3 maart
Want wij, die leven, worden altijd in de dood overgegeven om Jezus’ wil; opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden.
2 Korinthe 4:11
Wat wordt er bedoeld met de uitdrukking „ons sterfelijk vlees”? Het betekent niet ons vleselijk gemoed, maar onze aardse tabernakel. De uitdrukking is gelijksoortig aan een andere in dit kapittel: „Wij hebben deze schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij Godes en niet uit ons.” Het is dan in dit zwakke lichaam, vol met zwakheden, dat het leven van Jezus geopenbaard wordt. Dit goddelijk leven zal zich menigmaal bewegen in levendige uitgangen naar God, in dierbare geloofsoefeningen, in zoete samensprekingen met het volk van God onderling, in het lezen van het Woord Gods, in de toepassing van dierbare beloften en onder het gepredikte Woord.
Van tijd tot tijd borrelt het op als een fontein uit haar oorsprong. Somtijds loopt het leven ondergronds, als het ware begraven onder de last van „ons sterfelijk vlees”, maar bij vernieuwing en telkens weer verschijnt het, opgetrokken door de Zon der gerechtigheid. „Spring op, o put.” Maar zijn opwekkingen houden gelijke tred met zijn inzinkingen. Dus naar gelang wij aan het eind van ons natuurlijk bidden komen, beoefenen wij dit geestelijk; wanneer wij onze vleselijke hoop verliezen, hopen wij op de Heere; wanneer wij ophouden te geloven met ons verstand alleen, dan geloven wij met het hart; wanneer wij een tekort zien in alle volmaaktheden betreffende onszelf, dan beginnen wij een volmaaktheid te zien in Christus; en wanneer wij in onze harten niets zien dan zonde, ellende en ongerechtigheid, dan beginnen wij geestelijke vertroosting te smaken. Dus naar de verhouding dat onze natuur zinkt, rijst het leven van Jezus op en wordt het in ons sterfelijk vlees geopenbaard.
Verlangt dan de ziel zoete openbaringen te hebben van het leven van Jezus? Waarhenen moet zij zich dan wenden? Wat zegt het Woord van God ervan? „Die wijsheid, vanwaar komt zij en waar is de plaats des verstands? Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen. Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord” (Job 28:20-22). Totdat wij tot het „verderf en de dood” gaan — het verderf van onze vleselijke hoop en de dood van de natuurlijke godsdienst — horen wij nooit het gerucht van de ware wijsheid met onze oren.
Wanneer wij dus in donkerheid verkeren, verschijnt het licht; wanneer wij in moedeloosheid nederzitten, dan ontspringt de hoop; wanneer wij worden verzocht tot ongeloof en wantrouwen, dan ontwaakt het geloof. Zo zijn zij de wijsten in wie de vleselijke wijsheid is ten onder gegaan, en zijn zij de sterksten die bij bevinding hun eigen wijsheden hebben leren kennen. Zij zijn de heiligsten die het meest hun eigen onreinheid beseffen; zij zijn de meest godsdienstigen in de ware zin die hun eigen godsdienst het minst achten. Zodat juist naar verhouding dat wij tot de dood worden overgegeven, en het vonnis gewezen wordt over hetgeen het schepsel bemint, de liefde van Jezus begint te gloren en zich dierbaar gaat openbaren.
Aan de lezer…
Gaat u, lezer, door een tijd waarin alles in u schijnt te sterven? Uw eigen kracht, uw vleselijke hoop, uw wijsheid en zelfs uw godsdienst lijken onder u weg te zinken, en u ziet in uw hart niets dan zonde en ellende. Wanhoop daar niet over. Het leven van Jezus wordt juist geopenbaard in dit zwakke, sterfelijke vlees, in aarden vaten, opdat de kracht van God zij en niet uit ons.
Het goddelijke leven loopt soms ondergronds, maar het borrelt weer op als een fontein. Naarmate uw natuur zinkt, rijst het leven van Jezus op. Wanneer u in donkerheid zit, verschijnt het licht; wanneer u moedeloos neerzit, ontspringt de hoop. Laat dan het vonnis gaan over wat het schepsel bemint, en zie uit naar Hem. Zijn liefde zal gaan gloren en zich dierbaar aan u openbaren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want wij, die leven, worden altijd in de dood overgegeven om Jezus’ wil; opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden.
2 Korinthe 4:11
Wat wordt er bedoeld met de uitdrukking „ons sterfelijk vlees”? Het betekent niet ons vleselijk gemoed, maar onze aardse tabernakel. De uitdrukking lijkt op een andere in dit hoofdstuk: „Wij hebben deze schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij Godes en niet uit ons.” Het is dus in dit zwakke lichaam, vol zwakheden, dat het leven van Jezus geopenbaard wordt. Dit goddelijke leven zal zich vaak bewegen in levendige uitgangen naar God, in dierbare geloofsoefeningen, in zoete gesprekken met het volk van God onderling, in het lezen van Gods Woord, in de toepassing van dierbare beloften en onder het gepredikte Woord.
Van tijd tot tijd borrelt het op als een fontein uit haar bron. Soms loopt het leven ondergronds, als het ware begraven onder de last van „ons sterfelijk vlees”. Maar telkens opnieuw verschijnt het weer, omhooggetrokken door de Zon der gerechtigheid. „Spring op, o put.” Maar het opwellen houdt gelijke tred met het wegzinken. Naarmate wij aan het eind van ons natuurlijk bidden komen, gaan wij geestelijk bidden; wanneer wij onze vleselijke hoop verliezen, hopen wij op de Heere; wanneer wij ophouden alleen met ons verstand te geloven, dan geloven wij met het hart; wanneer wij een tekort zien in al onze eigen volmaaktheden, dan beginnen wij een volmaaktheid te zien in Christus; en wanneer wij in ons hart niets zien dan zonde, ellende en ongerechtigheid, dan beginnen wij geestelijke vertroosting te smaken. Naar de mate dus waarin onze natuur zinkt, rijst het leven van Jezus op en wordt het in ons sterfelijk vlees geopenbaard.
Verlangt de ziel dan naar zoete openbaringen van het leven van Jezus? Waar moet zij zich dan heen wenden? Wat zegt het Woord van God daarover? „Die wijsheid, vanwaar komt zij en waar is de plaats des verstands? Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen. Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord” (Job 28:20-22). Zolang wij niet tot het „verderf en de dood” gaan — het verderf van onze vleselijke hoop en de dood van de natuurlijke godsdienst — horen wij nooit het gerucht van de ware wijsheid met onze oren.
Wanneer wij dus in duisternis verkeren, verschijnt het licht; wanneer wij moedeloos neerzitten, dan ontspringt de hoop; wanneer wij verzocht worden tot ongeloof en wantrouwen, dan ontwaakt het geloof. Zo zijn zij het wijst bij wie de vleselijke wijsheid ten onder is gegaan, en zijn zij het sterkst die door bevinding hun eigen zwakheden hebben leren kennen. Zij zijn het heiligst die het meest hun eigen onreinheid beseffen; zij zijn in de ware zin het meest godsdienstig die hun eigen godsdienst het minst achten. Juist naar de mate dus waarin wij aan de dood worden overgegeven en het vonnis geveld wordt over wat het schepsel liefheeft, begint de liefde van Jezus te gloren en zich dierbaar te openbaren.
Aan de lezer…
Gaat u, lezer, door een tijd waarin alles in u lijkt te sterven? Uw eigen kracht, uw vleselijke hoop, uw wijsheid en zelfs uw godsdienst lijken onder u weg te zinken, en u ziet in uw hart niets dan zonde en ellende. Wanhoop daar niet over. Het leven van Jezus wordt juist geopenbaard in dit zwakke, sterfelijke vlees, in aarden vaten, zodat de kracht van God is en niet uit ons.
Het goddelijke leven loopt soms ondergronds, maar het borrelt weer op als een fontein. Naarmate uw natuur zinkt, rijst het leven van Jezus op. Wanneer u in duisternis zit, verschijnt het licht; wanneer u moedeloos neerzit, ontspringt de hoop. Laat dan het vonnis gaan over wat het schepsel liefheeft, en zie uit naar Hem. Zijn liefde zal gaan gloren en zich dierbaar aan u openbaren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“For we which live are alway delivered unto death for Jesus’ sake, that the life also of Jesus might be made manifest in our mortal flesh.”
2 Corinthians 4:11
What is meant by the expression, “our mortal flesh?” It does not mean the carnal mind, but our earthly tabernacle; and the expression is similar to another in this chapter, “We have this treasure in earthen vessels, that the excellency of the power may be of God, and not of us.” It is, then, in this poor body, compassed with infirmities, that the life of Jesus is made manifest. This divine life will often spring up in fervent breathings after God, in the actings of living faith, in the sweet communion the people of God have with one another, in reading the Scriptures, in the application of precious promises, and under the preached word. From time to time it bubbles up like a spring from its source.
Sometimes indeed it runs underground, buried as it were under the load of “our mortal flesh;” but again and again it reappears, drawn up by the Sun of righteousness. “Spring up, O well.” But its risings are ever proportionate to its sinkings. Thus in proportion as we cease to pray naturally, do we pray spiritually; as we cease to hope in the flesh, do we hope in the Lord; as we cease to believe with the head, do we believe with the heart; when we see an end of all perfection in self, then we begin to find perfection in Christ; and when we see nothing in our hearts but sin, misery, and wretchedness, then we begin to taste spiritual consolation. Thus in proportion as nature sinks, the life of Jesus rises, and is made manifest in our mortal flesh.
Is the soul, then, longing to have sweet manifestations of the life of Jesus? Where must it go to get them? What does the Word of God say? “Whence comes wisdom? and where is the place of understanding? Seeing it is hid from the eyes of all living, and kept closed from the fowls of the air. Destruction and death say, We have heard the fame thereof with our ears” (Job 28:20-22).
Until, then, we get to “destruction and death,” the destruction of fleshly hopes and the death of creature religion, we do not so much as ever hear the fame of true wisdom with our ears. Thus, when we get into darkness, then light springs up; when we get into despondency, hope arises; when we are tempted with unbelief and infidelity, faith appears. Thus those are the wisest in whom creature wisdom has most ceased; those are the strongest who have learned most experimentally their own weakness; those are the holiest who have known most of their own filthiness; those are the most religious in a true sense who have least religion of their own. So that just in proportion as we are delivered unto death, and execution takes place on what the creature loves, so does the life of Jesus begin to rise and make itself blessedly manifest.
To the reader…
Are you, dear reader, passing through a time in which everything within you seems to be dying? Your own strength, your fleshly hope, your wisdom and even your religion seem to be sinking away beneath you, and you see nothing in your heart but sin and misery. Do not despair over it. The life of Jesus is made manifest precisely in this weak, mortal flesh, in earthen vessels, so that the power may be of God and not of us.
The divine life sometimes runs underground, but it bubbles up again like a spring. As your nature sinks, the life of Jesus rises. When you sit in darkness, the light appears; when you sit down in despondency, hope springs up. Let the sentence fall, then, on what the creature loves, and look to Him. His love will begin to dawn and reveal itself to you as precious.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Porque nosotros que vivimos, siempre estamos entregados a muerte por Jesús, para que también la vida de Jesús sea manifestada en nuestra carne mortal.”
2 Corintios 4:11
¿Qué se quiere decir con la expresión “nuestra carne mortal”? No significa la mente carnal, sino nuestro tabernáculo terrenal; y la expresión es semejante a otra de este capítulo: “Tenemos empero este tesoro en vasos de barro, para que la alteza del poder sea de Dios, y no de nosotros.” Es, pues, en este pobre cuerpo, rodeado de flaquezas, donde la vida de Jesús se manifiesta. Esta vida divina brotará a menudo en fervientes anhelos tras Dios, en los actos de la fe viva, en la dulce comunión que el pueblo de Dios tiene entre sí, en la lectura de las Escrituras, en la aplicación de preciosas promesas y bajo la palabra predicada. De vez en cuando borbota como un manantial desde su fuente.
A veces, en verdad, corre bajo tierra, sepultada, por así decirlo, bajo la carga de “nuestra carne mortal”; pero una y otra vez reaparece, atraída hacia arriba por el Sol de justicia. “Sube, oh pozo.” Pero sus subidas son siempre proporcionadas a sus hundimientos. Así, en la medida en que dejamos de orar de modo natural, oramos espiritualmente; en la medida en que dejamos de esperar en la carne, esperamos en el Señor; en la medida en que dejamos de creer con la cabeza, creemos con el corazón; cuando vemos el fin de toda perfección en nosotros mismos, entonces empezamos a hallar la perfección en Cristo; y cuando no vemos en nuestro corazón más que pecado, miseria y desdicha, entonces empezamos a gustar la consolación espiritual. Así, en la medida en que la naturaleza se hunde, la vida de Jesús se levanta y se manifiesta en nuestra carne mortal.
¿Anhela, pues, el alma tener dulces manifestaciones de la vida de Jesús? ¿Adónde ha de ir para obtenerlas? ¿Qué dice la Palabra de Dios? “¿De dónde, pues, vendrá la sabiduría? ¿Y dónde está el lugar de la inteligencia? Porque encubierta está a los ojos de todo viviente, y a toda ave del cielo es oculta. La perdición y la muerte dijeron: Su fama hemos oído con nuestros oídos” (Job 28:20-22).
Hasta que llegamos, pues, a “la perdición y la muerte”, la perdición de las esperanzas carnales y la muerte de la religión de la criatura, ni siquiera oímos con nuestros oídos la fama de la verdadera sabiduría. Así, cuando entramos en tinieblas, entonces brota la luz; cuando caemos en el desaliento, surge la esperanza; cuando somos tentados con incredulidad e infidelidad, aparece la fe. Así, los más sabios son aquellos en quienes más ha cesado la sabiduría de la criatura; los más fuertes son los que más han aprendido por experiencia su propia debilidad; los más santos son los que más han conocido su propia inmundicia; los más religiosos en sentido verdadero son los que menos religión propia tienen. De modo que, en la misma medida en que somos entregados a muerte y se ejecuta la sentencia sobre lo que la criatura ama, en esa medida la vida de Jesús empieza a levantarse y a manifestarse benditamente.
Al lector…
¿Está usted, querido lector, pasando por un tiempo en que todo dentro de usted parece estar muriendo? Su propia fuerza, su esperanza carnal, su sabiduría y aun su religión parecen hundirse bajo sus pies, y no ve en su corazón más que pecado y miseria. No desespere por ello. La vida de Jesús se manifiesta precisamente en esta carne débil y mortal, en vasos de barro, para que el poder sea de Dios y no de nosotros.
La vida divina corre a veces bajo tierra, pero vuelve a borbotar como un manantial. A medida que su naturaleza se hunde, la vida de Jesús se levanta. Cuando está sentado en tinieblas, aparece la luz; cuando se hunde en el desaliento, brota la esperanza. Deje, pues, que la sentencia caiga sobre lo que la criatura ama, y mire a Él. Su amor comenzará a amanecer y a revelársele como precioso.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl