5 december
Want die de Heere liefheeft, kastijdt Hij; en Hij geselt een iegelijke zoon, die Hij aanneemt.
Hebreeën 12:6
Zegt niet Jacobus: „Zalig is de man, die de verzoeking verdraagt”? En wederom: „Acht het voor grote vreugde wanneer gij in velerlei verzoekingen valt”? Waarom? Is er enige blijdschap in de verzoekingen, en genoegen in smart? Neen, niets. Maar in de verlossing des Heeren, in de kracht Gods om de ziel uit te helpen, daarin is blijdschap. En daarom moeten wij wandelen in een donker pad, zal het licht dierbaar zijn voor onze ogen. Wij moeten kennismaken met wegen van beproeving, zullen wij de aangenaamheid der beloften, met kracht toegepast, recht kunnen smaken; wij moeten verzoekingen doorstaan om de zoetigheid der verlossing te kunnen genieten.
En wees ervan verzekerd dat dit de weg is waarin God met Zijn volk handelt. Is uw consciëntie eerlijk gemaakt? Spreekt die vermaner in uw boezem de waarheid? Vertel mij eens wat hij zegt. Zegt hij niet: „Weinig beproevingen, weinig vertroostingen; weinig smarten, weinig genietingen; weinig moeilijkheden, weinig bewijzen van God; weinig kwellingen, weinig ontdekkingen van de liefde en het bloed”?
Zegt niet de apostel: „Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, alzo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig” (2 Corinthe 1:5)? En zegt hij niet: „En onze hoop van u is vast, als die weten, dat gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden, gij ook alzo gemeenschap hebt aan de vertroosting”? En zegt hij ons niet zorgvuldig acht te geven op hetgeen de Heere tot Zijn volk spreekt, dat namelijk het deel van een kind is de kastijdingen te moeten ondergaan? Hij zegt: „Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijk niet als gij van Hem bestraft wordt; want die de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijk zoon, die Hij aanneemt. Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als zonen; want wat zoon is er, die de vader niet kastijdt? Maar indien gij zonder kastijding zijt — o ernstig woord, en hoe toepasselijk op duizenden! — welke allen deelachtig zijn geworden, dan zijt gij bastaarden en niet zonen.”
Aan de lezer…
Hier wordt gesproken tot u die door een donker pad gaat en zich afvraagt waarom de Heere u zo kastijdt. Er is geen blijdschap in de smart zelf, en dat behoeft u ook niet te veinzen. Maar laat uw consciëntie eens eerlijk spreken: waren uw vertroostingen niet het zoetst juist na de zwaarste beproeving, en leerde u de liefde en het bloed niet het best kennen in de nood?
Zo handelt God met Zijn volk. De kastijding is geen teken dat Hij u verworpen heeft, maar het deel van een kind. „Die de Heere liefheeft, kastijdt Hij.” Acht dan Zijn kastijding niet klein, en bezwijk niet als u van Hem bestraft wordt. Hij gedraagt Zich jegens u als een Vader. En wacht op Zijn verlossing, want daarin ligt de blijdschap; gelijk het lijden overvloedig is, zo zal door Christus ook uw vertroosting overvloedig zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want die de Heere liefheeft, kastijdt Hij; en Hij geselt een iegelijke zoon, die Hij aanneemt.
Hebreeën 12:6
Zegt Jakobus niet: „Zalig is de man, die de verzoeking verdraagt”? En ook: „Acht het voor grote vreugde wanneer gij in velerlei verzoekingen valt”? Waarom? Is er dan blijdschap in de verzoekingen, en genoegen in smart? Nee, helemaal niet. Maar in de verlossing van de Heere, in de kracht van God om de ziel eruit te helpen, daarin is blijdschap. Daarom moeten wij over een donker pad gaan, wil het licht kostbaar zijn voor onze ogen. Wij moeten wegen van beproeving leren kennen, willen wij de aangenaamheid van de beloften, met kracht toegepast, werkelijk kunnen smaken; wij moeten verzoekingen doorstaan om de zoetheid van de verlossing te kunnen genieten.
En wees ervan verzekerd dat dit de weg is waarin God met Zijn volk handelt. Is uw geweten eerlijk gemaakt? Spreekt die vermaner in uw binnenste de waarheid? Vertel mij eens wat hij zegt. Zegt hij niet: „Weinig beproevingen, weinig vertroostingen; weinig smarten, weinig genietingen; weinig moeilijkheden, weinig bewijzen van God; weinig kwellingen, weinig ontdekkingen van de liefde en het bloed”?
Zegt de apostel niet: „Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, alzo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig” (2 Corinthe 1:5)? En zegt hij niet: „En onze hoop van u is vast, als die weten, dat gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden, gij ook alzo gemeenschap hebt aan de vertroosting”? En zegt hij ons niet zorgvuldig te letten op wat de Heere tot Zijn volk spreekt, namelijk dat het tot het deel van een kind behoort kastijdingen te moeten ondergaan? Hij zegt: „Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijk niet als gij van Hem bestraft wordt; want die de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijk zoon, die Hij aanneemt. Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als zonen; want wat zoon is er, die de vader niet kastijdt? Maar indien gij zonder kastijding zijt — o ernstig woord, en hoe toepasselijk op duizenden! — welke allen deelachtig zijn geworden, dan zijt gij bastaarden en niet zonen.”
Aan de lezer…
Hier wordt gesproken tot u die over een donker pad gaat en zich afvraagt waarom de Heere u zo kastijdt. Er is geen blijdschap in de smart zelf, en dat hoeft u ook niet te veinzen. Maar laat uw geweten eens eerlijk spreken: waren uw vertroostingen niet het zoetst juist na de zwaarste beproeving, en leerde u de liefde en het bloed niet het best kennen in de nood?
Zo handelt God met Zijn volk. De kastijding is geen teken dat Hij u verworpen heeft, maar het deel van een kind. „Die de Heere liefheeft, kastijdt Hij.” Acht Zijn kastijding dan niet klein, en bezwijk niet als u door Hem bestraft wordt. Hij gedraagt Zich tegenover u als een Vader. En wacht op Zijn verlossing, want daarin ligt de blijdschap; zoals het lijden overvloedig is, zo zal door Christus ook uw vertroosting overvloedig zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“For whom the Lord loveth he chasteneth, and scourgeth every son whom he receiveth.”
Hebrews 12:6
Does not James say, “Blessed is the man who endures temptation?” And again, “Count it all joy when you fall into diverse temptations?” Why? Is there any joy in trials, any pleasure in sorrow? No, none. But in the deliverance from the Lord; in the power of God put forth to bring the soul out; there is joy there. And, therefore, we have to walk in a dark path to make the light dear to our eyes; we have to pass through trials to taste the sweetness of the promises when applied with power; we have to endure temptations, that we may enjoy the sweetness of deliverance. And this is the way, be sure of it, that God deals with His people.
Is your conscience made honest? Does that monitor in your bosom speak the truth? Tell me what it says. Does it not say, “Few trials, few consolations; few sorrows, few joys; few difficulties, few testimonies from God; few sufferings, few discoveries of love and blood?” Does not the Apostle say, “As the sufferings of Christ abound in us, so our consolation also abounds by Christ?” (2 Cor. 1:5.) And does he not say, “Our hope of you is steadfast, knowing, that as you are partakers of the sufferings, so shall you be also of the consolation?”
And does he not tell us to be mindful not to forget what the Lord says when He speaks to His people, that the lot of a child is to endure chastisement? He says, “My son, despise not the chastening of the Lord, nor faint when you are rebuked of Him; for whom the Lord loves He chastens, and scourges every son whom He receives. If you endure chastening, God deals with you as with sons; for what son is he whom the father chastens not? But if you be without chastisement,” (O solemn word! O how applicable to thousands!) “whereof all are partakers, then are you bastards, and not sons.”
To the reader…
Here you are addressed, you who walk a dark path and wonder why the Lord chastens you so. There is no joy in the sorrow itself, and you need not pretend there is. But let your conscience speak honestly for once: were your consolations not sweetest just after the heaviest trial, and did you not learn to know the love and the blood best in your need?
That is how God deals with His people. Chastening is no sign that He has rejected you, but the portion of a child. “Whom the Lord loveth He chasteneth.” Do not despise His chastening, then, and do not faint when you are rebuked by Him. He is dealing with you as a Father. And wait for His deliverance, for in it lies the joy; as the sufferings abound, so your consolation also will abound by Christ.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Porque el Señor al que ama castiga, y azota a cualquiera que recibe por hijo.”
Hebreos 12:6
¿No dice Santiago: “Bienaventurado el varón que sufre la tentación”? ¿Y otra vez: “Tened por sumo gozo cuando cayereis en diversas tentaciones”? ¿Por qué? ¿Hay algún gozo en las pruebas, algún placer en el dolor? No, ninguno. Pero en la liberación que viene del Señor, en el poder de Dios desplegado para sacar al alma, allí hay gozo. Y por tanto, tenemos que andar por una senda oscura para que la luz sea preciosa a nuestros ojos; tenemos que pasar por pruebas para gustar la dulzura de las promesas cuando son aplicadas con poder; tenemos que soportar tentaciones para disfrutar la dulzura de la liberación. Y este es el camino, téngalo por cierto, por el cual Dios trata a Su pueblo.
¿Ha sido hecha honrada su conciencia? ¿Dice la verdad aquel monitor que hay en su pecho? Dígame lo que dice. ¿No dice: “Pocas pruebas, pocas consolaciones; pocos pesares, pocos gozos; pocas dificultades, pocos testimonios de Dios; pocos padecimientos, pocos descubrimientos de amor y de sangre”? ¿No dice el apóstol: “Porque de la manera que abundan en nosotros las aflicciones de Cristo, así abunda también por el mismo Cristo nuestra consolación”? (2 Corintios 1:5.) ¿Y no dice: “Y nuestra esperanza de vosotros es firme; estando ciertos que como sois compañeros de las aflicciones, así también lo sois de la consolación”?
¿Y no nos dice que tengamos cuidado de no olvidar lo que el Señor dice cuando habla a Su pueblo, que la suerte de un hijo es soportar castigo? Dice: “Hijo mío, no menosprecies el castigo del Señor, ni desmayes cuando eres de Él reprendido. Porque el Señor al que ama castiga, y azota a cualquiera que recibe por hijo. Si sufrís el castigo, Dios se os presenta como a hijos; porque ¿qué hijo es aquel a quien el padre no castiga? Mas si estáis fuera del castigo” (¡oh palabra solemne! ¡oh, cuán aplicable a millares!), “del cual todos han sido hechos participantes, luego sois bastardos, y no hijos.”
Al lector…
Aquí se le habla a usted, que anda por una senda oscura y se pregunta por qué el Señor le castiga así. En el dolor mismo no hay gozo, y no necesita fingir que lo hay. Pero deje que su conciencia hable honradamente por una vez: ¿no fueron sus consolaciones las más dulces justo después de la prueba más pesada, y no aprendió a conocer mejor el amor y la sangre en su necesidad?
Así trata Dios a Su pueblo. El castigo no es señal de que Él le haya rechazado, sino la porción de un hijo. “El Señor al que ama castiga.” No menosprecie, pues, Su castigo, ni desmaye cuando sea reprendido por Él. Él le está tratando como un Padre. Y espere Su liberación, porque en ella está el gozo; como abundan las aflicciones, así abundará también por Cristo su consolación.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl