4 februari
Laat ons blijde zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelve bereid.
Openb. 19:7
Wij hebben twee dingen nodig om ons naar de hemel te voeren: een aanspraak erop en bekwaamheid ertoe. Onze enige aanspraak op de hemel is het bloed en de gerechtigheid van de Zoon van God — dat bloed dat „reinigt van alle zonden”, en die gerechtigheid die ons „rechtvaardig maakt van alle dingen van welke wij niet konden gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes”. Niets onreins of bevlekts kan de hemel binnengaan. Dit is Gods eigen getuigenis: „En in haar zal niet inkomen iets dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams” (Openb. 21:27).
Maar behalve de aanspraak moet er ook een bekwaamheid zijn voor die hemelse stad, volgens het woord van de apostel: „Dankende de Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft om deel te hebben in de erve van de heiligen in het licht” (Kol. 1:12). Zo moeten wij dan hier beneden enige tonen leren zingen van dat vrolijk loflied, dat in volle onafgebroken harmonie zal opstijgen uit de harten en van de lippen van de verlosten in het koninkrijk hierboven, waar die verheerlijkte vergadering altijd juichen zal: „Halleluja! Zaligheid, en heerlijkheid, en eer en macht aan de Heere onze God.” Als wij met die gezegenden zullen aanzitten, die geroepen zijn tot de bruiloft van het Lam, moeten wij niet alleen „gekleed zijn, helder en wit, want het fijne linnen is de rechtvaardigmaking der heiligen”, maar wij moeten in onze harten hebben „het Koninkrijk Gods, hetwelk is rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap door de Heilige Geest” (Rom. 14:17).
Al wat Gij wrocht zal juichen tot Uw eer,
Uw gunstvolk zal verblijd U zeeg’nen, Heer,
en roemen van Uw Koninkrijk, Uw macht,
Uw heerlijkheid en goddelijke kracht,
om, waar zich ’t hart ooit voelt in leerzucht blaken;
Uw heerlijkheid, Uw macht bekend te maken,
en d’eer Uws rijks, zo groot, zo hoog verheven,
voor aller oor de hoogste roem te geven.
Ps. 145:4
Aan de lezer…
Hoe heerlijk is de bruiloft des Lams! Zult u daar aanzitten? Het is een vraag die geen mens ongestraft van zich af kan schuiven. Niets onreins kan de hemelse stad binnengaan, en wie zichzelf kent, weet dat hij van nature geen enkele aanspraak heeft. Daarom is het zo kostelijk wat hier gezegd wordt: onze enige aanspraak is het bloed en de gerechtigheid van de Zoon van God, dat bloed dat reinigt van alle zonden.
Maar er moet ook een bekwaamheid zijn, een hart dat hier beneden reeds enkele tonen leert van het lied der verlosten. Zucht u omdat uw lofzang nog zo zwak is, en uw hart zo weinig van de blijdschap door de Heilige Geest kent? Dan is het de Vader Die bekwaam maakt, niet uzelf. Wat Hij in u begonnen heeft, zal Hij voltooien, totdat u gekleed in fijn linnen, helder en wit, met al de gezegenden zult juichen: „Halleluja! Zaligheid, en heerlijkheid, en eer en macht aan de Heere onze God.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Laat ons blijde zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelve bereid.
Openb. 19:7
Wij hebben twee dingen nodig om ons naar de hemel te brengen: een aanspraak erop en bekwaamheid ervoor. Onze enige aanspraak op de hemel is het bloed en de gerechtigheid van de Zoon van God: dat bloed dat „reinigt van alle zonden”, en die gerechtigheid die ons „rechtvaardig maakt van alle dingen van welke wij niet konden gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes”. Niets wat onrein of bevlekt is, kan de hemel binnengaan. Dit is Gods eigen getuigenis: „En in haar zal niet inkomen iets dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams” (Openb. 21:27).
Maar behalve de aanspraak moet er ook een bekwaamheid zijn voor die hemelse stad, zoals de apostel zegt: „Dankende de Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft om deel te hebben in de erve van de heiligen in het licht” (Kol. 1:12). Daarom moeten wij hier beneden al enkele tonen leren zingen van dat vrolijke loflied. Dat lied zal in volle, onafgebroken harmonie opstijgen uit de harten en van de lippen van de verlosten in het koninkrijk hierboven, waar die verheerlijkte vergadering altijd zal juichen: „Halleluja! Zaligheid, en heerlijkheid, en eer en macht aan de Heere onze God.” Als wij zullen aanzitten met die gezegenden die geroepen zijn tot de bruiloft van het Lam, moeten wij niet alleen „gekleed zijn, helder en wit, want het fijne linnen is de rechtvaardigmaking der heiligen”. Wij moeten ook in ons hart hebben „het Koninkrijk Gods, hetwelk is rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap door de Heilige Geest” (Rom. 14:17).
Al wat Gij wrocht zal juichen tot Uw eer,
Uw gunstvolk zal verblijd U zeeg’nen, Heer,
en roemen van Uw Koninkrijk, Uw macht,
Uw heerlijkheid en goddelijke kracht,
om, waar zich ’t hart ooit voelt in leerzucht blaken;
Uw heerlijkheid, Uw macht bekend te maken,
en d’eer Uws rijks, zo groot, zo hoog verheven,
voor aller oor de hoogste roem te geven.
Ps. 145:4
Aan de lezer…
Hoe heerlijk is de bruiloft van het Lam! Zult u daar aanzitten? Het is een vraag die geen mens zonder gevolgen van zich af kan schuiven. Niets wat onrein is, kan de hemelse stad binnengaan, en wie zichzelf kent, weet dat hij van nature geen enkele aanspraak heeft. Daarom is het zo kostbaar wat hier gezegd wordt: onze enige aanspraak is het bloed en de gerechtigheid van de Zoon van God, dat bloed dat reinigt van alle zonden.
Maar er moet ook een bekwaamheid zijn: een hart dat hier beneden al enkele tonen leert van het lied van de verlosten. Zucht u omdat uw lofzang nog zo zwak is en uw hart zo weinig weet van de blijdschap door de Heilige Geest? Bedenk dan dat het de Vader is Die bekwaam maakt, niet uzelf. Wat Hij in u begonnen heeft, zal Hij voltooien, totdat u, gekleed in fijn linnen, helder en wit, met alle gezegenden zult juichen: „Halleluja! Zaligheid, en heerlijkheid, en eer en macht aan de Heere onze God.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Let us be glad and rejoice, and give honour to Him: for the marriage of the Lamb is come, and His wife hath made herself ready.
Revelation 19:7
We need two things to take us to heaven; a title to it, and a fitness for it. Our only title to heaven is the blood and righteousness of the Son of God—that blood which “cleanseth us from all sin,” and that righteousness which “justifies us from all things from which we could not be justified by the law of Moses.” Nothing unclean or defiled can enter heaven. This is God’s own testimony—“And there shall in no wise enter into it any thing that defileth, neither whatsoever worketh abomination, or maketh a lie: but they which are written in the Lamb’s book of life” (Rev. 21:27).
But besides the title, there must be also a fitness for this heavenly city, according to the words of the apostle—“Giving thanks unto the Father, which hath made us meet to be partakers of the inheritance of the saints in light” (Col. 1:12). While here below, then, we must learn to sing some notes of that joyous anthem which will issue in full, uninterrupted harmony from the hearts and lips of the redeemed in the realms above, when that glorious company will ever cry, “Alleluia! Salvation, and glory, and honour, and power, unto the Lord our God.”
If we are to sit down among those blessed ones who are called unto the marriage supper of the Lamb, not only must we be “arrayed in fine linen, clean and white: for the fine linen is the righteousness of saints,” but we must have had “the kingdom of God, which is righteousness, and peace, and joy in the Holy Ghost” (Rom. 14:17), set up in our hearts.
To the reader…
How glorious is the marriage of the Lamb! Will you sit down there? It is a question no one can brush aside without consequence. Nothing unclean can enter the heavenly city, and whoever knows himself knows that by nature he has no claim at all. That is why what is said here is so precious: our only title is the blood and righteousness of the Son of God, that blood which cleanses from all sin.
But there must also be a fitness: a heart that already learns a few notes of the song of the redeemed here below. Do you sigh because your praise is still so weak and your heart knows so little of joy in the Holy Ghost? Then remember that it is the Father Who makes meet, not you yourself. What He has begun in you He will complete, until, arrayed in fine linen, clean and white, you will rejoice with all the blessed: “Alleluia! Salvation, and glory, and honour, and power, unto the Lord our God.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Gocémonos y alegrémonos y démosle gloria; porque son venidas las bodas del Cordero, y Su esposa se ha aparejado.
Apocalipsis 19:7
Necesitamos dos cosas para llegar al cielo: un título para entrar en él y una idoneidad para él. Nuestro único título al cielo es la sangre y la justicia del Hijo de Dios: aquella sangre que “nos limpia de todo pecado”, y aquella justicia por la cual “de todo lo que por la ley de Moisés no pudisteis ser justificados”, somos justificados. Nada inmundo ni contaminado puede entrar en el cielo. Este es el propio testimonio de Dios: “No entrará en ella ninguna cosa sucia, o que hace abominación y mentira; sino solamente los que están escritos en el libro de la vida del Cordero” (Apocalipsis 21:27).
Pero además del título, ha de haber también una idoneidad para esta ciudad celestial, conforme a las palabras del apóstol: “Dando gracias al Padre que nos hizo aptos para participar de la suerte de los santos en luz” (Colosenses 1:12). Mientras estamos aquí abajo, pues, hemos de aprender a cantar algunas notas de aquel himno gozoso que brotará en plena e ininterrumpida armonía de los corazones y labios de los redimidos en las regiones de arriba, cuando aquella gloriosa compañía clame para siempre: “Aleluya: Salvación y honra y gloria y potencia al Señor Dios nuestro”.
Si hemos de sentarnos entre aquellos bienaventurados que son llamados a la cena de las bodas del Cordero, no solo hemos de estar “vestidos de lino fino, limpio y brillante: porque el lino fino son las justificaciones de los santos”, sino que tiene que haber sido establecido en nuestro corazón “el reino de Dios, que es justicia y paz y gozo por el Espíritu Santo” (Romanos 14:17).
Al lector…
¡Qué gloriosas son las bodas del Cordero! ¿Se sentará usted allí? Es una pregunta que nadie puede dejar a un lado sin consecuencias. Nada inmundo puede entrar en la ciudad celestial, y quien se conoce a sí mismo sabe que por naturaleza no tiene derecho alguno. Por eso es tan precioso lo que aquí se dice: nuestro único título es la sangre y la justicia del Hijo de Dios, aquella sangre que limpia de todo pecado.
Pero ha de haber también una idoneidad: un corazón que ya aquí abajo aprende algunas notas del cántico de los redimidos. ¿Suspira usted porque su alabanza es todavía tan débil y su corazón conoce tan poco del gozo en el Espíritu Santo? Recuerde entonces que es el Padre Quien hace aptos, no usted mismo. Lo que Él ha comenzado en usted lo perfeccionará, hasta que, vestido de lino fino, limpio y brillante, se regocije con todos los bienaventurados: “Aleluya: Salvación y honra y gloria y potencia al Señor Dios nuestro”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl