12 Juni
En jaagt naar gerechtigheid. 1 Timotheus 6:11
Wij kunnen twee zaken door deze woorden verstaan. Ten eerste: de ontdekking aan het geweten van Christus’ toerekenende gerechtigheid, in de weg der rechtvaardigmaking, en ten tweede: de mededeling aan de ziel van een Goddelijke of rechtvaardige natuur, waardoor zij de vruchten voortbrengt van oprechtheid en zuiverheid voor God. Beide moeten nagejaagd worden. Maar men kan vragen: „Waarom het eerste, indien een man kennis heeft aan zijn rechtvaardigmaking en een gevoel van door God aangenomen te zijn?” Maar kan het bewustzijn van deel te hebben aan Jezus’ heerlijke rechtvaardigmaking en de inwendige getuigenis van de Geest juist niet in het genot er van verloren gaan, of althans voor een tijd zeer verminderen? Wij lezen (Lukas 15 : 8) van de vrouw, die een zilveren penning verloren had. Ontstak zij niet een kaars, en veegde zij niet het huis, en zocht zij niet in elke hoek, totdat zij de penning weergevonden had? De penning der vrouw was niet in werkelijkheid verloren; hij was nog in huis; maar voor haar gevoel was hij zo goed verloren, dat zij hem nimmermeer weer in haar bezit zou krijgen. Zo kan ook een gevoel van aangenomen en gerechtvaardigd te zijn door de rechtvaardigmaking van Christus, die kostbare penning van de munt des hemels, voor het gevoel, schoon niet in werkelijkheid, uit het hart verloren zijn. En wat zal de ziel, die hem verloren heeft, anders doen dan ijverig het huis in elke hoek bij de kaars des Geestes doorzoeken, totdat zij de penning wedergevonden heeft.
Zie op mij in gunst van boven,
wees mij toch genadig, Heer!
Eenzaam ben ik en verschoven,
ja, d’ ellende drukt mij neer.
’k Roep U aan in angst en smart,
duizend zorgen, duizend doden
kwellen mijn angstvallig hart;
voer mij uit mijn angst en noden!
Ps. 25:8
12 Juni - Door Baca's Vallei
Haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen. Psalm 132:15
Wat een zoetheid ligt er in het woord „verzadigen”! De wereld kan u en mij niet verzadigen. Hebben niet sommigen uwer misschien vele jaren aaneen getracht enige verzadiging daaruit te verkrijgen? Maar kan vrouw of man ons verzadigen? Kunnen kinderen of betrekkingen dit doen? Kunnen de genoegens der zonde ons verzadigen? Is er in dit alles niet een pijnlijke ledigheid? Oogsten wij niet van alles wat van beneden en van het vlees is teleurstelling en misnoegen? Ondervinden wij niet, dat wij weinig meer dan smart ontmoeten van alles wat van de wereld is? Ik ben er van overtuigd, dat ik in de wereld weinig anders vind en gedurende enige jaren gevonden heb dan misnoegen, teleurstelling, ijdelheid en kwelling des geestes. De arme ziel kijkt rond op de wereld en naar het schepsel; zij oogt op bezit en vermaak en betrekkingen van dit leven, en bekomt maar een schrale oogst, zodat al wat zij raapt, is smart en kwelling. Nu, wanneer iemand gezet wordt in de behoefte van verzadiging en hij nodig heeft wat hem gelukkig maken kan, iets wat zijn pijnlijke ledigheid kan vervullen, iets wat zijn gebroken benen kan stutten, zijn bloedige wonden en melaatse zweren kan helen; en nadat hij heeft gezien op dogma’s, denkbeelden, begrippen, bespiegelingen, vormen, kerkgebruiken en ceremoniën van de godsdienst; heeft gezien op de wereld met al haar bekoorlijkheden, en op zichzelf met al zijn verscheidene bewegingen en werkzaamheden; en in dit alles niets gevonden heeft dan bitterheid des geestes, kwelling en moeite, waarop hij neerzinkt als een ellendig schepsel; waarlijk, wanneer de Heere hem daar doet zien op het Brood des levens, dan vindt hij verzadiging in datgene, wat hij van niet één zijde verkrijgen kon. En dit is de reden waarom de Heere Zijn volk verdrukking toezendt, de reden waarom sommigen zulk een zwak en ziekelijk lichaam omdragen, waarom sommigen zulke zware tijden in hun huisgezin doormaken; waarom anderen zo in diepe beproevingen komen in financiële aangelegenheden; waarom anderen zulke opstandige kinderen hebben en weer anderen zo geoefend worden door geestelijke bestrijdingen, dat zij nauwelijks weten wat het einde daarvan zal zijn. In alles ligt deze ene bedoeling: hen in zichzelf ellendig te maken buiten Christus, onverzadigd, tenzij dan met het Evangelievoedsel; hun te doen ervaren, dat God alleen hen kan gelukkig maken en alleen hun belast gemoed kan vertroosten.
12 Juni - Een Grote Hogepriester
Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. Hebreeën 4:15
Hoe groot het aantal of hoe erg de geestelijke smarten en zorgen van Gods kinderen ook zijn; onder welke overtuigingen, lasten, smarten, noden, gewetensnoden, twijfels, angsten en ontzettingen onder Gods toorn zij ook gebukt gaan; of dat zij nu zuchten en steunen onder de vloek van de wet, het verbergen van Zijn gezicht, het uitdoven van de glans van Zijn aangezicht; Jezus, hun gezegende Voorloper, heeft het allemaal ondergaan in de dagen van Zijn vlees, en oneindig veel erger dan een mens zich kan voorstellen. Kan een mens ervaren of uitspreken wat de geliefde Verlosser doorstond in de hof van Gethsemané, toen Zijn ziel diepbedroefd was, zelfs tot de dood toe; toen Hij driemaal smeekte dat de beker aan Hem voorbij mocht gaan en in doodsnood verkerend zo intens bad, dat Zijn zweet als het ware als grote druppels bloed op de grond viel? Kan Hij niet waarlijk zeggen: ‘Gaat het ulieden niet aan, gij allen, die overweg gaat? Schouwt het aan en ziet, of er een smart zij gelijk mijn smart, die mij aangedaan is, waarmede de Heere mij bedroefd heeft ten dage der hittigheid Zijns toorns’ (Klaagl. 1:12).
Een ontwaakte zondaar, door God tot leven gewekt, hoeft slechts het gewicht van zijn eigen zonden te dragen, maar Jezus moest de zonden van miljoenen dragen. Er komen op z’n hoogst een paar druppels van de toorn Gods, en dan als deze reeds is bedaard, in het geweten van een bevende zondaar terecht. Jezus kreeg echter al Gods toorn, ten gevolge van miljoenen bevrijde overtreders, te verduren. Het zijn slechts de verre donderslagen van de wet die in een overtuigde ziel van een zondaar weergalmen, maar de hele onweersstorm barstte los op het hoofd van de Borg. In kleine toorn verbergt God een ogenblik Zijn gezicht voor Zij n Sion, maar in grote toorn verborg Hij Zijn gezicht voor Zijn geliefde Zoon. Dus, wat de geestelijke smarten en moeilijkheden van het bezochte Sion ook zijn, zelfs als zij ‘door onweder voortgedreven en niet getroost’ (Jes. 54:11) wordt, bij alles heeft zij een Hoofd, Dat oneindig veel meer heeft geleden dan alle leden gezamenlijk. Het is dus Zijn persoonlijke ondervinding van deze geestelijke bezoekingen waardoor de gezegende Heere zo’n medelevend Hogepriester aan de rechterhand van God is.
Lezen: Klaagliederen 1:12-22


