5 februari
Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, de Springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen; gebroken bakken, die geen water houden.
Jeremia 2:13
Er is niets zo beroerend als de herinnering van het afwijken van een goed en heilig God. Er is niets dat een tedere consciëntie meer wondt, dan te hebben gezondigd tegen bewezen barmhartigheid en geopenbaarde zaligheid. Het schijnt bijna gelijk of men de Geest der genade smaadheid heeft aangedaan, of dat wij het bloed des Testaments, waardoor wij geheiligd waren, onrein geacht hebben; alsof wij onze beste Vriend nog erger onthaald hadden dan Zijn vijanden dit gedaan hebben. En wanneer deze dingen op ons gemoed gebracht en met gewicht en kracht op onze consciëntie gelegd worden, dan zinken wij soms zó ver weg in moedeloosheid en droefgeestigheid, dat bijna al onze hoop vergaat.
Maar de Heere is zeer genadig en barmhartig degenen die Zijn Naam vrezen. Hij wendt Zich tot het geroep der gans ontbloten en versmaadt niet hunlieder gebed. Hij luistert naar de zuchtingen en de belijdenis van het berouwhebbende hart en de verbroken en verslagen geest; en ofschoon Hij te allen tijde het hoge zal vernederen, zal Hij toch het nederige verhogen. Hij zal nooit Zijn rechtvaardige aanspraak op Zijn volk opgeven. Als Hij ons gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed, dan zal Hij nooit toestaan dat deze koop door de boosaardigheid van de satan of door de goddeloosheid van onze natuur tenietgedaan wordt.
Hoe doorslaggevend zijn deze woorden: „Gij hebt met vele boeleerders geboeleerd; keert nochtans weder tot Mij, zegt de Heere. Keert weder, gij afkerige kinderen, zegt de Heere, want Ik heb u getrouwd. Keert weder, gij afkerige kinderen, en Ik zal uw afkeringen genezen.” En zullen wij niet antwoorden: „Zie, wij komen tot U; want Gij zijt de Heere, onze God. Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk, in de Heere onze God is Israëls heil”, Jeremia 3:23.
Aan de lezer…
Kent u dat, dat de herinnering aan uw afwijkingen u neerdrukt? Hebt u gezondigd tegen bewezen barmhartigheid, en voelt u dat u uw beste Vriend erger hebt behandeld dan Zijn vijanden deden? Dan weet u hoe diep zo’n wond kan gaan, en hoe de hoop er bijna onder bezwijkt. U hebt de Springader des levenden waters verlaten en gebroken bakken uitgehouwen, en nu ervaart u dat die geen water houden.
Maar hoor, de Heere is zeer genadig en barmhartig degenen die Zijn Naam vrezen. Hij versmaadt het gebed der gans ontbloten niet, en Hij luistert naar de zuchtingen van een verslagen geest. Wat Hij met Zijn dierbaar bloed gekocht heeft, laat Hij niet los. Daarom roept Hij nog: „Keert weder, gij afkerige kinderen, en Ik zal uw afkeringen genezen.” Wil dan niet langer bij uw bakken blijven staan, maar antwoord Hem: „Zie, wij komen tot U; want Gij zijt de Heere, onze God.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, de Springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen; gebroken bakken, die geen water houden.
Jeremia 2:13
Er is niets zo ontroerend als de herinnering dat men is afgeweken van een goed en heilig God. Er is niets wat een teder geweten dieper wondt dan gezondigd te hebben tegen bewezen barmhartigheid en geopenbaarde zaligheid. Het lijkt bijna alsof men de Geest der genade smaad heeft aangedaan, of alsof wij het bloed van het testament, waardoor wij geheiligd waren, onrein hebben geacht; alsof wij onze beste Vriend nog erger behandeld hebben dan Zijn vijanden deden. En wanneer deze dingen ons voor de geest worden gebracht en met gewicht en kracht op ons geweten worden gelegd, dan zinken wij soms zo ver weg in moedeloosheid en neerslachtigheid dat bijna al onze hoop vergaat.
Maar de Heere is zeer genadig en barmhartig voor hen die Zijn Naam vrezen. Hij wendt Zich tot het gebed van de geheel ontblote en versmaadt hun gebed niet. Hij luistert naar de zuchten en de belijdenis van het berouwvolle hart en de verbroken en verslagen geest. En hoewel Hij te allen tijde het hoge zal vernederen, zal Hij toch het nederige verhogen. Hij zal Zijn rechtmatige aanspraak op Zijn volk nooit opgeven. Als Hij ons gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed, dan zal Hij nooit toestaan dat deze koop door de boosaardigheid van de satan of door de goddeloosheid van onze natuur tenietgedaan wordt.
Hoe doorslaggevend zijn deze woorden: „Gij hebt met vele boeleerders geboeleerd; keert nochtans weder tot Mij, zegt de Heere. Keert weder, gij afkerige kinderen, zegt de Heere, want Ik heb u getrouwd. Keert weder, gij afkerige kinderen, en Ik zal uw afkeringen genezen.” En zullen wij dan niet antwoorden: „Zie, wij komen tot U; want Gij zijt de Heere, onze God. Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk, in de Heere onze God is Israëls heil”, Jeremia 3:23.
Aan de lezer…
Kent u dat, dat de herinnering aan uw afwijkingen u neerdrukt? Hebt u gezondigd tegen bewezen barmhartigheid, en voelt u dat u uw beste Vriend erger hebt behandeld dan Zijn vijanden deden? Dan weet u hoe diep zo’n wond kan gaan, en hoe de hoop er bijna onder bezwijkt. U hebt de Springader des levenden waters verlaten en gebroken bakken uitgehouwen, en nu ervaart u dat die geen water houden.
Maar hoor: de Heere is zeer genadig en barmhartig voor hen die Zijn Naam vrezen. Hij versmaadt het gebed van de geheel ontblote niet, en Hij luistert naar de zuchten van een verslagen geest. Wat Hij met Zijn dierbaar bloed gekocht heeft, laat Hij niet los. Daarom roept Hij nog: „Keert weder, gij afkerige kinderen, en Ik zal uw afkeringen genezen.” Blijf dan niet langer bij uw bakken staan, maar antwoord Hem: „Zie, wij komen tot U; want Gij zijt de Heere, onze God.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For my people have committed two evils; they have forsaken me the fountain of living waters, and hewed them out cisterns, broken cisterns, that can hold no water.
Jeremiah 2:13
There is nothing so piercing as the remembrance of backsliding against a good and holy God. There is nothing so wounding to a tender conscience as having sinned against manifested mercy and revealed salvation. It seems almost like doing despite to the Spirit of grace; almost like trampling under foot the blood of the covenant whereby we were sanctified, and treating our best Friend worse than His very enemies treated Him. And as these things are brought to mind, and laid upon the conscience with weight and power, they will sometimes sink us very low into despondency and gloom so as almost to take away our very hope.
But the Lord is very merciful and compassionate to those who fear His Name. He regards the prayer of the destitute, and will not despise their cry. He listens to the sighs and confessions of the penitent heart, and broken, contrite spirit; and thus, though He will ever abase him that is high, He will exalt him that is low. He will never give up His rightful claim to His people. If He has bought us with His precious blood, He will never allow that purchase to be annulled by the malice of Satan or by the wickedness of our own nature.
How striking are those words, “You have played the harlot with many lovers; yet return again to Me, says the Lord.” And again, “Turn, O backsliding children, says the Lord, for I am married unto you.” “Return, O backsliding children, and I will heal your backslidings.” And shall we not answer, “Behold, we come unto you, for you are the Lord our God! Truly in vain is salvation hoped for from the hills, and from the multitude of mountains—truly in the Lord our God is the salvation of Israel” (Jer. 3:23).
To the reader…
Do you know what it is for the memory of your backslidings to weigh you down? Have you sinned against mercy shown to you, and do you feel that you have treated your best Friend worse than His enemies did? Then you know how deep such a wound can go, and how hope almost gives way beneath it. You have forsaken the Fountain of living waters and hewn out broken cisterns, and now you find that they can hold no water.
But listen: the Lord is very gracious and merciful to those who fear His Name. He does not despise the prayer of the destitute, and He listens to the sighs of a contrite spirit. What He has bought with His precious blood, He does not let go. That is why He still calls, “Return, ye backsliding children, and I will heal your backslidings.” Do not stand any longer by your cisterns, then, but answer Him, “Behold, we come unto Thee; for Thou art the LORD our God.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque dos males ha hecho Mi pueblo: dejáronme a Mí, fuente de agua viva, por cavar para sí cisternas, cisternas rotas que no detienen aguas.
Jeremías 2:13
Nada hay tan penetrante como el recuerdo de haberse apartado de un Dios bueno y santo. Nada hiere tanto a una conciencia tierna como haber pecado contra una misericordia manifestada y una salvación revelada. Parece casi como hacer afrenta al Espíritu de gracia; casi como hollar la sangre del pacto en la cual fuimos santificados, y tratar a nuestro mejor Amigo peor de lo que le trataron Sus mismos enemigos. Y cuando estas cosas vienen a la memoria y son puestas sobre la conciencia con peso y poder, a veces nos hunden muy hondo en el desaliento y la tristeza, hasta casi quitarnos la esperanza misma.
Pero el Señor es muy misericordioso y compasivo para con los que temen Su Nombre. Mira a la oración de los desvalidos, y no desecha su ruego. Escucha los suspiros y las confesiones del corazón arrepentido y del espíritu quebrantado y contrito; y así, aunque siempre abatirá al que se enaltece, ensalzará al humilde. Nunca renunciará a Su legítimo derecho sobre Su pueblo. Si nos ha comprado con Su preciosa sangre, jamás permitirá que esa compra sea anulada por la malicia de Satanás ni por la maldad de nuestra propia naturaleza.
¡Cuán notables son estas palabras: “Tú pues has fornicado con muchos amigos; mas vuélvete a Mí, dijo Jehová”! Y también: “Convertíos, hijos rebeldes, dice Jehová, porque Yo soy vuestro esposo.” “Convertíos, hijos rebeldes, sanaré vuestras rebeliones.” ¿Y no responderemos: “He aquí nosotros venimos a Ti; porque Tú eres Jehová nuestro Dios. Ciertamente vanidad son los collados, la multitud de los montes: ciertamente en Jehová nuestro Dios está la salud de Israel” (Jer. 3:23)?
Al lector…
¿Sabe usted lo que es sentirse abatido por el recuerdo de sus extravíos? ¿Ha pecado contra la misericordia que le fue mostrada, y siente que ha tratado a su mejor Amigo peor que Sus enemigos? Entonces sabe cuán hondo puede llegar tal herida, y cómo la esperanza casi cede bajo ella. Ha dejado la Fuente de agua viva y ha cavado cisternas rotas, y ahora descubre que no detienen aguas.
Pero escuche: el Señor es muy clemente y misericordioso para con los que temen Su Nombre. No desecha la oración del desvalido, y escucha los suspiros de un espíritu contrito. Lo que ha comprado con Su preciosa sangre, no lo suelta. Por eso sigue llamando: “Convertíos, hijos rebeldes, sanaré vuestras rebeliones.” No se quede, pues, más tiempo junto a sus cisternas, sino respóndale: “He aquí nosotros venimos a Ti; porque Tú eres Jehová nuestro Dios.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl