to Leicester. I feel that I have not come here to oppose any man, or disparage any man, to minister to any man’s pride, to set any man up, or pull any man down. So far as I know my own motives, and our hearts are so deceitful that it is hard always to know them I have come here with a desire after God’s glory. Films will come over the eye, when we think and wish it to be most single; but I have felt, that there being a door opened in this town for experimental truth, a chapel built, and a pulpit set up, I could comfortably and conscientiously enter it to “contend earnestly for the faith once delivered unto the saints.” God will own and bless no other cause and no other preaching but that which contends for the faith that He himself once delivered. I desire to contend for it earnestly, simply, fully and affectionately; and may we ever contend for it at home and abroad, in our words and actions, as well as in our life, conduct, and conversation.
In this mixed multitude there must be persons assembled from various motives. Some to hear a new preacher, some to pick up something from the pulpit which they may carry away to make me an offender for a word, some to see the new chapel, and some, I trust, to hear what the Lord may speak to their soul. To the last I would by way of conclusion address myself.
If you have any measure of this spiritual faith, you will have plenty of trials with it. The Lord says- Re 3:18, “I counsel thee to buy of me gold;” but what gold? “tried in the fire,” no other. Wherever, therefore, the Lord gives faith, he gives trials to prove it. “That the trial of your faith being much more precious than of gold that perisheth, though it be tried with fire” 1Pe 1:7 Thus we are tried with unbelief, infidelity, doubts, questionings, and fears tried in providence; tried by bodily afflictions; tried by the enmity of the world, the opposition of carnal professors, the deceit of false friends, but most of all by our own dreadfully vile and wicked hearts. And yet, with all these trials some more and some less, all who have any measure of this heavenly faith will and must earnestly contend for it, as the only thing that supports the soul under trials, and as feeling that this faith only “will be found unto praise and honour and glory at the appearing of Jesus Christ.” You therefore, into whose heart God has breathed this faith, will have a cross to carry. You that have it not, and contend only for doctrines, a name to live, rites, forms, and ceremonies of man’s invention, and an outside religion, will be loved by the world, and meet with neither outward nor inward opposition. But may we who desire to fear God, be willing to endure these things, “receiving the end of our faith, even the salvation of our souls.”