19 Januari
Want die naar het vlees zijn, bedenken dat des vleses is; maar die naar de Geest zijn, bedenken dat des Geestes is. Romeinen 8:5
Alleen zij, die deel hebben aan een hemelse geboorte, voelen dat een hemels bestaan hun waar element is, heilige zaken hun zoetste overpeinzingen zijn, en de plechtige aanbidding van God hun hoogste genot is. Beschouw dit kenteken als de toetssteen van Goddelijk leven; want om een geestelijk gezind mens te zijn, moet hij geestelijk zijn, en om geestelijk te zijn, moet hij de Geest ontvangen hebben en deelgenoot gemaakt zijn van het Koninkrijk Gods, “hetwelk is rechtvaardigheid en vrede en blijdschap door de Heilige Geest” (Rom. 14:17). Hebt u het nooit gevoeld, als u de Schrift las, hoe een stille vrede neerdaalde in uw ziel, wanneer de ene heerlijke belofte kwam na de andere, als de sterren aan de nachtelijke hemel, de ene al helderder en schitterender dan de andere, en u een zalige drang voelde van belangstelling in die Schrift? Wanneer u geknield lag voor de troon der genade, begunstigd met vrijmoedigheid om toe te gaan tot uw hemelse Vriend, hebt u het dan nooit gevoeld, hoe de vrede Gods druppelde in uw ziel, en evenals de olie op de golven, elke opkomende opstand daar binnen bedaarde? Hebt u het nooit ondervonden, wanneer u met de heilige God in gesprek was, hoe dan hart in hart en ziel in ziel samensmolt, en gevoeld, dat het een gezegende geur in uw ziel achterliet? Hebt u nooit in het huis van het gebed uw hart en uw liefde voelen trekken tot de dingen, die Godes zijn; en als u daar zat en u Christus hoorde voorstellen in Zijn Persoon en werk, in Zijn genade en heerlijkheid, het geloof voelen versterken, de hoop haar anker uitwerpen en de liefde ontbranden, zodat u zaligheid in uw ziel, een hemelse kalmte en een heilige vrede ondervondt, die elke snaar van uw ziel deed trillen en haar besproeide, als de rivier, die door Eden liep en de hof besproeide?
Hoe zoet zijn mij Uw redenen geweest,
geen honig kon ’t gehemelt’ beter smaken.
Ps. 119:52
19 Januari - Door Baca's Vallei
Want de Heere is een Zon en Schild. Psalm 84:11
De zon is gemaakt om te schijnen. Het is haar werk dit te doen. Evenzo is het met de Zon der gerechtigheid. Zij is voortgebracht om te schijnen. En verliest de zon der natuur iets van haar licht door te schijnen? Wel, hoe meer zij schijnt, hoe meer licht zij schijnt te hebben. Eeuwenlang heeft zij even helder geschenen als nu. Haar stralen waren even heerlijk vóór wij geboren waren, en zij zullen dit zijn als de ogen, die haar nu zien, in het stof der aarde zullen verdonkerd zijn. Duizenden oogsten heeft zij rijp doen worden, miljoenen en duizenden miljoenen heeft zij gevoed, maar zij vertoont geen bewijs van uitputting of vermindering. En verliest Jezus iets door de mededeling van Zijn licht, leven, liefde en genade? Hij wordt er te meer door verheerlijkt; en hoe meer gij op Hem ziet als de Zon, en Hij mag schijnen en lichten in uw ziel, hoe meer gij Hem verheerlijken zult als de Zon der gerechtigheid. Wanneer wij ’s morgens de luiken openen, of de gordijnen ophalen, doen wij dit om de zon in onze donkere kamer te laten schijnen. Maar wanneer wij door Goddelijke genade verwaardigd worden de luiken van vrees en twijfel, en de gordijnen van het ongeloof, die over onze ziel hangen, weg te doen, des te meer verheerlijken wij de Heere Jezus door uit Zijn volheid te ontvangen genade voor genade. Ach, het is goed somtijds in staat gesteld te worden om over onze twijfelingen, vrezen, mistrouwen en vele andere dingen, die onze geest beproeven, heen te zien. Gij moogt staren op uw zonden en ellende, totdat ge bijna in wanhoop wegzinkt; gij moogt terugzien op uw afmakingen, onvastheid en onvruchtbaarheid, totdat gij gereed zijt weg te zinken en zonder hoop te sterven. Dit te doen is te vergelijken bij iemand, die wandelt in een donkere kamer en struikelt over de meubelen, totdat hij ten laatste neerzit en zegt: „Er is geen licht”. Als hij maar de luiken kan opendoen, dan zal de zon in de kamer schijnen. Zo kunnen wij somtijds zitten te peinzen over onze veelvuldige onbestendigheid, totdat wij zeggen: „Er is geen licht in mijn ziel; het is er nooit geweest en het zal er ook nooit zijn”. O, in staat gesteld te worden (als ik zo spreek, dan weet ik het uit zielservaring, dat alleen God dit in ons en voor ons doen moet) de luiken weg te schuiven en af te zien van wat onze ziel terneder drukt! Hef uw ogen op, o moedeloze ziel, en zie de gezegende Zon nog schijnen aan het firmament des hemels! Wel, haar kracht om dit te doen en het doen zelf gaat vergezeld van een kostelijke zegen. Hoe goed ook is het in staat gesteld te worden om gebruik te maken van Christus als een Schild! O, hoe dikwijls gaan wij de strijd in zonder dit Schild op onze arm. Maar neem dit voor waarheid aan, dat de Heere u niet voorziet van zulk een schild, tenzij Hij ziet, dat de vijanden u te machtig worden. Twijfel, vrees, donkerheid, wanhoop, de wet, de beschuldigingen van een schuldige consciëntie, de vurige pijlen van de duivel — hoe kunt gij tegen deze vijanden vechten zonder schild? Immers zou gij als soldaat onbeschermd en onbewapend uw vijand tegemoet gaan, zodat u geen pistool of bajonet in uw hand had om u te verdedigen? Zich alzo tot de strijd te begeven tegen de wet, tegen de beschuldigingen van een veroordelende consciëntie en een wanhopig hart, en dan te missen die dierbare Jezus als een schild tegenover deze dodelijke vijanden, dit zou genoeg zijn om een mens in zwarte wanhoop te doen wegzinken. Maar als men verwaardigd mag worden gebruik te maken van het Schild, dat God bezorgd heeft, en Christus op te mogen heffen tegen een veroordelende wet, een beschuldigende consciëntie, een betwistende duivel en een wanhopende geest, en tot die allen te zeggen: „Christus is gestorven en dat voor mij”, dan vangt men deze pijlen, die anders het hart treffen zouden, op in het Schild. Dan vallen zij alle neder zonder schade aan te richten, omdat zij alle vallen op de Heere Jezus.
19 Januari - Waarheid
En [gij] zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken. Johannes 8:32
Telkens weer ontdekken we dat God alles weet voor het gebeurt. Hij heeft steeds opnieuw de gedachten van de mens voorspeld, zoals de profeet voorzegde wat zich zo diep in het hart van Hazaël bevond. Hij leest ons hart. Alles is naakt en open voor de ogen van Degene metWie wij van doen hebben. Hij is tevens almachtig; Zijn naam is Almachtig. Niet alleen wordt alles door Hem gemaakt en bewaard, maar Hij werkt ook alle dingen (Ef. 1:11). En we merken dat Hij machtig is te doden en te genezen. We staan voor Hem als sprinkhanen, als het stof op de weegschaal, als een druppel in een emmer. We ervaren dat Hij God Almachtig is. Maar naarmate het de Heere belieft ons steeds meer van Zijn gezegende waarheid te onthullen, beginnen we een ander aspect van Hem te zien – we gaan inzien dat Hij niet alleen rechtvaardig, heilig, almachtig en alwetend is, maar ook dat Hij de God en Vader van Jezus Christus is, niet slechts de God van oneindige rechtvaardigheid en heiligheid, maar ook van barmhartigheid, mededogen, goedheid en liefde. Als het Hem behaagt iets van Zijn goedheid en barmhartigheid in ons hart te laten komen en ons Zijn goedgunstigheid aan ons kenbaar te maken, bezien we Hem niet slechts als een heilige en rechtvaardige God, maar tevens als een genadige en barmhartige God. We zien dat het plan van de verlossing zijn oorsprong in Zijn liefde vindt, we zien dat Hij Zijn Zoon in de gelijkenis van zondig vlees zendt om voor ons te sterven, en we beginnen in Hem te geloven, te hopen op Zijn barmhartigheid, en Zijn naam vurig lief te hebben met een zuiver hart, want we zien in dat Hij ons uit de muil van de leeuw kan redden. We zijn wellicht in het natuurlijke beproefd en God is daarin aan ons verschenen; zo zien we dat Hij niet alleen een God van genade maar ook van de natuur is. Of als Hij ons steeds weer heeft hersteld, zien we dat Hij een God is die afkeringen geneest, en dat Zijn liefde eeuwigdurend is, en als de Geest ons hoop en liefde geeft, begrijpen we niet alleen wat God in de Heilige Schrift is, maar komen we tot een geestelijk inzicht van de enige ware God.
Lezen: Handelingen 15:1-18


