Joseph Charles Philpot

Het woord van Gods genade

Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel op en geeft het erfdeel onder de geheiligden.

Gepredikt in de Eden Street Chapel, Hampstead Road, Londen, op dinsdagavond 4 september 1846.

“En nu, broeders, ik bevele u Gode, en den woorde Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.” — Handelingen 20:32

Ik ken geen ontroerender gedeelte van Gods Woord dan Handelingen 20:17-38. Er staan twee verzen in die iemand met een gevoelig hart nauwelijks kan lezen zonder dat de tranen hem in de ogen komen: “En er werd een groot geween van hen allen; en zij, vallende om den hals van Paulus, kusten hem; Zeer bedroefd zijnde, allermeest over het woord, dat hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden”. Wat een tedere liefde aan beide kanten! Wat een oprechtheid straalt er uit heel de toespraak van Paulus! Wat een edele eenvoud! Wat een ijver voor Gods eer! Wat een echt verlangen naar het geestelijk welzijn van hen van wie hij afscheid nam! Als de schaamte ooit haar wangen karmijnrood kon kleuren, dan moest het ongeloof wel blozen, als het dit treffende gedeelte van Gods Woord zou lezen en dan nog zou ontkennen dat het gestempeld is met elk kenmerk van echtheid en met een onbeschrijfelijke waarachtigheid en werkelijkheid, die zo duidelijk door elke regel heen schijnen.

Maar in de toespraak van Paulus tot de oudsten van de gemeente te Efeze zit iets veel diepers dan natuurlijke ontroering. Het is dieper dan zelfs de edele onbaatzuchtigheid die er zo sterk in op de voorgrond treedt, waardoor we zouden denken dat zelfs een natuurlijk mens met een gevoelig hart zijn afscheidswoorden nauwelijks kan lezen zonder dat zijn hart bewogen wordt. Dat alles is op zichzelf onuitsprekelijk schoon, maar los daarvan zien we, als we het lezen in het licht van de Geest, een schat van geestelijke en bevindelijke waarheid daarin liggen, vooral in de verzen die mijn tekst vormen.

Zo wil ik, met Gods zegen, de woorden die voor ons liggen vanavond behandelen. Ik maak geen formele indeling, maar neem ze door zoals ze voor mij liggen. En ik zie op naar de Heere, dat Hij mij mond en wijsheid zal zijn en mij zo uit deze woorden laat spreken dat God de eer heeft en Zijn volk de baat en de troost.

I.- Drie jaar lang had de apostel Paulus in Efeze gearbeid, en in die tijd had hij de discipelen nacht en dag met tranen vermaand. Daarmee liet hij duidelijk zien dat hun geestelijke belangen hem na aan het hart lagen en dat hij met de sterkste banden van eenheid en liefde aan hen verbonden was. In zijn eigen borst droeg hij een diep besef van zijn zwakheid en verdorvenheid, maar hij kende ook uit bevinding de rijke voorraden van Gods genade en wist hoe de kracht van Christus in zwakheid volbracht wordt. Hij was bedroefd toen hij van tevoren de strikken, beproevingen, verdrukkingen en verzoekingen zag die op hun pad lagen, maar hij werd bemoedigd doordat hij de rijke voorzieningen van verbondsgenade en liefde kende.

Toen hij op weg naar Jeruzalem in Milete aankwam, zond hij een bode naar Efeze, dat ongeveer dertig mijl verderop ligt, en liet de oudsten van de gemeente roepen. Hij wilde hun de dingen van God voorleggen. Deze oudsten waren de herders of dienaren van wie geldt dat “de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft”, letterlijk “bisschoppen”, over de kudde, “om de Gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed”. Maar Paulus keek met profetisch oog vooruit en zag dat “na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen”. Hij zag de wolk van vervolging die op het punt stond los te barsten. Hij hoorde het verre gehuil van de “zware wolven” die weldra bij hen zouden binnenkomen. Een tijd lang waren die wolven door een goddelijke hand tegengehouden, maar nu stonden ze klaar om op de kudde te springen en haar, als God niet ingreep, in stukken te scheuren.

Toch lag er nog iets dichter bij zijn hart. Hij zag niet alleen de gevaren van buitenaf. Zijn profetisch oog ontwaarde niet alleen de vage gedaante van roofzuchtige wolven op de verre bergen, maar keek ook in het hart van de gemeente zelf, in het lichaam zelf. En wat een gezicht kwam daar voor zijn ogen! Hij zag dat zelfs uit dit kleine gezelschap, uit deze zwakke kudde zelf, “uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen”. Dat was de bitterste slag van allemaal! En ze zouden zich aan het hoofd van een groep willen stellen en proberen “de discipelen af te trekken achter zich”.

Toen hij zo naar de gemeente te Efeze keek en gevaren van buiten en van binnen zag naderen, wist en voelde hij dat niets dan de kracht van God hen kon bewaren. Hun belang lag hem warm op het hart, en daarom zegt hij: “Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang nacht en dag, niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen.” “Zo hebt dan acht op uzelven en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.” Maar ongetwijfeld speelde dit door zijn gedachten: Wat baten mijn vermaningen?

Kunnen jullie ze opvolgen? Zijn jullie in staat te waken? Kunnen jullie jullie zelf bewaren? Kunnen jullie de kudde beschermen waarover de Heilige Geest jullie tot opzieners heeft gesteld? Nee. Hij kende de onmacht van het schepsel diep en wendde zich als het ware van hen af. Alsof hij wanhoopte aan alle menselijke kracht en wijsheid, nam hij hen in zijn armen en legde hen neer aan de voeten van God Zelf. Hij had hen gewaarschuwd zo goed hij kon. De tranen waren in rijke stromen over zijn wangen gevloeid. Hij had elk onderwerp van vermaning uitgeput.

Toen voelde hij dat alles zonder Gods bijzondere zegen niets vermag, en voegt hij er teder aan toe: “En nu, broeders, ik bevele u Gode, en den woorde Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.”

De apostel wist goed hoe zondig het schepsel is. Uit pijnlijke persoonlijke ervaring kende hij de bron van het kwaad die in de borst van een zondaar woont, en hoe die bron voortdurend haar verdorven stromen uitzendt. Hij wist daarom dat deze innerlijke stroom van het kwaad zonder Gods genade zou doorbreken en elke dam zou wegspoelen die zij in eigen kracht ertegen konden opwerpen. Is dat ook niet onze ervaring, als we iets kennen van de bron van goddeloosheid die we in ons dragen? Heeft die niet alle voornemens doorbroken, alle tranen, alle zuchten, alle geloften, alle beloften? Is de zonde in onze vleselijke gezindheid niet zo sterk geweest dat ze elke muur doorbrak die de natuur kon optrekken en over elke dam stroomde die een mensenarm kon opwerpen? Hij kende hun zondigheid als verdorven schepselen, en daarom legt hij hen neer aan de voetbank van de soevereine genade.

Hij kende ook hun volkomen onmacht. Zij waren niet alleen zondig, diep zondig, goddeloos, hoogst goddeloos, maar ook machteloos, volkomen machteloos. Hij wist dat hij hen nacht en dag met tranen kon vermanen. Hij kon zijn adem en zijn leven besteden aan het aansporen om tot Gods eer te leven en te waken tegen elke vijand, van binnen en van buiten. Maar uit eigen ervaring was hij ervan overtuigd hoe onmachtig het schepsel is. Daarom doet hij wat een tedere moeder doet met haar hulpeloze baby: zij legt hem in een wieg waaruit hij niet kan vallen. Zo neemt hij hen in zijn armen en legt hen in de wieg van de barmhartigheid, in de ark van het verbond, zo veilig als de ark van Noach, waarvan staat: “En de HEERE sloot achter hem toe.”

Hij wist ook dat zij voor het grootste deel weinig wisten van het bedrog van de vijand. Zij hadden te weinig bevinding van de strikken die de satan voor hun voeten legde, en te weinig kennis van de macht en de overhand van de zonden die ons zo gemakkelijk omringen. Uit eigen bevinding kende hij de gevaren van de geestelijke veldtocht. Voor hem gold: “zijn gedachten zijn ons niet onbekend”. Daarom beveelt hij hen op bijzondere wijze aan bij het oog en het hart van de grote Overste van hun zaligheid, en zet hen als het ware in Zijn tent en onder Zijn banier.

Maar laten we deze beeldspraak verlaten en vragen hoe hij hen aan God aanbeveelt.

1. Ten eerste als aan een goede Vader. Waar moet een kind anders heen worden gebracht dan naar de armen van zijn vader? Is de vader niet zijn natuurlijke beschermer, door de nauwste en sterkste banden aan hem verbonden? Het oog van de vader, het hart van de vader, de arm van de vader, ze werken allemaal samen om het kind te beschermen. De aardse band tussen vader en kind, met al zijn tedere liefde, is slechts een afbeelding van de hemelse band tussen God en Zijn volk. Hij is hun Vader en hun God. Zo liet de Heere Zijn treurende discipelen troosten: “Maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.” Joh. 20:17

2. Hij beval hen ook aan bij Zijn alwetende oog. We kennen onszelf maar weinig, en elkaar nog minder. We weten niet wat we nodig hebben, wat goed voor ons is, welke strikken we moeten ontwijken en welke gevaren we moeten mijden. Ons pad ligt bezaaid met moeilijkheden, het zit vol verzoekingen, het wordt omringd door vijanden en omgeven door gevaren. Bij elke stap ligt een strik en bij elke bocht wacht een vijand. De hoogmoed graaft de kuil, de onachtzaamheid verbindt de ogen, het vleselijke verdooft en bedwelmt de zinnen, de lust van het vlees verleidt, de liefde tot de wereld lokt, het ongeloof verlamt de strijdende hand en de biddende knie, de zonde verstrikt de voeten, de schuld bevlekt het geweten en de satan klaagt de ziel aan.

Wie kan onder deze omstandigheden levend uit de strijd komen? Wie kan “elke storm doorstaan en ten slotte leven”? Alleen wie wandelt onder dat alziende oog, dat nooit sluimert of slaapt: “Ik, de HEERE, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.” Hij wordt bewaard “in de kracht Gods”. “De HEERE is uw Bewaarder.” “Ziet, de Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen.”

3. Verder beval hij hen aan bij Zijn almachtige hand. Het oog om te waken, de hand om te leiden en te beschermen. “Ik nochtans leerde Efraim gaan; Hij nam ze op Zijn armen.” “Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij.” “De eeuwige God zij u een woning, en van onder eeuwige armen.” We kunnen niet op onszelf staan. We kunnen geen enkele goede stap zetten, tenzij almachtige kracht ons ondersteunt en leidt. Daarom riepen de heiligen van vroeger: “Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn.” “Bewaar mij als het zwart des oogappels.” “Ontbloot mijn ziel niet.” Als hij hen dus aan God beveelt, beveelt hij hen niet alleen aan bij het oog dat nooit sluimert, maar ook bij de hand die nooit slap wordt.

4. Maar bovenal beval hij hen aan bij het tedere, liefdevolle hart van God. Daar komt het waakzame oog vandaan, daar komt de beschermende hand vandaan. De liefde, de eeuwige en onveranderlijke liefde, is de bron waaruit alle stromen van barmhartigheid en genade neerstromen naar de gemeente en naar elk afzonderlijk lid. “Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.” “De liefde vergaat nimmermeer.” Paulus mocht heengaan, er mochten wolven opstaan, ketterijen mochten de overhand krijgen, afvalligen mochten wegvallen, zware wolken mochten de gemeente bedekken en alles mocht in verwarring zijn, van binnen en van buiten. Eén ding zou de uitverkorenen van God niet ontbreken: de liefde die hen omarmde van eeuwigheid tot eeuwigheid. Als hij hen aan God beval, beval hij hen dus aan die liefde, die geen begin en geen einde kent, geen groei, geen afname en geen verandering.

Zo beval Paulus hen aan God, en hierin moet elke dienaar van het evangelie hem navolgen. Elke recht onderwezen dienstknecht van de Heere durft geen ogenblik te denken dat iets wat hij kan zeggen de zielen van de mensen kan baten, als hij onder een volk komt of van hen weggaat. Hij komt, als hij op de goede wijze komt, in afhankelijkheid van God voor een zegen die het woord volgt. En hij gaat weg, als hij op de goede wijze weggaat, biddend tot de Heere dat een zegen mag volgen op wat in zwakheid is gesproken. Zo kan geen recht onderwezen dienstknecht van de Heere het wagen onder Gods volk te gaan in vertrouwen op zijn eigen wijsheid of vermogen.

Hij verlangt ernaar hen in zijn armen te dragen voor het aangezicht van de Almachtige en met het oog van het geloof omhoog te zien, dat de Heere het woord zal zegenen. In zijn innerlijke gedachten “beveelt” hij hen aan God aan, als Hem Die alleen in hen kan werken wat in Zijn ogen welbehaaglijk is.

II.- Maar Paulus beval hen niet alleen “aan God”. Hij beval hen ook op bijzondere wijze aan “den woorde Zijner genade”. Er is een verschil tussen “genade” en “den woorde Zijner genade”. Alleen genade kan de ziel zaligmaken. Alleen overvloeiende genade kan onze verzwaarde ongerechtigheden uitwissen en voor het oog van de gerechtigheid verbergen. Maar het woord van Zijn genade is het woord dat deze genade in het hart brengt, dat leven en kracht aan de ziel meedeelt, dat de Geest door Zijn inwendig onderwijs en getuigenis op het geweten verzegelt, en waardoor Hij de gunst openbaart en uitstort waarvan Hij getuigt. Dit is wat het volk van de Heere nodig heeft. Het woord van de genade is wat hun ziel bereikt. Vrede komt niet in hun hart doordat ze in Gods Woord over genade lezen. Het is het woord van Zijn genade, wanneer het Hem behaagt dat woord met goddelijke kracht tot hun ziel te spreken, dat de zaligheid met zich meebrengt.

Het volk van de Heere verkeert voortdurend in zulke benauwde toestanden en omstandigheden dat niets hen kan verlossen dan het woord van Gods genade. Als de ziel door zware beproevingen moet, kan het horen over genade haar daar niet uit verlossen. Als felle verzoekingen haar belagen, kan het lezen over genade ze niet in stukken breken. Maar het woord van Zijn genade doet dat wel, wanneer het de Heere Zelf behaagt te spreken met Zijn eigen gezegende lippen en met Zijn eigen goddelijke kracht een belofte toe te passen. Het ondersteunt in de beproeving, verlost van de verzoeking, breekt strikken in stukken, maakt wat krom is recht en wat oneffen is vlak, brengt de gevangene uit het gevangenhuis en neemt het juk weg vanwege de zalving.

Toen de apostel gezegd had: “Ik bevele u Gode”, liet hij hen daar dus niet. Hij bracht hen verder, naar de plaats waar zij iets van Gods genade in hun hart zouden ontvangen, waar Zijn gunst zich aan hun zielen zou openbaren en waar Hij op bijzondere wijze met hun geweten zou handelen. Het is alsof hij er niet mee tevreden was hen aan Gods voeten neer te leggen. Hij beveelt hen aan bij Zijn “genade” en in het bijzonder bij het woord van Zijn genade in hun zielen. Als ik een beeld mag gebruiken, denk dan aan een moeder in nood (ik veroordeel de daad, hoewel ik het voorbeeld gebruik) die haar zuigeling niet kan onderhouden.

Ze neemt hem mee en legt hem neer voor de poort van een rijk man. Ze houdt de deur in het oog om te zien of die opengaat en het kind wordt binnengehaald. Ze heeft geen rust voordat ze de knecht ziet komen en het kind veilig naar binnen ziet nemen. Zolang het kind buiten ligt, is haar borst vol angst, maar als de deur opengaat en het kind veilig is ondergebracht, is het doel van haar moederlijke zorg bereikt. Zo neemt de apostel de gemeente, zoals de moeder haar baby neemt, en legt haar neer aan de voeten van de Heere.

Maar het woord van Zijn genade neemt het kind op in Zijn huis en in Zijn hart, opent de deur van Zijn boezem en spreidt de zoom van de liefde uit over het kind dat op het open veld was weggeworpen op de dag dat het geboren werd. Jullie die beven aan de voetbank van de barmhartigheid, is dit niet wat jullie ziel zoekt? Het is voor jullie niet genoeg dat jullie alleen tot de voetbank van de barmhartigheid worden gebracht. Het stilt jullie angstige hart niet dat jullie alleen in het gebed aan God worden aanbevolen.

Maar wanneer in het dal Achor een “deur der hoop” wordt geopend, wanneer de Heere een woord van vrede tot jullie ziel spreekt, Zijn genadige beloften op jullie hart toepast, door het woord van het leven genade meedeelt en de ziel zegent met een voorsmaak van Zijn gunst en barmhartigheid, dan is jullie verlangen vervuld.

III.- Maar over dit woord van Zijn genade zegt de apostel dat het “machtig is u op te bouwen”. Er was een fundament gelegd in hun hart. Ze waren weggehaald van de zandgrond van het eigen ik. Hun Babelse gerechtigheid was in stukken geslagen, en de baksteen en het slijk waren verstrooid naar de vier windstreken van de hemel. Christus was door de gezegende Geest als fundament in hun ziel gelegd. Tot Hem waren ze gekomen als arme, ellendige zondaren. Ze hadden Hem gegrepen. Hun levende geloof had Zijn Persoon gezien. Ze hadden ervaren hoe uitermate kostbaar Zijn bloed is. Onder Zijn gerechtigheid hadden ze beschutting gezocht. Een mate van Zijn stervende liefde was in hun hart uitgestort. Dit plaatste hen op een vast fundament, de Rots van de eeuwen! Daarop stonden ze dus, en “uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade”.

Daarop moesten ze nu worden gebouwd. Er was maar één ding dat hen zo kon opbouwen: het woord van Gods genade. Waarom? Omdat we van begin tot einde niets geestelijk goeds in ons hart hebben, behalve wat het woord van Gods genade meedeelt. Door het woord van Gods genade worden we eerst van de zandgrond weggehaald. Door het woord van Gods genade worden we op de Rots van de eeuwen gelegd. Door het woord van Gods genade wordt elke steen in het geestelijk gebouw geplaatst. En door het woord van Gods genade wordt eindelijk de hoofdsteen naar voren gebracht, met de toeroep: “Genade, genade zij denzelven!”

Dit is een les die we meestal met veel pijn moeten leren. We zijn er zeer happig op zelf de hand aan het werk te slaan. Net als Uzza moeten we de ark ondersteunen als we haar zien wankelen, en als het geloof waggelt, willen we een helpende hand toesteken. Maar dat schaadt het werk van God aan de ziel. Als het geheel een geestelijk gebouw moet zijn, als wij “levende stenen” zijn, gebouwd op een levend Hoofd, dan moet elke steen in die geestelijke tempel door God de Geest worden gelegd. En dan moet alles wat natuur is, alles wat schepsel en eigen ik is, volkomen worden neergeworpen, zodat Christus alles is.

Zo wordt Christus, en Christus alleen, gevormd in ons hart, de hoop van de heerlijkheid. Door hoeveel beproevingen zijn sommigen van jullie gegaan! Hoeveel scherpe, snijdende worstelingen! Hoeveel kwellende verzoekingen! Hoe vaak is het hart bezweken! Hoeveel vurige pijlen uit de hel! Hoeveel twijfels en vrezen! Hoeveel harde slavernij! Hoeveel schurende ketenen! Hoe vaak is het ijzer zelf in jullie ziel gedrongen! Waarom? Opdat jullie ervan worden afgehouden met eigen handen ook maar één steen aan het geestelijk gebouw toe te voegen.

De apostel zegt ons: “niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is”, namelijk Jezus Christus. Dan spreekt hij over hen die bouwen met “hout, hooi, stoppelen”, en over hen die “goud, zilver, kostelijke stenen” gebruikten, en zegt dat het “hout, hooi, stoppelen” door vuur verbrand moet worden. Als de Heere in het geweten van de zondaar een fundament heeft gelegd, hem dicht bij Zichzelf heeft gebracht, Jezus kostbaar voor zijn ziel heeft gemaakt en hoop en liefde in zijn hart heeft opgewekt, dan grijpt hij maar al te gemakkelijk naar materiaal dat God nooit erkent, “hout, hooi, stoppelen”, en trekt daarmee een zwak bouwsel van eigen maaksel op.

Maar dat bezwijkt in het uur van de beproeving, want het houdt geen enkele windvlaag van verzoeking stand. Eén vonk van de toekomende toorn, één blik op Gods ontzagwekkende majesteit, en dit “hout, hooi, stoppelen” brandt op als stro in de oven. Daarom moet het volk van de Heere door moeilijkheden, beproevingen, worstelingen en verzoekingen, door twijfels en vrezen, en over heel dat kwellende pad dat het gewoonlijk bewandelt. Zo worden ze ervan afgehouden een bouwsel van de natuur op te trekken op het fundament van de genade: “hout, hooi, stoppelen” op het heerlijke geheimenis van een mensgeworden God.

Maar het woord van Gods genade is “machtig” hen op te bouwen. Hebben jullie geleden onder verzoeking en zijn jullie eruit verlost? Het woord van Gods genade heeft jullie opgebouwd. Zijn jullie in zware beproeving geweest, heeft de Heere jullie daarin gezegend en eruit geleid? Het woord van Gods genade heeft jullie opgebouwd. Zijn jullie verstrikt geraakt in een dwaling en heeft de Heere jullie uit die dwaling gerukt door een deel van Zijn waarheid op jullie ziel toe te passen? Het woord van Gods genade heeft jullie opgebouwd. Waren jullie verstrikt in de lusten van het vlees, neergeworpen door een strik van de duivel, en heeft de Heere jullie daaruit verlost?

Het woord van Zijn genade heeft jullie opgebouwd. We worden niet opgebouwd door vleselijke heiligheid, door schepselsvroomheid, door lange en luide gebeden, door de daden en plichten van het vlees. Nee, zelfs niet door gezonde leerstellingen die in ons hoofd rondzweven. We worden opgebouwd door het woord van Gods genade, dat met goddelijke kracht op het hart wordt toegepast.

Maar datzelfde woord van genade wordt voor onze ziel meestal pas passend als we in de omstandigheden komen waarvoor het geschikt is. Is genade niet vrije gunst? En is het woord van Gods genade niet het middel waardoor deze vrije gunst wordt geopenbaard? Kan ik de hoogten, de diepten, het overvloeien, de vrijheid, de soevereiniteit en de almachtige kracht van de genade leren kennen, anders dan door te waden door de omstandigheden waarvoor zij bestemd is? Moet ik me niet eerst een schuldig zondaar voelen voordat genade zoet kan zijn? Moet ik niet de overvloed van innerlijke zonde kennen voordat het overvloedig overvloeien van Gods genade kostbaar kan zijn?

Moet ik niet iets weten van die bron van het kwaad die ik in mij draag, en mijn borst ontbloot zien met al haar verborgen gruwelen, voordat ik de genade kan kennen die bedekt, vergeeft en geneest? En deze genade kan ik alleen kennen door het woord van Gods genade, met andere woorden: door de zoete openbaring, de zalvende toepassing en de goddelijke onthulling van het evangelie van de genade van God.

Zo leidde de apostel hen er niet toe te rusten op hun eigen kracht en wijsheid, maar te leven van de bronvolheid van de grote, glorierijke, opgestane Middelaar. Dit is de enige weg om iets van genade te leren kennen. Ik kan al mijn dagen over genade horen en toch onwetend daarvan sterven. Ik kan onder predikers zitten die niets dan genade prediken en er toch in mijn hart even ver van af zijn als de satan zelf. Maar als het woord van Gods genade in mijn hart valt, als het de Heere de Geest behaagt Zijn eigen kostbare waarheid in mijn ziel te zenden en door dat woord een besef van Zijn overvloeiende genade mee te delen, dan, en alleen dan, is zij de mijne.

Er is ook geen andere manier om geestelijk opgebouwd te worden. Leerstellingen kunnen jullie niet opbouwen. Verdorvenheden kunnen jullie niet opbouwen. Twijfels en vrezen kunnen jullie niet opbouwen. Beproevingen en worstelingen kunnen jullie niet opbouwen. Verzoekingen kunnen jullie niet opbouwen. Zware verliezen in de voorzienigheid en snijdende verdrukkingen in de genade kunnen jullie niet opbouwen. Die breken af, ze werpen neer, ze verstrooien het “hout, hooi, stoppelen” naar de winden. Ze laten jullie achter in een wilde, kale woestijn, in een woeste, huilende wildernis. Maar het woord van Gods genade, uit Christus’ onuitputtelijke, goddelijke volheid aan de ziel meegedeeld, bouwt als enige op.

Alle andere bouw is een grondeloos bouwsel, een kaartenhuis, een luchtkasteel, een nevel die voor de wind wordt weggedreven.

IV.- Maar er was nog iets: “en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.” Er is dus een volk dat geheiligd is, dat wil zeggen:

1. afgezonderd in het verbond, in Gods eeuwige besluiten, en

2. geheiligd door het werk van de gezegende Geest in hun hart, waardoor ze bekwaam gemaakt worden voor “de erve der heiligen in het licht”. Door het eerste waren ze afgescheiden door Gods oorspronkelijke besluit en voornemen. Dat maakte hen tot “een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk”. “Heiligen” is: afzonderen als het bijzondere eigendom van God. Zo zegt God tot Mozes: “Heilig Mij alle eerstgeborenen” Ex. 13:2, wat Hij in Ex. 13:12 uitlegt als een afzondering voor de HEERE. Zo heiligde God ook de zevende dag, door haar als sabbat af te zonderen van de andere dagen van de week. Dit is de enige oorspronkelijke wortel en bron van heiligheid. Mensen maken zichzelf niet heilig door een daad van hun eigen vrije keuze, zodat ze zich door die heiligheid bij God aanbevelen en de hemel verwerven. Dat is papisme.

Heiligheid bestaat niet in een bepaald aantal plichten die vervuld moeten worden, gebeden die gezegd moeten worden, sacramenten en verordeningen die bijgewoond moeten worden, aalmoezen die gegeven moeten worden, hartstochten die bedwongen moeten worden, kleding die gedragen moet worden of tranen die geschreid moeten worden. Vrucht moet, om vrucht te zijn, aan een boom groeien, door sap gevoed worden, door de zon rijp worden en door regenbuien verkwikt worden. Ze is een levend voortbrengsel van een goddelijk werktuig. Bloemen en vruchten kunnen uit was worden gevormd, en zo mooi dat men ze nauwelijks van echte kan onderscheiden. Maar ze missen geur, sap en smaak.

Zo is menselijke heiligheid: een gevormde, beschilderde, kunstmatige nabootsing van de “edele vruchten, cyprus met nardus; Nardus en saffraan, kalmus en kaneel” die in de hof van de Beminde groeien. Christus is de Heilige Israëls. Het Hoofd van de gemeente is heilig, in Zichzelf en voor eeuwig. De leden zijn heilig omdat ze met dat Hoofd verenigd zijn. Een heilig Hoofd kan geen onheilige leden hebben. Zo is Christus de heiligmaking van de gemeente: zij is heilig in Zijn heiligheid, evenals rechtvaardig in Zijn gerechtigheid. Dit is de wortel. Daaruit komt de persoonlijke, innerlijke heiligmaking door het wedergeboortewerk van de Heilige Geest.

Hij geeft het nieuwe hart en de nieuwe geest. Hij deelt heilige verlangens, genegenheden, zuchten en genietingen mee, met elke genadevrucht: Hij werkt berouw en godvruchtig verdriet over de zonde, gebrokenheid van hart en verbrijzeling van geest, tederheid van geweten, geloof, hoop en liefde, zachtmoedigheid, overgave, nederigheid, gebedsgeest en waakzaamheid, het afwijken van het kwade en het aanhangen van al het goede. En Hij werkt al die uiterlijke vruchten van gerechtigheid, die tot Gods eer zijn. Dit is evangelische heiligheid, heiligheid als de bijzondere gave en het werk van de Heilige Geest. Het is de enige ware en aanvaardbare heiligheid, en zonder die zal niemand de Heere zien.

Wie zo geheiligd zijn, hebben een eeuwig erfdeel, als erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus. Alle andere heiligheid is de heiligheid van de pij en het klooster, een monnikachtig farizeïsme, met bijgeloof als wortel, onwetendheid als steun, hoogmoed als vrucht en de vloek van God als einde.

Hoe anders is dat goddelijke werk, dat jullie hart doet smelten en breken, oplost en laag neerlegt in aanbidding aan de voeten van Hem Die jullie liefhad en Zichzelf voor jullie gaf. Dit is een erfdeel “onder al de geheiligden”. Wie in Gods eeuwig voornemen waren afgezonderd, zijn uitverkoren tot het genieten van dit erfdeel. Zij hebben de eerstelingen van de Geest, die het woord van Gods genade meedeelt als het in het hart valt. Want dat brengt licht, leven, vrijheid, liefde, gelijkvormigheid aan het beeld van Jezus, een vernieuwing in de geest van het gemoed en een afscheiding van de wereld en al haar vergankelijke ijdelheden en bekoringen. En het drukt in het hart een mate van Christus’ zaligheid. Dit alles gebeurt geheel en uitsluitend door het woord van Gods genade. Past dit niet bij de zondaar?

Stel dat het zo was, God verhoede dat het ook maar een ogenblik zo zou zijn, dat ik door eigen inspanning eerst genade in mijn hart moest brengen en zo het fundament leggen. En dat ik door eigen inspanning het werk moest voortzetten en zo het bouwwerk moest optrekken. Zou ik dan niet falen, volkomen falen? Maar nu doet genade alles, van begin tot einde. Genade schreef de namen van Gods volk in het boek van het leven. Genade gaf hen aan Jezus om te verlossen. Genade maakte op Gods bestemde tijd hun ziel levend. Genade openbaarde aan hun geweten de reinigende kracht van Christus’ bloed.

Genade zal hen veilig door al hun beproevingen en verzoekingen brengen, zal volbrengen wat hen aangaat, en moet en zal heersen door gerechtigheid tot het eeuwige leven. Hoe passend, hoe meer dan passend is dit voor een arme, schuldige zondaar, die niets heeft en in zichzelf niets anders voelt dan lompen en ondergang! Het woord van Gods genade legt in de hand van de Geest het fundament. Het woord van Gods genade maakt Jezus bekend in het eeuwige evangelie en richt zo het bouwwerk op. Het woord van Gods genade draagt door de armen van de dood heen en zet zo de dekstenen erop.

En de gewelven van de hemel zullen eeuwig de lof laten klinken van de heerlijkheid van die genade die hen “begenadigd heeft in den Geliefde”. Elk levend verlangen naar de Heere, elk levend besef van Zijn genade en heerlijkheid, elke smeltende liefde voor Zijn lieflijke Persoon, elke ontvangst van Hem in het hart als de Christus van God, elke daad van geloof, hoop of liefde, elke uitademing van de ziel in Zijn boezem is een teken, en meer dan een teken, een onloochenbaar bewijs dat de genade van God in de borst van een zondaar is. En als de genade van God in de borst van een zondaar is, dan is hij in Christus, één met Christus.

Dan zal het woord van Zijn genade hem meer en meer opbouwen en hem dieper laten drinken van zijn eeuwige erfdeel “onder al de geheiligden”.

Misschien zijn hier arme, beproefde, bestreden, verzochte kinderen van God voor wie dit nieuws bijna te goed lijkt om waar te zijn.

Maar waar komen hun beproevingen en worstelingen vandaan? Wat is de kern ervan? Is het niet dit: het boze hart dat zij in hun borst dragen? Is het niet de hoogmoed, het ongeloof, de duisternis, de verzoekingen, de twijfels en vrezen, de zonden en ongerechtigheden en de vele lasten en moeilijkheden die zij bij elke stap tegenkomen? Zij zitten vast en gebukt onder zoveel innerlijke en uiterlijke beproevingen. Daardoor kunnen zij blijkbaar niet beseffen dat de genade in hen is en dat de heerlijkheid hen wacht. Hun handen hangen neer en hun knieën wankelen. Maar wat past het woord van Gods genade goed bij hen!

Is genade niet juist wat zij nodig hebben? Is er geen bronvolheid van genade in de boezem van de Verlosser, altijd stromend en overstromend? En stroomt die niet rijkelijk en vrij door het woord van Zijn genade, dat zij in hun hart en in hun handen hebben? Hoe zou het anders tot hen komen dan om niet? Hebben zij soms geen andere genade dan wat zij zelf verdienen? En wordt genade voorzichtig, krenterig en gierig uitgedeeld, zoals geld uit de beurs van een vrek? Nee. God is Degene “Die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt”. “Zo is veel meer de genade Gods, en de gave door de genade, die daar is van een mens Jezus Christus, overvloedig geweest over velen.”

Jezus geeft als Koning, uit koninklijke mildheid, zoals Salomo aan de koningin van Scheba. Wees eerlijk tegenover jullie zelf. Wees eerlijk over wat God jullie gegeven heeft. Hebben jullie Jezus nooit kostbaar gevonden? Hebben jullie nooit jullie hart uitgestort aan Zijn voeten? Hebben jullie nooit door het geloof een glimp van Zijn lieflijke Persoon gezien? Hebben jullie nooit iets gevoeld van de kracht van Zijn zoenend bloed? Nooit Zijn geschiktheid gezien? Hem nooit nabij en dierbaar gevoeld voor jullie ziel? Nooit die geestelijke gezindheid geproefd die leven en vrede is? Als jullie dat wel hebben, dan hebben jullie een erfdeel “onder al de geheiligden”. Want hoe worden wij “geheiligd”? Is het niet door het woord van de waarheid? De Heere zei het zelf: “Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.” En hebben jullie niet soms gevoeld dat het woord van de waarheid heilige, hemelse gewaarwordingen en aandoeningen in jullie hart voortbracht? Is dit geen heiliging?

Maar jullie zeggen: ik kan niet ontkennen dat ik dit heb ervaren, maar “als dat zo is, waarom ben ik dan zo? Waarom ben ik weken en maanden achtereen zo donker? Waarom zijn mijn genegenheden zo koud? Waarom ben ik zo dood in mijn gesteldheid? Waarom zit ik zo vaak opgesloten in slavernij? Waarom word ik zo gekweld door de satan? Waarom word ik zo geplaagd door een leger van twijfels en vrezen? Waarom is de Heere zo afwezig? Waarom is de zonde zo aanwezig? Waarom sluit Hij mijn gebed buiten? Waarom laat Hij mij in het donker struikelen, als zij die naar de morgen verlangen?” Op deze klachten kunnen we maar al te vaak antwoorden: “Doet gij dit niet zelven?” “Ziet, de hand des HEEREN is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen; en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen. Maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen ulieden en tussen uw God, en uw zonden verbergen het aangezicht van ulieden, dat Hij niet hoort.” Zijn er geen Achans in het leger?

Geen gouden tong, geen Babylonisch gewaad onder de tent? Wordt er geen heimelijke zonde gekoesterd, staat er geen afgod in het hart? Maar als hier alles in orde is, kan het zijn om jullie jullie zwakheid te laten zien, om jullie “hout, hooi, stoppelen” te verbranden, om jullie armer en naakter aan Zijn voeten te brengen, om jullie eigengerechtigheid en vleselijke wijsheid af te snijden en de rechterarm van de kracht van het schepsel in stukken te breken.

Juist die worstelingen, twijfels, vrezen, verzoekingen, moeilijkheden en lasten waardoor jullie ziel zo gekweld wordt, zijn bedoeld om te ledigen, opdat God vulle, om te ontkleden, opdat Hij kan kleden, om neer te halen, opdat Hij kan verhogen, om jullie niets te maken, opdat Christus alles in allen zij. Hebben jullie nooit iets in jullie ziel gehad dat zo voelde: hoe dieper jullie in jullie zelf zonken, hoe passender en kostbaarder de Zaligmaker werd? Zijn er geen ogenblikken geweest dat er midden in jullie worstelingen zo’n licht en leven, zo’n vrijheid en liefde binnenkwam, dat jullie Jezus in de armen van een levend geloof konden omvatten en voelden dat jullie in zulke gevoelens in vrede zouden kunnen sterven?

Jullie hebben het erfdeel gehad. Wat is dit anders dan het erfdeel zelf, het Koninkrijk van God Zelf in de ziel: “het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door den Heiligen Geest”? En wat bracht het bij jullie? Jullie beloften, geloften, voornemens, inspanningen, daden, plichten? Nee. Het was het woord van Gods genade: een zoete belofte die precies bij jullie geval paste, een gedeelte van de Schrift dat voor jullie hart werd opengelegd, iets wat jullie bijna van zich af duwden omdat jullie voelden hoe onverdiend het was dat God zelfs maar naar zo’n ellendeling als jullie omzag.

Toch was het dit woord van Gods genade dat deze voorsmaak, dit onderpand van het erfdeel hierboven in jullie ziel hierbeneden bracht.

Als jullie dan in de bevinding van jullie ziel een van deze goddelijke kentekenen kunnen vinden, deze witte keurstenen, liefdestekenen, verlovingspanden, dan is het goed met jullie voor leven en dood, voor tijd en eeuwigheid! Laat mij deze tekenen van de verloving, deze bruidsringen, nog eens omhooghouden en ze vergelijken met jullie bevinding. Als Jezus ooit kostbaar voor jullie was, als jullie ooit de kracht van Zijn zoenend bloed in jullie geweten hebben gevoeld, als jullie ziel ooit in zoete liefde aan Zijn voeten is weggesmolten, als Hij jullie ooit met één woord van genade uit Zijn eigen mond heeft gezegend, dan heeft Hij jullie een erfdeel “onder al de geheiligden” gegeven. Als jullie de hemel hier hebben gehad, zullen jullie de hemel hierna hebben. Als jullie Jezus ooit door het oog van het geloof hier beneden hebben gezien, zullen jullie Jezus hierna zien met het oog van het gezicht daarboven.

Met welke betere woorden kan ik jullie verlaten aan het einde van dit bezoek dan met de woorden die de apostel gebruikte bij een bijna gelijke gelegenheid? Niet dat ik mij ook maar een ogenblik durf te vergelijken met hem, of jullie met hen. Toch, op onze zwakke wijze: met welke betere woorden kan ik afscheid van jullie nemen dan jullie aan te bevelen “Gode, en den woorde Zijner genade”, “Die machtig is” jullie “een erfdeel te geven onder al de geheiligden”? En mag dit onze toenemende bevinding zijn: eenvoudiger en vuriger te hangen aan de God van alle genade en van tijd tot tijd zoete mededelingen van het woord van Zijn genade in ons hart te ontvangen.

Dan zullen we, zoals we hier rondom de troon van de genade zijn samengekomen, hierna samenkomen rondom de troon van de heerlijkheid. Zoals we ons hier in het woord van Zijn genade hebben verheugd en een mate van “de erve der heiligen” hierbeneden hebben gevoeld, zo is dat een voorspel, een onderpand, een voorsmaak van het eeuwig gewicht van de heerlijkheid daarboven. Daarheen moge de Heere ons brengen, om Zijn eigen heerlijke en kostbare Naam wil.

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!