19 Juni
Want Hij zal de nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen. Psalm 109:31
Hoe opbeurend, hoe vertroostend is het een vriend te hebben, die ons in de nood bijstaat. Zulk een Vriend is Jezus. In de ure des gevaars komt Hij als een Vriend, om aan de rechterhand van het arme schepsel te staan, wiens ziel door schuld en zelfbeschuldiging is veroordeeld. Maar Hij staat in een veel hoger betrekking dan die van een vriend; Hij staat als Borg en Bevrijder. Hij gaat, als het ware, in het gerechtshof, en als de gevangene voor de balie staat, treedt Hij voorwaarts en staat aan zijn rechterhand als Borg en Plaatsbekleder; Hij brengt uit zijn eigen boezem de kwijtbrief voor, getekend en bezegeld met zijn eigen bloed; Hij legt die aan de ogen van het hof voor en eist en vraagt de vrijspraak van de gevangene, aan wiens rechterhand Hij staat. Daar staat Hij dan, opdat de gevangene gehele vergiffenis ontvange en gans gerechtvaardigd worde van die beschuldigingen „die zijn ziel veroordelen”. O heerlijk standpunt! O gezegende verschijning! Ongeloof, de werking van een vreselijk boos hart en de vreselijke inblazingen van de vijand, komen om ons te veroordelen: maar Christus Jezus, de Middelaar tussen God en de mensen, staat aan de hand der nooddruftigen en biedt zijn eigen heerlijke gerechtigheid aan. Gaan wij gedrukt onder ongeloof? Hij schenkt geloof. Verzinkt onze ziel in wanhoop? Dan stort Hij hoop in. Is de ziel gebogen onder schuld, verwijderd van God, buiten staat Hem te naderen wegens de zware aanvechtingen? Hij brengt zijn eigen arm onder die arme neergebogen ziel, en licht zijn nedergebogen hoofd op, en dan ziet de ziel opwaarts en aanschouwt in plaats van toorn het gelaat des Vaders, stralende van barmhartigheid en liefde, omdat de Borg „staat ter rechterhand van de nooddruftige”.
Nooddruftigen zal Hij verschonen,
aan armen uit gena
zijn hulpe ter verlossing tonen:
Hij slaat hun zielen ga.
Ps. 72:7
19 Juni - Door Baca's Vallei
Maar zo velen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden; namelijk die in Zijn Naam geloven. Johannes 1:12
Overal waar het geloof in de ziel geschonken wordt om Christus aan te nemen, daar zal met het geloof gepaard gaan de liefde tot de Heere des levens en der heerlijkheid. En somtijds kunnen wij het aanwezig zijn van het geloof onderkennen door het waarnemen van de verborgen werkzaamheden en daden der liefde tot de Zaligmaker, in Wie God ons gegeven heeft te geloven, hoewel wij het er zelfs niet voor kunnen houden. Er zal van tijd tot tijd in de levende ziel een uitgang der genegenheden tot Jezus zijn. Van tijd tot tijd geeft Hij de ziel een blikje op Zijn Persoon. Hij vertoont Zich, gelijk de Schrift spreekt „door de traliën”, misschien wel haast voorbijgaande. Maar door het schenken van zulk een kortdurend gezicht van de heerlijkheid van Zijn Persoon en van de uitnemendheid van Zijn volbracht werk, van Zijn stervende liefde en verzoenend bloed, wordt het hart als verrukt en wordt iedere genegenheid der ziel door Hem uitgehaald. Dan moet er een volgen nauw achter Hem uit voortkomen. Zo kan het zijn als wij op bed liggen, als wij in ons beroep bezig zijn, als wij ons bezig houden met verscheidene kundigheden des levens na te jagen, ook wel op andere tijden onder het Woord of in het lezen der Schrift, dat het de Heere wel behaagt in het hart te werken. Dan komt er een nederig bukken aan Jezus’ voeten, of een verborgen, tedere uitgang der liefde van ons hart tot Hem, waardoor de ziel Hem kiest boven duizenden van goud of zilver, en niets zo zeer begeert als de inwendige openbaringen van Zijn liefde, genade en barmhartigheid. En zo neemt een levende ziel Christus aan, niet slechts uit kracht van noodzakelijkheid, maar ook omdat haar genegenheden worden ingewonnen. Zij neemt Christus niet alleen aan als een weg om de eeuwige toom Gods te ontgaan, niet alleen als middel om haar te bevrijden van de worm, die niet sterft, en het vuur, dat niet uitgeblust wordt; maar de noodzakelijkheid om dit te ontgaan gaat gemeenzaam, krachtig en ingewikkeld gepaard met een uitvloeiing van oprechte genegenheid en ongeveinsde liefde, die uitgaat tot Hem als het enige Voorwerp, waardig de genegenheid, aanbiddingen en vurige begeerten van ons hart. En wij mogen niet zeggen, dat iets minder dan dit beantwoordt aan de bedoeling der Schriftuurlijke uitdrukking: „Christus aan te nemen”.
19 Juni - Door Christus Tot God Gaan
Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden. Hebreeën 7:25
Als u nog nooit tot God bent gekomen door Jezus Christus, hebt u geen belangstelling aan de dag gelegd voor deze tekst. Maar als God de Geest uw ziel tot geestelijk leven heeft gewekt, als Hij een genadewerk uitvoert in uw geweten, kunt u erop rekenen dat u zult merken dat uw aard hier wordt uitgetekend. Wat is de mens van nature? De Heilige Geest heeft deze beschrijving van hem gegeven: dat hij ‘dood was door de misdaden en de zonden’ (Ef. 2:1); dat hij is ‘vervreemd van het leven Gods door de onwetendheid, die in hem is, door de verharding van zijn hart’ (Ef. 4:18); dat hij is ‘een vijand van God in boze werken’ (Kol. 1:21), dat hij absoluut niet in staat is zijn ziel nabij God te brengen en iets te doen dat aanvaardbaar is in Zijn ogen. Als dit nu het geval is, dat de mens dood is door misdaden en zonden, ver van God verwijderd door boze werken, vervreemd van het leven Gods door de onwetendheid die in hem is, door de verharding van zijn hart, als de vleselijke geest slechts onverzoenlijk vijandschap tegenover God en godvruchtigheid is, hoe kan hij dan nabij God komen? Hij kan in schijn komen, of gewoon door het uitoefenen van zijn natuurlijke vermogens – maar een heilige en rechtvaardige God kan hem niet aanvaarden als hij zo tot Hem komt.
Dit is dus iemand die niet tot God kan gaan door het levende geloof, waardoor Lazarus uit het graf tevoorschijn zou komen, toen de stem van de Verlosser krachtig sprak: ‘Lazarus, kom uit.’ (Joh. 11:43). Maar zodra de gezegende Geest tot het geweten spreekt, zodra Zijn allerhoogste stem de ziel bereikt, gebeurt er geestelijk wat Lazarus natuurlijk deed: hij komt uit. Zodra de stem van de Heere, die vol majesteit is, zodra deze Almachtige stem de oren van Lazarus binnendrong, kwam hij tevoorschijn. En zodra de Heere tot de ziel begint te spreken door de gezegende Geest, komt zij: zij wordt bewogen, staat op uit het graf van de dood, en gaat tot God. Zodat elke ziel die God weer tot leven heeft gewekt om Zijn grote Naam te vrezen, een klaarblijkelijk aandeel in deze tekst heeft — in dat hij gaat tot God.
Lezen: Johannes 11:33-46


