Als Ik u voorbijging, zag ik u. Ezechiël 16:6,8
De hopeloze, rampzalige en hulpeloze toestand van de Kerk door de zondeval en het grote mededogen van de gezegende Heere als haar Verbondshoofd en Bruidegom worden op prachtige wijze beschreven door de profeet Ezechiël als hij haar met een arme, in de steek gelaten peuter vergelijkt die om de walgelijkheid van haar ziel naar het vlakke veld is verstoten op de dag dat zij werd geboren. Geen oog had medelijden over haar, geen hand werd uitgestoken om haar op enigerlei wijze te verzorgen of eten, warmte of bescherming te geven. Aan haar lot overgelaten om te sterven zou zij beslist, – als niet Hij die ‘zeer barmhartig is en een Ontfermer’ medelijden met haar had gehad (Jak. 5:11), als niet Hij wiens liefde alle verstand te boven gaat haar had liefgehad – in een onpeilbare diepte van eeuwigdurende smart zijn gezonken. Maar juist in dit uur van haar nood kwam Hij voorbij en het werd een tijd der minne, want Hij spreidde Zijn vleugel over haar uit en zwoer haar, kwam met haar in een verbond, en zij werd de Zijne (Ez. 16). Maar voordat zij zich in Zijn armen kon laten sluiten, moest Hijzelf al haar vuil afwassen in de fontein van Zijn eigen bloed, haar zalven met de olie van Zijn genade en de verkwikkende, heiligende invloeden van de Heilige Geest, en haar bekleden met gestikt werk, zelfs de rechtvaardigheid die Hij voor haar schiep door Zijn eigen actieve en lijdende gehoorzaamheid, de drie zegeningen waarover de apostel spreekt als het huidige deel van de heiligen Gods: ‘En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in de Naam van de Heere Jezus, en door de Geest onzes Gods’ (Ezech. 16:5-10; 1 Kor. 6:11).
Lezen: Ezechiël 16:1-14