26 december
Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.
Hebreeën 11:1
Wat een uitnemende genade is de genade des geloofs! Ik noem het somtijds de koningin der genaden; want het geloof schijnt de voorhoede te leiden, ofschoon de hoop en de liefde bijna zij aan zij volgen. Maar toch schijnt het geloof als de koningin in de allervoorste linie te gaan en de voornaamste plaats te vorderen. Nu, wat is het geloof? Dat is een vraag uit vele vragen, want daarvan hangt hemel of hel af. God Zelf geeft ons een klaar bescheid daarvan, waar Hij zegt: „Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt.”
Met andere woorden: het geloof in de ziel geeft een verwezenlijking aan de dingen waarin wij gebracht worden te hopen; het neemt wat voor de meeste mensen maar luchtige schaduwen, maar woorden en namen zijn, weg en geeft ze een wezenlijk bestaan, een vaste, blijvende plaats in het hart en de consciëntie. De apostel noemt het ook: „een bewijs der zaken, die men niet ziet.” Dit is het geloof door het getuigenis van God te geloven; het is voor ons een inwendig oog, waardoor wij die dingen zien die voor het natuurlijk oog onzichtbaar zijn. Dus, de onderscheiding van de apostel overnemende, mogen wij het geloof het oog der ziel noemen, gelijk wij lezen: „Door het geloof hield hij zich vast, als ziende de Onzienlijke.”
Want het is alleen door het geloof dat wij op God of de dierbare dingen van God zien. Het is alleen door het geloof dat wij hun kracht gevoelen. Het is alleen door het geloof dat wij kennis hebben van de wezenlijkheid dier dingen, of dat wij voor onszelf een wezenlijk aandeel daarin hebben.
Maar dit geloof is een bijzondere gave Gods. Het is niet het resultaat van onze redenering of van bewijsstukken die wij zouden kunnen aanvoeren. Het komt niet voort uit de oefening van enig verstandelijk vermogen; ook kan het niet worden voortgebracht uit enig historiëel betoog. Het is een bijzondere gave Gods, een genade van de Geest, door de kracht Gods in de ziel gewrocht, en het handelt overeenkomstig de waarheid Gods, zoals de gezegende Geest erin leidt. Jezus is de Beginner en de Voleinder, en ik geloof dat wij niet meer en niet minder geloof hebben dan het Hem behaagt door Zijn almachtige kracht ons te geven en in ons hart te onderhouden.
Maar ziende op het geloof en enige van zijn eigenschappen, zullen wij een weinig uitbreiden en beschrijven hoe het geloof werkt. Er is een uitdrukking van de apostel die een zoet licht werpt op het werk des geloofs, waar hij zegt: „Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het Woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben.” Hij brengt hier een bijzondere werking van het geloof naar voren, namelijk dat het zich mengt met het Woord der waarheid. En dit doet het aldus: God de Heilige Geest past het Woord toe op de consciëntie. Hij schept de genade des geloofs; deze genade des geloofs grijpt het getuigenis van God aan, en zo vermengt zij zich met dit getuigenis en gaat erop in, eigent het zich toe en aanvaardt het als een zelfstandige werkelijkheid, en zo geeft zij het geloof een persoonlijke inwoning.
Zie dit in het geval van Abram. God komt tot hem in een gezicht en zegt tot hem: „En vrees niet, Abram, Ik ben u een schild, uw loon zeer groot.” Maar Abram, in een vlaag van ongeloof, zegt: „Wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen henenga, en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer?” Toen leidde de Heere hem uit naar buiten en zeide tot hem: „Zie nu op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt. En Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn.” Nu, hier was het getuigenis van God in een zekere belofte aan Abrams consciëntie, en onmiddellijk daarop vloeit het geloof in, want wij lezen: „En Abram geloofde in de Heere, en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.”
Toen God tot zijn ziel sprak, geloofde Abram door de werking van de Geest van God in zijn hart. Hij geloofde wat God tot hem zeide; inwendig en geestelijkerwijze hechtte hij daaraan geloof, want hij gevoelde wat God de Heilige Geest met kracht aan zijn hart toepaste. Want dezelfde Geest, Die het Woord aan zijn hart toepaste, verwekte het geloof in zijn ziel, hetgeen zich mengde met het toegepaste Woord, en zo verkreeg het Woord een vaste, blijvende plaats in zijn consciëntie.
Aan de lezer…
Zijn de dingen van God u soms niet meer dan woorden en namen, luchtige schaduwen waaraan u geen wezen kunt geven, hoe u ook uw best doet? Weet dan, waarde lezer, dat het ware geloof niet uit uw redeneringen voortkomt, en ook niet door enig betoog kan worden voortgebracht. Het is een bijzondere gave Gods, een genade van de Geest, en Jezus is er de Beginner en de Voleinder van. U hebt niet meer en niet minder geloof dan het Hem behaagt u te geven.
Dat is geen reden tot moedeloosheid, maar tot verwachting. Zoals de Heere Abram in zijn ongeloof naar buiten leidde en hem de sterren deed tellen, zo kan Hij ook tot uw ziel spreken. Dan mengt het geloof zich met het Woord, grijpt het getuigenis van God aan en geeft het een vaste, blijvende plaats in uw consciëntie. Zie dan op Hem, Die het geloof schept en onderhoudt, en wacht op Zijn woord, opdat u als ziende de Onzienlijke mag volharden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.
Hebreeën 11:1
Wat een uitnemende genade is de genade van het geloof! Ik noem het soms de koningin van de genaden; want het geloof lijkt de voorhoede te leiden, al volgen de hoop en de liefde bijna zij aan zij. Maar toch lijkt het geloof als koningin in de allervoorste linie te gaan en de voornaamste plaats op te eisen. Wat is nu het geloof? Dat is een vraag boven vele vragen, want daarvan hangen hemel of hel af. God Zelf geeft ons er een duidelijk antwoord op, waar Hij zegt: „Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt.”
Met andere woorden: het geloof in de ziel geeft werkelijkheid aan de dingen waarop wij leren hopen. Wat voor de meeste mensen maar luchtige schaduwen, maar woorden en namen zijn, neemt het op en geeft het een wezenlijk bestaan, een vaste, blijvende plaats in hart en geweten. De apostel noemt het ook: „een bewijs der zaken, die men niet ziet.” Dat is het geloof door het getuigenis van God te geloven; het is voor ons een inwendig oog, waardoor wij de dingen zien die voor het natuurlijke oog onzichtbaar zijn. Als wij het onderscheid van de apostel overnemen, mogen wij het geloof dus het oog van de ziel noemen, zoals wij lezen: „Door het geloof hield hij zich vast, als ziende de Onzienlijke.”
Want alleen door het geloof zien wij op God of op de dierbare dingen van God. Alleen door het geloof voelen wij hun kracht. Alleen door het geloof kennen wij de werkelijkheid van die dingen, of weten wij dat wij er zelf werkelijk deel aan hebben.
Maar dit geloof is een bijzondere gave van God. Het is niet het resultaat van onze redeneringen of van bewijzen die wij zouden kunnen aanvoeren. Het komt niet voort uit het gebruik van een verstandelijk vermogen; ook kan het niet worden voortgebracht door een historisch betoog. Het is een bijzondere gave van God, een genade van de Geest, door de kracht van God in de ziel gewerkt, en het handelt in overeenstemming met de waarheid van God, zoals de gezegende Geest erin leidt. Jezus is de Beginner en de Voleinder, en ik geloof dat wij niet meer en niet minder geloof hebben dan het Hem behaagt ons door Zijn almachtige kracht te geven en in ons hart te onderhouden.
Maar nu wij letten op het geloof en op enkele van zijn eigenschappen, willen wij wat verder gaan en beschrijven hoe het geloof werkt. Er is een uitdrukking van de apostel die een zoet licht werpt op het werk van het geloof, waar hij zegt: „Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het Woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben.” Hij brengt hier een bijzondere werking van het geloof naar voren, namelijk dat het zich vermengt met het Woord van de waarheid. Dat gaat zo: God de Heilige Geest past het Woord toe op het geweten. Hij schept de genade van het geloof; deze genade van het geloof grijpt het getuigenis van God aan, en zo vermengt zij zich met dit getuigenis en gaat zij erop in, eigent het zich toe en aanvaardt het als een zelfstandige werkelijkheid, en zo geeft zij het geloof een persoonlijke inwoning.
Zie dit bij Abram. God komt in een gezicht tot hem en zegt: „En vrees niet, Abram, Ik ben u een schild, uw loon zeer groot.” Maar Abram zegt in een vlaag van ongeloof: „Wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen henenga, en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer?” Toen leidde de Heere hem naar buiten en zei tegen hem: „Zie nu op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt. En Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn.” Hier was dus het getuigenis van God in een bepaalde belofte aan het geweten van Abram, en onmiddellijk daarop vloeit het geloof binnen, want wij lezen: „En Abram geloofde in de Heere, en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.”
Toen God tot zijn ziel sprak, geloofde Abram door de werking van de Geest van God in zijn hart. Hij geloofde wat God tegen hem zei; inwendig en geestelijk hechtte hij daar geloof aan, want hij voelde wat God de Heilige Geest met kracht op zijn hart toepaste. Want dezelfde Geest Die het Woord op zijn hart toepaste, wekte het geloof in zijn ziel, dat zich vermengde met het toegepaste Woord, en zo kreeg het Woord een vaste, blijvende plaats in zijn geweten.
Aan de lezer…
Zijn de dingen van God voor u soms niet meer dan woorden en namen, luchtige schaduwen waaraan u geen werkelijkheid kunt geven, hoe u ook uw best doet? Weet dan, waarde lezer, dat het ware geloof niet uit uw redeneringen voortkomt, en ook niet door een betoog kan worden voortgebracht. Het is een bijzondere gave van God, een genade van de Geest, en Jezus is er de Beginner en de Voleinder van. U hebt niet meer en niet minder geloof dan het Hem behaagt u te geven.
Dat is geen reden tot moedeloosheid, maar tot verwachting. Zoals de Heere Abram in zijn ongeloof naar buiten leidde en hem de sterren liet tellen, zo kan Hij ook tot uw ziel spreken. Dan vermengt het geloof zich met het Woord, grijpt het het getuigenis van God aan en geeft het dat een vaste, blijvende plaats in uw geweten. Zie dan op Hem, Die het geloof schept en onderhoudt, en wacht op Zijn woord, zodat u mag volharden als ziende de Onzienlijke.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Now faith is the substance of things hoped for, the evidence of things not seen.”
Hebrews 11:1
What an eminent grace is the grace of faith! I call it, sometimes, the Queen of graces; for faith seems to lead the van, though hope and love follow almost side by side. But still, faith, as the Queen, seems to go in the foremost rank, and to claim the most eminent place. Now, what is faith? That is a question of questions, for on it hangs heaven or hell. God Himself has given us a clear definition of it, where He says, “faith is the substance of things hoped for.”
In other words, faith in the soul gives a realization to the things in which we are brought to hope, takes what to most men are airy shadows, mere words and names, and gives them a substantial existence, a firm abiding place in the heart and conscience. The Apostle calls it also “the evidence of things not seen.” That is, faith, by believing the testimony of God, is to us an internal eye, whereby we see those things, which to the natural eye are invisible.
Thus adopting the Apostle’s definition, we may call faith the eye of the soul, as we read, “By faith he endured, seeing Him Who is invisible.” For it is only by faith that we see either God, or the precious things of God. It is only by faith that we feel their power. It is only by faith that we know they have a real subsistence, or that we ourselves have a substantial saving interest in them.
But this faith is the special gift of God. It is not the exercise of any intellectual faculty. It is not the result of reasoning or argument. Nor does it spring from any historical proof. It is a special gift of God, a grace of the Spirit raised up by the power of God in the soul, and acting upon the truth of God as the blessed Spirit draws it forth. Jesus is the Author; Jesus is the Finisher of it; and we have no more, and I believe no less faith, than He Himself, by His almighty power, is pleased to grant and to sustain.
But, looking at faith and some of its properties, we may branch out a little in describing how faith acts. There is an expression of the Apostle’s that casts a sweet light upon the work of faith, where he says, “Unto us was the gospel preached, as well as unto them; but the word preached did not profit them, not being mixed with faith in those who heard it.” Here he brings forward a special operation of faith, in that it mixes with the word of truth. And it does it thus. God the Holy Spirit applies God’s word to the conscience. He thus raises up the grace of faith; this grace of faith embraces God’s testimony, and so intermingles itself with this testimony that it enters into it, appropriates it, and gives it a substantial realization and personal indwelling.
See how this was done in the instance of Abram. God comes to him in the night visions, and says to him, “Fear not, I am your shield and exceeding great reward.” But Abram, in a fit of unbelief, says, “What will You give me, seeing I go childless, and the steward of my house is this Eliezer of Damascus?” The Lord then takes him abroad and shows him the stars of the sky, and tells him, “So shall your seed be.” Now here was the testimony of God in a certain promise to Abram’s conscience; upon this, faith immediately sprang up in his soul; for we read, “Abram believed God, and it was counted unto him for righteousness.”
When God spoke to his soul, Abram believed it by the operation of God’s Spirit on his heart. So it is with every child of God. He believes what God speaks to him, he inwardly, spiritually credits it, because he feels what God the Spirit applies to his soul with power; for the same Spirit that applies God’s word to his heart raises up the faith in his soul that mixes with the word applied, and thus gives the word a substantial realization, a firm abiding place in his conscience.
To the reader…
Are the things of God sometimes no more to you than words and names, airy shadows to which you cannot give any reality, however hard you try? Then know, dear reader, that true faith does not come from your reasonings, nor can it be produced by an argument. It is a special gift of God, a grace of the Spirit, and Jesus is its Author and Finisher. You have no more and no less faith than it pleases Him to give you.
That is no reason for despondency, but for expectation. As the Lord led Abram outside in his unbelief and let him count the stars, so He can also speak to your soul. Then faith mixes with the Word, lays hold of the testimony of God and gives it a firm, abiding place in your conscience. Look, then, to Him Who creates and sustains faith, and wait for His word, so that you may endure as seeing Him Who is invisible.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Es pues la fe la sustancia de las cosas que se esperan, la demostración de las cosas que no se ven.”
Hebreos 11:1
¡Qué gracia tan eminente es la gracia de la fe! A veces la llamo la Reina de las gracias; porque la fe parece ir a la vanguardia, aunque la esperanza y el amor la siguen casi a su lado. Pero aun así la fe, como Reina, parece ir en la primera fila y reclamar el lugar más eminente. Ahora bien, ¿qué es la fe? Esa es la pregunta de las preguntas, porque de ella dependen el cielo o el infierno. Dios mismo nos ha dado una definición clara de ella, donde dice: “La fe es la sustancia de las cosas que se esperan.”
En otras palabras, la fe en el alma da realidad a las cosas en las que somos llevados a esperar; toma lo que para la mayoría de los hombres son sombras vaporosas, meras palabras y nombres, y les da una existencia sustancial, un lugar firme y permanente en el corazón y la conciencia. El Apóstol la llama también “la demostración de las cosas que no se ven”. Es decir, la fe, al creer el testimonio de Dios, es para nosotros un ojo interior, por el cual vemos aquellas cosas que para el ojo natural son invisibles.
Así, adoptando la definición del Apóstol, podemos llamar a la fe el ojo del alma, como leemos: “Se sostuvo como viendo al Invisible.” Porque solo por la fe vemos a Dios o las cosas preciosas de Dios. Solo por la fe sentimos su poder. Solo por la fe sabemos que tienen una existencia real, o que nosotros mismos tenemos en ellas una parte sustancial y salvadora.
Pero esta fe es don especial de Dios. No es el ejercicio de ninguna facultad intelectual. No es el resultado del razonamiento ni de la argumentación. Tampoco brota de prueba histórica alguna. Es un don especial de Dios, una gracia del Espíritu levantada en el alma por el poder de Dios, y que obra sobre la verdad de Dios según el bendito Espíritu la hace salir. Jesús es su Autor; Jesús es su Consumador; y no tenemos más fe, y creo que tampoco menos, que la que Él mismo, por Su poder omnipotente, tiene a bien conceder y sostener.
Pero, al considerar la fe y algunas de sus propiedades, podemos extendernos un poco describiendo cómo obra la fe. Hay una expresión del Apóstol que arroja una dulce luz sobre la obra de la fe, cuando dice: “Porque también a nosotros se nos ha evangelizado como a ellos; mas no les aprovechó el oír la palabra a los que la oyeron sin mezclar fe.” Aquí presenta una operación especial de la fe: que se mezcla con la palabra de verdad. Y lo hace así. Dios el Espíritu Santo aplica la palabra de Dios a la conciencia. Así levanta la gracia de la fe; esta gracia de la fe abraza el testimonio de Dios, y se entremezcla de tal modo con este testimonio que entra en él, se lo apropia y le da una realización sustancial y una morada personal.
Vea cómo se hizo esto en el caso de Abram. Dios viene a él en visión de noche y le dice: “No temas, Abram; Yo soy tu escudo, y tu galardón sobremanera grande.” Pero Abram, en un arranque de incredulidad, dice: “¿Qué me has de dar, siendo así que ando sin hijo, y el mayordomo de mi casa es ese damasceno Eliezer?” Entonces el Señor le saca fuera, le muestra las estrellas del cielo y le dice: “Así será tu simiente.” Aquí estaba el testimonio de Dios en una promesa cierta a la conciencia de Abram; sobre esto, la fe brotó inmediatamente en su alma; porque leemos: “Y creyó a Jehová, y contóselo por justicia.”
Cuando Dios habló a su alma, Abram lo creyó por la operación del Espíritu de Dios en su corazón. Así sucede con todo hijo de Dios. Cree lo que Dios le habla; interior y espiritualmente le da crédito, porque siente lo que Dios el Espíritu aplica a su alma con poder; pues el mismo Espíritu que aplica la palabra de Dios a su corazón levanta en su alma la fe que se mezcla con la palabra aplicada, y así da a la palabra una realización sustancial, un lugar firme y permanente en su conciencia.
Al lector…
¿Son a veces las cosas de Dios para usted nada más que palabras y nombres, sombras vaporosas a las que no puede dar realidad alguna, por mucho que lo intente? Sepa entonces, querido lector, que la fe verdadera no procede de sus razonamientos, ni puede producirse con un argumento. Es un don especial de Dios, una gracia del Espíritu, y Jesús es su Autor y Consumador. No tiene usted más ni menos fe que la que a Él Le place darle.
Eso no es motivo de desaliento, sino de expectación. Así como el Señor sacó fuera a Abram en su incredulidad y le hizo contar las estrellas, así puede hablar también a su alma. Entonces la fe se mezcla con la Palabra, se aferra al testimonio de Dios y le da un lugar firme y permanente en su conciencia. Mire, pues, a Aquel que crea y sostiene la fe, y espere Su palabra, para que se sostenga como viendo al Invisible.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl