23 September
En die leeft, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend, in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods. Openbaringen 1:18
O, welk een barmhartigheid, dat Hij, die dood was, leeft aan Gods rechterhand! dat Hij leeft als een verrezen Hoofd; dat Hij geen dode Zaligmaker is, maar een Zaligmaker, die leeft in eeuwigheid; die kan zegenen en ook zegent; die kan vertroosten en ook vertroost; die de ziel door alles heen kan helpen en ook helpt. Hij is geen Zaligmaker, die als het ware staat op de oever van een rivier en ons er uit helpt als wij de weg half zwemmende hebben afgelegd; Hij is geen Zaligmaker, die ons half weg naar de hemel brengt en dan zegt: laat ons afhouden of voor onszelf zorgen. Hij moet ons geheel naar de hemel brengen. Wij zijn niets en hebben niets zonder Hem. Hij moet zijn, zoals Hij is: ons „alles in alles.” Wij schatten Hem hoog in zijn dood; alleen zijn dood kan ons met God verzoenen; wij schatten Elem hoog in zijn leven; alleen zijn leven kan behouden. Wij hebben nu behoudenis nodig; behoudenis in het hart; een geestelijke behoudenis, geopenbaard in en aan de ziel; een behoudenis die naam waardig, geheel, ten volle, volkomen en eeuwig, tot prijs der overvloedige genade; een onherroepelijke behoudenis, die nooit kan verloren gaan; Gode waardig, de Godmens waardig; voldoende voor elke behoefte der ziel; komende bij elke beproeving van het hart, en in staat om de laagste en slechtste te behouden, „zonder geld en zonder prijs.”
Loof Hem, die u al wat gij hebt misdreven,
hoe veel het zij, genadig wil vergeven,
uw krankheên kent en liefderijk geneest;
die van ’t verderf uw leven wil verschonen,
met goedheid en barmhartigheên u kronen,
die in de nood uw redder is geweest.
Ps. 103:2
23 September - Door Baca's Vallei
Opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar van alles, dat uit des Heeren mond uitgaat. Deuteronomium 8:3
Dit is de grote les, die wij moeten leren in onze woestijnreis, namelijk, dat de mens niet alleen bij brood leeft, dat is bij die behoeften, die de mens in de weg der voorzienigheid nodig heeft. Gode zij dank voor het brood, dat Hij ons door Zijn vriendelijke hand toeschikt. Een eerlijk bestaan is een grote genade. In staat gesteld te worden, hetzij door handenarbeid, hetzij door te werken met ons verstand, onze gezinnen te onderhouden in een zekere mate van welstand, al is dit nu niet in grote overvloed, is een grote zegen. Maar God heeft bepaald, dat Zijn volk niet bij brood alleen leven zal. Zij zullen afgezonderd worden van de grote hoop mensen, die alleen in een vleselijke weg leven; die geen zorg hebben over dingen, die de aardse bezittingen te boven gaan, en bij wie de som van al hun gedachten en overleggingen is: „Wat zullen wij eten, en wat zullen wij drinken, en waarmede zullen wij ons kleden?” Die nooit eens hoger zien dan hun beurs, hun dagelijkse werkzaamheid, hun zaken, en hoe zij hun huisgezinnen zullen onderhouden. De Heere heeft in het hart van Zijn volk een hoger leven geformeerd, een edeler beginsel, een hogere eetlust, dan alleen bij brood te leven. Wij danken Hem voor Zijn voorzienigheid, maar prijzen Hem voor Zijn genade. Wij danken Hem voor ons dagelijks voedsel en kleding, maar deze dingen zijn alleen voor de tijd, bederven in het gebruik; maar Hij heeft ons voorzien van hetgeen voor een eeuwigheid geldt. Wat bedoelt de Heere dan, waar de ziel op leven moet? „Op alle woord, dat uit des Heeren mond uitgaat”. Maar waar vinden wij deze woorden, die uit des Heeren mond uitgaan? In de Schrift; dit is het voedsel der kerk. En meer bijzonder in de Schrift, toegepast aan het hart; in de woorden, die het God behaagt door Goddelijke kracht in de ziel af te drukken, die wij uit Zijn dierbare mond ontvangen en die wij met een gelovige hand kunnen aannemen. Dit is het voedsel onzer ziel, de waarheid van God op ons hart toegepast en tot leven en geest gemaakt door Zijn eigen onderwijs en getuigenis. En zie eens hoe groot en ruim hierin voorzien wordt. Zie door de gehele omtrek van Gods geopenbaarde Woord, en zie welk een voorraad daarin is opgelegd voor de kerk van God. Hoe moest dit ons aanzetten en bemoedigen om de Schrift te onderzoeken en na te speuren als naar verborgen schatten. Om ze voortdurend te lezen, te mediteren, zoeken in te gaan in de bedoeling Gods, in dezelve geopenbaard, en er alzo voedsel voor onze ziel in te vinden. Indien wij ten volle overreed waren, dat elk woord der Schrift uit Gods mond is voortgekomen, en bedoeld is tot voedsel voor onze ziel, hoe zouden wij ze dan hoogachten, lezen en bestuderen!
23 September - Zie Mij Aan
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen. Psalm 119:132
‘Zie mij aan’ – is dat niet de wens van uw ziel? U zou dat gebed niet kunnen uitspreken voordat de Heere u levend had gemaakt .Voordat u dat gebed kunt uitspreken, moet u kunnen geloven dat de Heere omlaag kijkt naar Zijn kinderen. U moet een verlangen in uw hart koesteren dat de Heere u bijzonder zegent en begunstigt. U moet worden gespeend van alle menselijke rechtvaardigheid, menselijke wijsheid en menselijke kracht, en u tot de Heere wenden om u te zegenen met die zegen die rijk maakt (Spr. 10:22). Ziet u niet hoe vriendelijk en zacht de Heere is voor Zijn kinderen? Ziet u niet dat zij de enige mensen ter wereld zijn wier levenslot benijdenswaardig is? Verlaat deze smeekbede —misschien niet overeenkomstig de letter, maar wel overeenkomstig de bedoeling—soms niet stilletjes uw hart: ‘O, dat U mij toch wilt aanzien! Al ben ik een verachtelijke stakker, al ben ik een schuldige zondaar, al ben ik een onwaardige afvallige, al ben ik een vuile afgodendienaar, al verdien ik verbannen te worden uit Uw aanwezigheid, al verdien ik onder de voet te worden gelopen – zie mij toch aan! Dat is wat mijn ziel verlangt — dat Gij mij zegent, dat Gij mij Uw barmhartigheid toont, dat Gij Uw liefde in mijn hart uitstort, dat Gij tegen mij spreekt met Uw eigen lippen en in mijn hart fluistert: ‘Vrees niet, want gij zijt Mijn’ (Jes. 43:1). En als u in het Woord Gods over de gevoelens van Gods kinderen, degenen die de Heere echt heeft gezegend, leest, of erover hoort uit de mond van iemand die zelf de waarheid heeft ondervonden; als u hoort over de regen en de dauw die op hun ziel vallen, en dat de verborgenheid van de Heere op hun tabernakel rust – voelen sommigen van u dan niet een hevig verlangen dat de Heere u ook zo zou zegenen. Zich zo aan u kenbaar zou maken, dat u van dezelfde dingen in uw hart kunt genieten doordat ze met kracht aan uw geweten worden toegepast?
Lezen: Micha 7


