9 augustus
De oprechten gaat het licht op in de duisternis.
Psalm 112:4
Wij gaan menigmaal op zulke duistere paden, dat wij het spoor geheel bijster zijn en in de gewaarwording verkeren dat er evenmin genade in onze ziel is als bij iemand die geheel dood is in de zonde en in de misdaden. En of wij nu terugblikken in het verleden, of het tegenwoordige beschouwen, of onze ogen slaan in de toekomst, er schijnt een donkere wolk over alles te liggen. Ook kunnen wij met al ons onderzoek niet tot onze bevrediging bespeuren dat wij een greintje ware godsdienst of een stofje genade of levendige godzaligheid bezitten, of enig bewijs dat de Geest Gods onze consciëntie met Zijn vinger heeft aangeraakt.
Welnu, wanneer wij ons in deze donkere verlatenheid bevinden, hebben wij licht nodig. Wij hebben nodig dat de gezegende Zon der gerechtigheid over ons opgaat; wij hebben nodig dat de Zuidenwind een hemelse koelte over onze zielen blaast en de mist verdrijft; wij hebben nodig dat het wolkendek breekt en het licht van Gods aanschijn in onze zielen schijnt, opdat wij weten mogen waar en wat wij zijn, en het ons duidelijk worde dat, hoe laag en onrein wij ook zijn, wij nochtans deel hebben in de liefde des Vaders, in het bloed des Zoons en in de onderwijzingen des Heiligen Geestes.
En wanneer Zijn Woord begint te druppen als de regen en te vloeien als de dauw, wanneer het de Heere behaagt een vriendelijk bewijs, een woordje of een vriendelijke wenk in ons hart te brengen, wat een verandering heeft dan plaats! De wolken scheiden zich vaneen, de mist klaart op, de dampen verdwijnen, en de ziel wordt zoetelijk overreed van haar aandeel in het bloed en de liefde van het Lam.
Aan de lezer…
Weet u geen weg meer, en bent u het spoor geheel bijster? Ziet u terug, rondom en vooruit, en ligt er over alles een donkere wolk? Kunt u met al uw onderzoek geen greintje genade in uzelf ontdekken, zodat u vreest dat u nog dood bent in de zonden? Weet dan dat zulke duistere paden ook door de oprechten betreden worden, en dat het niet aan u is het licht te doen opgaan.
Hier helpt geen eigen kracht; u hebt licht nodig, en dat licht moet van boven komen. Maar de belofte staat: „De oprechten gaat het licht op in de duisternis.” Eén woordje van de Heere, één vriendelijke wenk in het hart, en de wolken scheiden zich, de mist klaart op. Wacht dan op Hem, Wiens Woord druppelt als de regen en vloeit als de dauw. Hoe laag en onrein u ook bent, Hij kan uw ziel zoetelijk overreden van haar aandeel in het bloed en de liefde van het Lam.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De oprechten gaat het licht op in de duisternis.
Psalm 112:4
Wij gaan vaak over zulke duistere paden dat wij het spoor helemaal bijster zijn. Dan hebben wij het gevoel dat er evenmin genade in onze ziel is als bij iemand die geheel dood is in de zonden en de misdaden. En of wij nu terugkijken naar het verleden, het heden beschouwen of onze ogen op de toekomst richten, er lijkt een donkere wolk over alles te liggen. Ook kunnen wij met al ons onderzoek niet tot onze voldoening ontdekken dat wij een greintje ware godsdienst bezitten, een stofje genade of levende godzaligheid, of enig bewijs dat de Geest van God ons geweten met Zijn vinger heeft aangeraakt.
Welnu, wanneer wij in deze donkere verlatenheid verkeren, hebben wij licht nodig. Wij hebben nodig dat de gezegende Zon der gerechtigheid over ons opgaat. Wij hebben nodig dat de zuidenwind een hemelse koelte over onze ziel blaast en de mist verdrijft. Wij hebben nodig dat het wolkendek breekt en het licht van Gods aangezicht in onze ziel schijnt, zodat wij mogen weten waar en wat wij zijn. Dan wordt het ons duidelijk dat wij, hoe laag en onrein wij ook zijn, toch deel hebben aan de liefde van de Vader, aan het bloed van de Zoon en aan het onderwijs van de Heilige Geest.
En wanneer Zijn Woord begint te druppelen als de regen en te vloeien als de dauw, wanneer het de Heere behaagt een vriendelijk bewijs, een woordje of een vriendelijke wenk in ons hart te brengen, wat een verandering vindt er dan plaats! De wolken gaan uiteen, de mist trekt op, de dampen verdwijnen, en de ziel wordt op zoete wijze overtuigd van haar deel aan het bloed en de liefde van het Lam.
Aan de lezer…
Weet u geen weg meer, en bent u het spoor helemaal bijster? Kijkt u terug, om u heen en vooruit, en ligt er over alles een donkere wolk? Kunt u met al uw onderzoek geen greintje genade in uzelf ontdekken, zodat u vreest dat u nog dood bent in de zonden? Weet dan dat zulke duistere paden ook door de oprechten betreden worden, en dat het niet aan u is om het licht te laten opgaan.
Hier helpt geen eigen kracht; u hebt licht nodig, en dat licht moet van boven komen. Maar de belofte staat: „De oprechten gaat het licht op in de duisternis.” Eén woordje van de Heere, één vriendelijke wenk in het hart, en de wolken gaan uiteen, de mist trekt op. Wacht dan op Hem, Wiens Woord druppelt als de regen en vloeit als de dauw. Hoe laag en onrein u ook bent, Hij kan uw ziel op zoete wijze overtuigen van haar deel aan het bloed en de liefde van het Lam.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Unto the upright there ariseth light in the darkness.”
Psalm 112:4
We often get into such dark paths, that we seem altogether out of the ways of God, and feel as if there were no more grace in our souls, than in one altogether dead in trespasses and sins. And whether we look back at the past, or view the present, or turn our eyes to the future, one dark cloud seems to rest upon the whole; nor can we, with all our searching, find to our satisfaction that we have one spark of true religion, or one atom of grace, or one grain of vital godliness, or any trace that the Spirit of God has touched our consciences with His finger.
Now, when we are in this dark, benighted state, we need light; we need the blessed Sun of righteousness to arise; we need the south wind to blow a heavenly gale, and drive the mists away; we need the clouds to part, and the light of God’s countenance to shine into our souls, so as to show us where we are, and what we are, and make it clear, that base and vile as we are, yet that we have a saving interest in the love of the Father, the blood of the Son, and the teachings of the Holy Spirit.
And when His Word begins to distill like the rain and to drop like the dew, when the Lord Himself is pleased to speak home one sweet testimony, one little word, one kind intimation—what a change it makes! The clouds break away, the fog clears off, the mists dissolve, and the soul becomes sweetly persuaded of its saving interest in the blood and love of the Lamb.
To the reader…
Are you at your wits’ end, and have you lost the track altogether? Do you look back, around you, and ahead, and does a dark cloud rest over everything? Can you, with all your searching, discover no grain of grace in yourself, so that you fear you are still dead in sins? Know, then, that such dark paths are trodden by the upright too, and that it is not up to you to make the light arise.
No strength of your own helps here; you need light, and that light must come from above. But the promise stands: “Unto the upright there ariseth light in the darkness.” One little word from the Lord, one kind intimation in the heart, and the clouds break apart, the mist lifts. Wait, then, upon Him, Whose Word drops as the rain and distils as the dew. However base and vile you may be, He can sweetly persuade your soul of its interest in the blood and love of the Lamb.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Resplandeció en las tinieblas luz a los rectos.
Salmo 112:4
Con frecuencia entramos en sendas tan oscuras que parecemos estar del todo fuera de los caminos de Dios, y sentimos como si no hubiera más gracia en nuestra alma que en uno que está enteramente muerto en delitos y pecados. Y ya sea que miremos atrás al pasado, o consideremos el presente, o volvamos los ojos al futuro, una nube oscura parece descansar sobre todo; ni podemos, con todo nuestro buscar, hallar a nuestra satisfacción que tengamos una chispa de verdadera religión, o un átomo de gracia, o un grano de piedad vital, o huella alguna de que el Espíritu de Dios haya tocado nuestra conciencia con Su dedo.
Ahora bien, cuando estamos en este estado oscuro y entenebrecido, necesitamos luz; necesitamos que el bendito Sol de justicia se levante; necesitamos que el viento del sur sople una brisa celestial y disipe las brumas; necesitamos que las nubes se abran y que la luz del rostro de Dios brille en nuestra alma, para mostrarnos dónde estamos y qué somos, y dejar claro que, por bajos y viles que seamos, tenemos sin embargo una parte salvadora en el amor del Padre, la sangre del Hijo y las enseñanzas del Espíritu Santo.
Y cuando Su Palabra comienza a destilar como la lluvia y a caer como el rocío, cuando el Señor mismo se complace en hablar al corazón un dulce testimonio, una pequeña palabra, una bondadosa insinuación, ¡qué cambio produce! Las nubes se deshacen, la niebla se aclara, las brumas se disuelven, y el alma llega a estar dulcemente persuadida de su parte salvadora en la sangre y el amor del Cordero.
Al lector…
¿Está usted al límite de sus fuerzas y ha perdido del todo el rastro? ¿Mira atrás, alrededor y adelante, y descansa una nube oscura sobre todo? ¿No puede, con todo su buscar, descubrir en sí mismo ni un grano de gracia, de modo que teme estar aún muerto en pecados? Sepa, entonces, que también los rectos andan por tales sendas oscuras, y que no le corresponde a usted hacer que la luz se levante.
Ninguna fuerza propia sirve aquí; usted necesita luz, y esa luz ha de venir de lo alto. Pero la promesa permanece: “Resplandeció en las tinieblas luz a los rectos.” Una pequeña palabra del Señor, una bondadosa insinuación en el corazón, y las nubes se abren, la bruma se levanta. Espere, pues, en Aquel cuya Palabra cae como la lluvia y destila como el rocío. Por bajo y vil que usted sea, Él puede persuadir dulcemente a su alma de su parte en la sangre y el amor del Cordero.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl