Nieuw verschenenHet woord van Gods genadePreken · 6 dagen geleden
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Door Baca’s vallei

26 december

Vandaag

5 min. lezen

Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.
Hebreeën 11:1

Wat een uitnemende genade is de genade van het geloof! Ik noem het soms de koningin van de genaden; want het geloof lijkt de voorhoede te leiden, al volgen de hoop en de liefde bijna zij aan zij. Maar toch lijkt het geloof als koningin in de allervoorste linie te gaan en de voornaamste plaats op te eisen. Wat is nu het geloof? Dat is een vraag boven vele vragen, want daarvan hangen hemel of hel af. God Zelf geeft ons er een duidelijk antwoord op, waar Hij zegt: „Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt.”

Met andere woorden: het geloof in de ziel geeft werkelijkheid aan de dingen waarop wij leren hopen. Wat voor de meeste mensen maar luchtige schaduwen, maar woorden en namen zijn, neemt het op en geeft het een wezenlijk bestaan, een vaste, blijvende plaats in hart en geweten. De apostel noemt het ook: „een bewijs der zaken, die men niet ziet.” Dat is het geloof door het getuigenis van God te geloven; het is voor ons een inwendig oog, waardoor wij de dingen zien die voor het natuurlijke oog onzichtbaar zijn. Als wij het onderscheid van de apostel overnemen, mogen wij het geloof dus het oog van de ziel noemen, zoals wij lezen: „Door het geloof hield hij zich vast, als ziende de Onzienlijke.”

Want alleen door het geloof zien wij op God of op de dierbare dingen van God. Alleen door het geloof voelen wij hun kracht. Alleen door het geloof kennen wij de werkelijkheid van die dingen, of weten wij dat wij er zelf werkelijk deel aan hebben.

Maar dit geloof is een bijzondere gave van God. Het is niet het resultaat van onze redeneringen of van bewijzen die wij zouden kunnen aanvoeren. Het komt niet voort uit het gebruik van een verstandelijk vermogen; ook kan het niet worden voortgebracht door een historisch betoog. Het is een bijzondere gave van God, een genade van de Geest, door de kracht van God in de ziel gewerkt, en het handelt in overeenstemming met de waarheid van God, zoals de gezegende Geest erin leidt. Jezus is de Beginner en de Voleinder, en ik geloof dat wij niet meer en niet minder geloof hebben dan het Hem behaagt ons door Zijn almachtige kracht te geven en in ons hart te onderhouden.

Maar nu wij letten op het geloof en op enkele van zijn eigenschappen, willen wij wat verder gaan en beschrijven hoe het geloof werkt. Er is een uitdrukking van de apostel die een zoet licht werpt op het werk van het geloof, waar hij zegt: „Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het Woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben.” Hij brengt hier een bijzondere werking van het geloof naar voren, namelijk dat het zich vermengt met het Woord van de waarheid. Dat gaat zo: God de Heilige Geest past het Woord toe op het geweten. Hij schept de genade van het geloof; deze genade van het geloof grijpt het getuigenis van God aan, en zo vermengt zij zich met dit getuigenis en gaat zij erop in, eigent het zich toe en aanvaardt het als een zelfstandige werkelijkheid, en zo geeft zij het geloof een persoonlijke inwoning.

Zie dit bij Abram. God komt in een gezicht tot hem en zegt: „En vrees niet, Abram, Ik ben u een schild, uw loon zeer groot.” Maar Abram zegt in een vlaag van ongeloof: „Wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen henenga, en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer?” Toen leidde de Heere hem naar buiten en zei tegen hem: „Zie nu op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt. En Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn.” Hier was dus het getuigenis van God in een bepaalde belofte aan het geweten van Abram, en onmiddellijk daarop vloeit het geloof binnen, want wij lezen: „En Abram geloofde in de Heere, en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.”

Toen God tot zijn ziel sprak, geloofde Abram door de werking van de Geest van God in zijn hart. Hij geloofde wat God tegen hem zei; inwendig en geestelijk hechtte hij daar geloof aan, want hij voelde wat God de Heilige Geest met kracht op zijn hart toepaste. Want dezelfde Geest Die het Woord op zijn hart toepaste, wekte het geloof in zijn ziel, dat zich vermengde met het toegepaste Woord, en zo kreeg het Woord een vaste, blijvende plaats in zijn geweten.

Aan de lezer…

Zijn de dingen van God voor u soms niet meer dan woorden en namen, luchtige schaduwen waaraan u geen werkelijkheid kunt geven, hoe u ook uw best doet? Weet dan, waarde lezer, dat het ware geloof niet uit uw redeneringen voortkomt, en ook niet door een betoog kan worden voortgebracht. Het is een bijzondere gave van God, een genade van de Geest, en Jezus is er de Beginner en de Voleinder van. U hebt niet meer en niet minder geloof dan het Hem behaagt u te geven.

Dat is geen reden tot moedeloosheid, maar tot verwachting. Zoals de Heere Abram in zijn ongeloof naar buiten leidde en hem de sterren liet tellen, zo kan Hij ook tot uw ziel spreken. Dan vermengt het geloof zich met het Woord, grijpt het het getuigenis van God aan en geeft het dat een vaste, blijvende plaats in uw geweten. Zie dan op Hem, Die het geloof schept en onderhoudt, en wacht op Zijn woord, zodat u mag volharden als ziende de Onzienlijke.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl