12 Maart
Gij zijt toch in het midden van ons, o Heere! en wij zijn naar uw Naam genoemd, en verlaat ons niet. Jeremia 14:9
Als de Heere ooit in onze ziel is geweest, om daar een gevoel van Zijn goedheid en barmhartigheid te openbaren, kunnen we deze woorden ter verdediging aanhalen.: ‘Gij zijt toch in het midden van ons, o Heere!’ Als Hij ooit uw gebeden heeft verhoord, is Hij met u; als Hij u ooit een belofte heeft gedaan, is Hij met u; als Hij ooit met Zijn vinger uw hart heeft aangeraakt, is Hij met u; als Hij u ooit met een glimlach heeft begunstigd, is Hij met u. En als u dan het verloop van uw ervaringen nagaat, en u vindt Hem soms een vreemdeling in het land, een reiziger, die een andere weg neemt, om een nacht te blijven, of zelfs dat Hij u niet schijnt te kennen – een sterke man kan niet gered worden – toch spoort elk teken ten goede u aan om u aan Hem vast te klampen. Hem te omvatten, Zijn voeten te grijpen, zoals de Sunamietische de voeten van Eliza aangreep, en niet afgewezen wilde worden. Maar met alles wat u bent en bent geweest, kan het niet anders, of u voelt dat u Hem innig liefhebt. En u hebt een goede hoop, zo niet een goed getuigenis, dat Hij u liefheeft. Kunt u niet soms naar Hem opkijken, kan ik zeggen, Hem in het aangezicht aanschouwen en zeggen: ‘Heere! Gij weet alle dingen. Gij weet dat ik U liefheb? En hoewel mijn afschuwelijke zonden U soms een vreemdeling voor mij gemaakt hebben, toch weet U dat ik in het binnenste van mijn hart, in het diepste mijner ziel U liefheb.’ En als u de Heere durft aan te kijken en Zijn oog dat de harten doorzoekt durft aan te roepen, als u kunt zeggen dat u Hem liefhebt, wees er dan van verzekerd dat Hij u liefheeft, want het Woord der Waarheid verklaart: ‘Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.’
’t Is trouw, al wat Hij ooit beval.
Het staat op recht en waarheid pal
als op onwrikb’re steunpilaren.
Hij is het die verlossing zond
aan al zijn volk. Hij zal ’t verbond
Met hen in eeuwigheid bewaren.
Ps. 111:5
12 Maart - Door Baca's Vallei
Die in duisternis en schaduw des doods zaten. Psalm 107:10
Welk een kostelijke zaak is het licht, het licht des levens, het licht van Gods vriendelijk aangezicht, van het heerlijk Evangelie, van Jezus’ aangezicht! Waarlijk, het licht is zoet en het is de ogen goed de zon te aanschouwen. Maar voor wie? Voor degenen, die zitten in duisternis en schaduw des doods. Hoe begroeten dezulken de eerste stralen van het licht! Stel u voor dat ge schipbreuk geleden hadt, en bij nacht op een rots waart geworpen, wat zoudt gij de eerste stralen van het morgenlicht verwelkomen, die u konden aantonen waar gij waart; en wat een hoop zou het in u verwekken op een uiteindelijke verlossing. Bij vergelijking is het ook zo wanneer een ziel in gevaar en daarbij ook nog in duisternis verkeert; hoe begroet zo’n schipbreuklijdende ziel de eerste lichtstraal, waarbij zij mag zien de weg van ontkoming van de hel naar de hemel. Hoe zoet is het haar enig Goddelijk licht in haar gemoed gewaar te worden, door enig invallend licht te mogen blikken in de goedheid en barmhartigheid, genade en heerlijkheid van de dierbare Jezus. Hoe meer wij van de duisternis kennen, hoe meer wij het licht zullen prijzen. Vele hoge belijders verachten dit alles en merken er bij op, dat wij een gebouw oprichten, steunende op gevoel en gemoedsgestalten, en derhalve van onze bevinding een Christus maken. Arme mensen! Hun licht is geen duit waard en het is te vrezen, dat het maar een vlam is van hun eigen vuur, een licht, dat hen nooit ten hemel brengen zal. Maar waarom verachten zij het? Omdat zij nooit zitten in duisternis of schaduw des doods. Wat is derhalve van hun licht naar waarheid te oordelen? Een dwaallichtje, een gaslamp, een meteoor, een vallende ster, iets en alles, behalve de dageraad van omhoog of de Zon der gerechtigheid. Maar het volk des Heeren kan het niet doen met gaslamp of dwaallichtje. Zij moeten Jezus hebben. Zij moeten Zijn bloed gesprengd hebben op hun consciëntie, Zijn genade in hun hart, Zijn tegenwoordigheid in hun ziel. Zoete ontdekkingen van Zijn Persoon en werk, de influisteringen van Zijn liefde, het aanraken van Zijn vinger, de toelachingen Zijns aangezichts. Zij moeten Jezus voor zichzelf hebben „Geef mij Jezus, of ik sterf!” is hun gevoel. Doch wat doet hen voor de dag komen met hun ernstige zuchten en smekingen? Zij zijn in duisternis en schaduw des doods. Waren zij daarin niet, zij zouden tevreden zijn te blijven zoals ze van nature waren, dat is onwetend en dood. Maar hun staat beseffende, doet het hen uitzien naar de stralen des lichts, en wanneer die in hun ziel doorbreken, dan kunnen zij het prijzen, omdat het van God komt en tot God leidt.
12 Maart - Het Gebed Van Salomo
Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als Gij hen geplaagd zult hebben, hoor Gij dan uit de hemel, en vergeef de zonden Uwer knechten en van Uw volk Israël. 2 Kronieken 6:26-27.
De ergste staat waarin we kunnen verkeren is dor te zijn en het niet te voelen; droog, verslapt, verdord te zijn en zich er geen zorgen over te maken; niet te kreunen, niet te zuchten, hoewel de hemel afgesloten is; geen brandende verlangens te koesteren, hoewel dauw en regen worden tegengehouden. Zo’n zielstoestand als deze is ‘nabij de dood’ (Fil. 2:30). De eerste stap naar herstel is daarom de droogte te ervaren. Zo is het in de schepping. Hoezeer voelt alles dat leven heeft het opschorten van regen en dauw! Wat kijken plant en bloem, de gehele bezielde natuur hemelwaarts in afwachting van de regenbuien! Zelfs de ruwe aarde, de redeloze kluiten, lijken naar de flessen van de hemel te dorsten. Veel meer nog waar er leven in de ziel is, waar de genade Gods woont. Om deze verdorde toestand te doorbreken, moeten we om te beginnen belijden, bidden, smeken, zoeken en verlangen. Zoals Salomo zegt: ‘En als zij in deze plaats bidden’, dat wil zeggen: in de tempel, het model en symbool van de Heere Jezus Christus, ‘en Uw Naam belijden’ (1 Kon. 8:35); Uw rechtvaardigheid en gerechtigheid belijden dat Gij de regen achterhoudt; ‘en van hun zonden zich bekeren’, hun afgodsbeelden afwijzen, hun rechteroog uitrukken, hun rechterarm afhakken, en zich afkeren van hun zonden, en ze verachten en verafschuwen omdat ze verfoeilijk zijn in Gods ogen; ‘als Gij hen geplaagd zult hebben’; ‘ dan’, als Gij hen zover hebt gebracht, en dit door Uw genade in hun ziel hebt bewerkstelligd, ‘hoor Gij dan uit de hemel’. Hiermee wordt door deze ijzeren poorten heen gebroken; ‘en vergeef de zonden Uwer knechten’, die de afsluiting van de hemel hadden teweeggebracht, die de oorzaak van het achterhouden van regen en dauw zijn geweest. ‘Als Gij hun zult geleerd hebben de goeden weg,’ de enige weg van gehoorzaamheid, ‘in dewelke zij wandelen zullen’; als Gij in hun ziel deze genadige vruchten hebt voortgebracht, ‘geef’ dan, in Uw tedere barmhartigheid, ‘regen op Uw land, dat Gij Uw volk tot een erfenis gegeven hebt’; bedauw en bewater hun ziel dan en overgiet hen met de overvloedige regen van Uw genade.
Lezen: Leviticus 26:27-46


