4 maart
Bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen des altaars.
Psalm 118:27
Zijt gij een arm kind van de levende God met een verbroken hart? Is er iets van de Geest van Christus in u? Is er een zwakke overeenkomst met Zijn nederigheid en heilig beeld afgedrukt in uw ziel? Dan bevindt gij uzelf gebonden met touwen aan de hoornen des altaars. Gij gevoelt de sterke banden der noodzakelijkheid en toegenegenheid die u daar vasthouden. Maar daarbij gevoelt gij ook dat gij een tegenspartelend slachtoffer zijt, die gaarne de moeiten en beproevingen die als gevolg van het gebonden zijn aan de hoornen des altaars over u komen, zoudt willen ontgaan; en dat gij gaarne in een minder ruwe weg zoudt wandelen.
Of misschien ontdekt ge in uw hart een gewilligheid om zelf een altaar op te richten, naar het voorbeeld van dat van Damascus (2 Kon. 16:10). Misschien ook zoudt ge blijde zijn om, gelijk de roomsen, uw lichaam met een stoffelijk kruis te vereren, in plaats van in uw ziel de aanbiddelijke Godmens, Die aan het kruis hing en bloedde, de eer toe te brengen. Gij zoudt er de voorkeur aan geven om uit de weg van zelfverzaking, oefening, beproeving en aanvechting over te gaan in een bloeiende weide van leerregels en beschouwingen, waarin gij met gemak zoudt kunnen wandelen, zonder kwelling of beproeving in uw consciëntie. Maar de Heere zegt: „Bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen des altaars.” Van deze hoornen kunt gij niet ontslagen worden.
Gij moogt toornig en gemelijk zijn over u en u verweren in alle of enige van deze koorden, maar gij kunt ze niet verbreken. Gij moogt in uw verweer de koorden tot het uiterste rekken, maar zij zijn te stevig rond uw tedere consciëntie en te sterk om uw verbroken hart bevestigd, dan dat gij ze zoudt kunnen laten springen. Nog eerder zoudt gij uw hart in tweeën splijten, dan dat gij de koorden zoudt kunnen verbreken. En in uw rechte gestalte zijnde, zoudt gij niets anders wensen dan met touwen gebonden te zijn aan de hoornen des altaars. Op uw rechte plaats zijnde, wenst gij de koorden strakker gespannen, om steeds dichter bij het altaar getrokken te mogen worden, en het bloed dat op het altaar vergoten is, op uw consciëntie gesprengd te mogen vinden. In uw rechte gestalte wenst gij het oog des geloofs te vestigen op het Slachtoffer, Dat eens daarop bloedende de doodsstrijd streed. En wanneer gij op Hem ziet, wenst gij Zijn beeld op uw ziel afgedrukt te krijgen, en ook de vernederende kracht die ervan uitgaat.
Doch wanneer gij aan het altaar verbonden zijt, volgen zulke beproevingen, verzoekingen en opofferingen, dat gij, in uw vlagen van opstand en vleesstrelend gemak, u bij tijden zoudt verblijden los van het altaar te zijn; terwijl er andere tijden volgen waarin gij u zoudt verblijden er nauwer aan verbonden te mogen zijn. Wij zijn snode schepselen, die er menigmaal de voorkeur aan geven het vlees en de wereld te dienen, en om zo te spreken de kans voor de eeuwigheid erop te wagen, liever dan beproevingen en verzoekingen te ondergaan als navolgers van Christus. Maar het is ons geluk dat wij noch vastmaken, noch ontbinden of breken kunnen één koordje van de eeuwige liefde; maar dat in weerwil van het schepsel „God zal vervullen al het welbehagen Zijner goedheid en het werk des geloofs met kracht.”
Aan de lezer…
Bent u, lezer, een arm kind van God met een verbroken hart, en voelt u zich gebonden aan de hoornen des altaars? Misschien spartelt u soms tegen en zou u liever een gemakkelijker weg gaan, zonder beproeving en aanvechting. Wees eerlijk: zo zijn wij allen, snode schepselen die het vlees zo graag sparen. Maar die koorden van noodzaak en liefde zijn sterker dan uw tegenstand. U kunt ze niet verbreken.
En op uw rechte plaats wilt u dat ook niet. Dan wenst u juist dichter bij het altaar getrokken te worden, het bloed op uw consciëntie gesprengd te vinden en het oog des geloofs te vestigen op het Slachtoffer, Dat daar bloedde. Wat een geluk dat wij geen enkel koordje van de eeuwige liefde kunnen losmaken! God zal in u vervullen al het welbehagen Zijner goedheid en het werk des geloofs met kracht.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen des altaars.
Psalm 118:27
Bent u een arm kind van de levende God met een verbroken hart? Is er iets van de Geest van Christus in u? Is er een zwakke gelijkenis met Zijn nederigheid en Zijn heilig beeld in uw ziel afgedrukt? Dan merkt u dat u met touwen gebonden bent aan de hoornen des altaars. U voelt de sterke banden van noodzaak en genegenheid die u daar vasthouden. Maar daarnaast voelt u ook dat u een tegenspartelend offerdier bent, dat graag zou ontkomen aan de moeiten en beproevingen die over u komen doordat u aan de hoornen des altaars gebonden bent, en dat graag een minder ruwe weg zou gaan.
Of misschien ontdekt u in uw hart de bereidheid om zelf een altaar op te richten, naar het voorbeeld van dat van Damascus (2 Kon. 16:10). Misschien zou u ook blij zijn om, zoals de roomsen, uw lichaam met een stoffelijk kruis te sieren, in plaats van in uw ziel de aanbiddelijke Godmens te eren, Die aan het kruis hing en bloedde. U zou liever de weg van zelfverzaking, oefening, beproeving en aanvechting verlaten en overgaan naar een bloeiende weide van leerstellingen en beschouwingen, waar u gemakkelijk zou kunnen wandelen, zonder kwelling of beproeving in uw geweten. Maar de Heere zegt: „Bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen des altaars.” Van deze hoornen kunt u niet losgemaakt worden.
U mag boos en wrevelig zijn en u verzetten tegen al deze koorden of tegen een ervan, maar u kunt ze niet verbreken. U mag de koorden in uw verzet tot het uiterste rekken, maar zij zitten te stevig om uw tedere consciëntie en zijn te sterk om uw verbroken hart bevestigd dan dat u ze zou kunnen laten springen. Eerder zou u uw hart in tweeën splijten dan dat u de koorden zou kunnen verbreken. En wanneer u in uw rechte gestalte bent, zou u niets anders wensen dan met touwen gebonden te zijn aan de hoornen des altaars. Op uw rechte plaats wenst u dat de koorden strakker gespannen worden, zodat u steeds dichter bij het altaar getrokken wordt en merkt dat het bloed dat op het altaar vergoten is, op uw consciëntie gesprengd wordt.
In uw rechte gestalte wenst u het oog des geloofs te vestigen op het Slachtoffer, Dat daar eens bloedend de doodsstrijd streed. En wanneer u op Hem ziet, wenst u dat Zijn beeld in uw ziel afgedrukt wordt, en dat u ook de vernederende kracht ervaart die ervan uitgaat. Maar wanneer u aan het altaar verbonden bent, volgen er zulke beproevingen, verzoekingen en offers, dat u zich in uw vlagen van opstand en in uw verlangen naar vleselijk gemak soms zou verblijden als u los van het altaar was. Toch volgen er ook andere tijden waarin u zich zou verblijden als u er nauwer aan verbonden mocht zijn.
Wij zijn snode schepselen, die vaak liever het vlees en de wereld dienen en als het ware de kans voor de eeuwigheid erop wagen, dan dat wij als navolgers van Christus beproevingen en verzoekingen ondergaan. Maar het is ons geluk dat wij geen enkel koordje van de eeuwige liefde kunnen vastmaken, losmaken of breken, maar dat, ondanks het schepsel, „God zal vervullen al het welbehagen Zijner goedheid en het werk des geloofs met kracht.”
Aan de lezer…
Bent u, lezer, een arm kind van God met een verbroken hart, en voelt u zich gebonden aan de hoornen des altaars? Misschien spartelt u soms tegen en zou u liever een gemakkelijker weg gaan, zonder beproeving en aanvechting. Wees eerlijk: zo zijn wij allemaal, snode schepselen die het vlees zo graag sparen. Maar die koorden van noodzaak en liefde zijn sterker dan uw verzet. U kunt ze niet verbreken.
En op uw rechte plaats wilt u dat ook niet. Dan wenst u juist dichter bij het altaar getrokken te worden, het bloed op uw consciëntie gesprengd te vinden en het oog des geloofs te vestigen op het Slachtoffer, Dat daar bloedde. Wat een geluk dat wij geen enkel koordje van de eeuwige liefde kunnen losmaken! God zal in u vervullen al het welbehagen Zijner goedheid en het werk des geloofs met kracht.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Bind the sacrifice with cords, even unto the horns of the altar.”
Psalm 118:27
Are you a poor broken-hearted child of the living God? Is there any measure of the Spirit of Christ in you? Is there any faint resemblance of His meekness and holy image stamped upon you? Then you feel yourself bound with cords to the horns of the altar. You feel the strong ties of necessity, and you feel the strong ties of affection binding you there.
But with this, you feel also that you are a struggling victim; that you would gladly escape the troubles and trials that being bound to the horns of the altar brings upon you; you would gladly get into an easier path if you could; or if you dared, would willingly set up some altar yourself, made after the pattern of Damascus (2 Kings 16:10); and would gladly, like the Roman Catholic, worship with your body a material cross, instead of worshiping in your soul the adorable God-Man Who hung and bled there. You would gladly, if you could, step out of a self-loathing, exercised, tried, harassed, and tempted path, to get into the flowery meadow of doctrine and speculation, and there walk at ease without one pang in your conscience, or one trial in your soul.
But the Lord has said, “Bind the sacrifice with cords, even unto the horns of the altar.” You are bound to the horns of the altar. From those horns you cannot escape. You may fume, fret, and rebel against all or any of these cords, but you cannot break them. Aye, you may, in your strugglings, stretch to their utmost extent these cords; but they are too firmly fastened round your tender conscience, and too strongly wreathed round your broken heart, for you to burst them. They would sooner cut your heart in two, than you could break them, or escape from them.
And in your right mind, you would not be otherwise than bound with cords to the horns of the altar. In your right mind, you want the cords tightened, and so to be drawn nearer and nearer unto it; and to have the blood that was shed upon it sprinkled upon your conscience. In your right mind, you want to see with the eye of faith the Victim that once lay bleeding and writhing there; and as you look upon Him, to drink into His image, and to feel the melting power and softening efficacy of that sight.
But, then, connected with it, there are such trials, such temptations, and such sacrifices, that you, in your fits of rebellion or flesh-pleasing ease, would at times as gladly get away, as at other times, you would gladly get near. Vile wretches that we are, who would often prefer to serve the flesh and the world, and take our chance, as men speak, for eternity, than suffer trials and temptations as the followers of Christ! But it is our mercy that we can neither make nor unmake, do nor undo, bind nor break any one cord of eternal love, but that, in spite of the creature, God will “fulfill all the good pleasure of His goodness, and the work of faith with power.”
To the reader…
Are you, dear reader, a poor child of God with a broken heart, and do you feel yourself bound to the horns of the altar? Perhaps at times you struggle against it and would rather take an easier road, without trial or temptation. Be honest: we are all like that, vile creatures who so gladly spare the flesh. But those cords of necessity and love are stronger than your resistance. You cannot break them.
And in your right mind you do not want to. Then you long to be drawn nearer to the altar, to find the blood sprinkled on your conscience, and to fix the eye of faith on the Victim Who bled there. What a mercy that we cannot loosen a single cord of eternal love! God will fulfill in you all the good pleasure of His goodness, and the work of faith with power.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Atad víctimas con cuerdas a los cuernos del altar.”
Salmo 118:27
¿Es usted un pobre hijo del Dios viviente, de corazón quebrantado? ¿Hay en usted alguna medida del Espíritu de Cristo? ¿Hay alguna tenue semejanza de Su mansedumbre y santa imagen impresa en usted? Entonces se siente atado con cuerdas a los cuernos del altar. Siente los fuertes lazos de la necesidad, y siente los fuertes lazos del afecto que le atan allí.
Pero con esto siente también que es una víctima que forcejea; que de buena gana escaparía de las angustias y pruebas que le acarrea el estar atado a los cuernos del altar; que de buena gana pasaría a un camino más fácil si pudiera; o, si se atreviera, levantaría con gusto algún altar por su cuenta, hecho según el modelo del de Damasco (2 Reyes 16:10); y de buena gana, como el católico romano, adoraría con su cuerpo una cruz material, en vez de adorar en su alma al adorable Dios-Hombre que pendió y sangró en ella. De buena gana, si pudiera, saldría de un camino de aborrecimiento de sí mismo, ejercitado, probado, acosado y tentado, para entrar en el prado florido de la doctrina y la especulación, y pasear allí a sus anchas sin una sola punzada en su conciencia ni una sola prueba en su alma.
Pero el Señor ha dicho: “Atad víctimas con cuerdas a los cuernos del altar.” Usted está atado a los cuernos del altar. De esos cuernos no puede escapar. Puede enfurecerse, inquietarse y rebelarse contra todas o cualquiera de estas cuerdas, pero no puede romperlas. Sí, puede, en sus forcejeos, estirar estas cuerdas hasta el máximo; pero están demasiado firmemente atadas alrededor de su conciencia tierna, y demasiado fuertemente enlazadas alrededor de su corazón quebrantado, para que usted las reviente. Antes le partirían el corazón en dos que usted pudiera romperlas o escapar de ellas.
Y en su sano juicio, usted no querría estar de otra manera que atado con cuerdas a los cuernos del altar. En su sano juicio, quiere que las cuerdas se aprieten, y así ser atraído más y más cerca de él; y que la sangre que se derramó sobre él sea rociada sobre su conciencia. En su sano juicio, quiere ver con el ojo de la fe a la Víctima que una vez yació allí sangrando y retorciéndose; y, al mirarle, beber de Su imagen y sentir el poder que derrite y la eficacia que ablanda de esa visión.
Pero, por otro lado, unido a ello hay tales pruebas, tales tentaciones y tales sacrificios, que usted, en sus arrebatos de rebelión o de comodidad complaciente con la carne, a veces se alejaría de buena gana, así como otras veces se acercaría de buena gana. ¡Viles miserables que somos, que a menudo preferiríamos servir a la carne y al mundo y, como dicen los hombres, arriesgarnos en cuanto a la eternidad, antes que padecer pruebas y tentaciones como seguidores de Cristo! Pero es misericordia para nosotros que no podamos hacer ni deshacer, atar ni romper una sola cuerda del amor eterno, sino que, a pesar de la criatura, Dios “cumplirá todo intento de bondad, y toda obra de fe con potencia”.
Al lector…
¿Es usted, querido lector, un pobre hijo de Dios con el corazón quebrantado, y se siente atado a los cuernos del altar? Quizá a veces forcejea contra ello y preferiría tomar un camino más fácil, sin pruebas ni tentaciones. Sea sincero: todos somos así, viles criaturas que con tanto gusto mimamos la carne. Pero esas cuerdas de la necesidad y del amor son más fuertes que su resistencia. No puede romperlas.
Y en su sano juicio tampoco lo quiere. Entonces anhela ser atraído más cerca del altar, hallar la sangre rociada sobre su conciencia y fijar el ojo de la fe en la Víctima que sangró allí. ¡Qué misericordia que no podamos soltar una sola cuerda del amor eterno! Dios cumplirá en usted todo intento de bondad, y toda obra de fe con potencia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl