26 april
Gij stelt onze ongerechtigheden voor U; onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns.
Psalm 90:8
Zo getuigde Mozes, de man Gods, en Job wist het bij ervaring: „Want Gij schrijft tegen mij bittere dingen: en Gij doet mij erven de misdaden mijner jonkheid” (Job 13:26). Maar ofschoon de Heere de ongerechtigheden Zijns volks in het licht Zijns aanschijns stelt, en ze hen krachtig en zwaar op het geweten doet drukken, en hen ten minste voor een tijd in ellende en smart laat verzinken, wil Hij hen schragen onder de zware last, opdat zij er niet geheel onder verpletterd worden. Ik geloof, dat indien er een enkele genade is, die meer dan een andere in de gemeente Gods tegenwoordig wordt over het hoofd gezien, dan is het de genade des berouws.
Ofschoon het ligt op de drempel der ware godzaligheid, ofschoon het in het Evangelie, dat Paulus predikte, een hoofdbeginsel was, want hij betuigde beiden, Joden en Grieken, de bekering tot God, en het geloof in onze Heere Jezus Christus (Hand. 20:21), hoe wordt het toch over het hoofd gezien! Er wordt gesproken van geloof, hoop en liefde; maar het berouw, de verslagenheid, de smart over de zonde, hoe vaak wordt dit gedeelte van Gods werk op de ziel voorbijgezien. Maar de Heere zal het niet voorbijzien! Hij zal die geheime zonden aan het licht brengen en ze in het licht Zijns aanschijns stellen, en als Hij ze legt op het geweten des zondaars, zal deze gevoelen hoe kwaad en bitter het is tegen de Heere gezondigd te hebben.
Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaad,
mijn zonde zie ’k mij steeds voor ogen zweven.
’k Heb tegen U, ja U alleen misdreven,
Uw wil en wet, hoe heilig, stout versmaad;
ik heb gedaan, wat kwaad was in Uw oog:
dies ben ik, Heer, Uw gramschap dubbel waardig!
’k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog.
Uw doen is rein. Uw vonnis gans rechtvaardig.
Ps. 51:2
Aan de lezer…
Wie een zonde op zijn geweten heeft die hij liever verborgen had gehouden, weet hoe zwaar dat kan drukken, en u kent dat wellicht zelf. Misschien was het lang vergeten, een misdaad uit uw jonkheid, en nu staat het ineens weer voor uw ogen in het licht van Gods aanschijn. Dat is bitter, en het kan de ziel voor een tijd doen verzinken in smart. Maar wees niet te snel om het weg te redeneren of er doorheen te willen springen.
Het berouw wordt zo vaak voorbijgezien, en toch ligt het op de drempel der ware godzaligheid. De Heere ziet het niet voorbij. Hij laat de zondaar voelen hoe kwaad en bitter het is tegen Hem gezondigd te hebben, maar Hij schraagt hem ook onder die last, opdat hij niet verpletterd wordt. Het is dezelfde weg die het Evangelie wijst: bekering tot God en geloof in onze Heere Jezus Christus. Laat uw droefheid u dan tot Hem drijven, en niet van Hem af.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gij stelt onze ongerechtigheden voor U; onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns.
Psalm 90:8
Zo getuigde Mozes, de man Gods, en Job wist het bij ervaring: „Want Gij schrijft tegen mij bittere dingen: en Gij doet mij erven de misdaden mijner jonkheid” (Job 13:26). Maar hoewel de Heere de ongerechtigheden van Zijn volk in het licht van Zijn aangezicht stelt, ze krachtig en zwaar op hun geweten laat drukken en hen ten minste voor een tijd in ellende en smart laat wegzinken, wil Hij hen onder die zware last ondersteunen, zodat zij er niet helemaal onder verpletterd worden. Ik geloof dat, als er één genade is die in de gemeente van God tegenwoordig meer dan een andere over het hoofd wordt gezien, het de genade van het berouw is.
Hoewel het op de drempel van de ware godzaligheid ligt, en hoewel het een hoofdbeginsel was in het Evangelie dat Paulus predikte, want hij betuigde beiden, Joden en Grieken, de bekering tot God en het geloof in onze Heere Jezus Christus (Hand. 20:21), hoe wordt het toch over het hoofd gezien! Er wordt gesproken over geloof, hoop en liefde, maar hoe vaak wordt het berouw, de verslagenheid, de smart over de zonde, dit deel van Gods werk in de ziel, voorbijgezien! Maar de Heere zal het niet voorbijzien! Hij zal die geheime zonden aan het licht brengen en ze in het licht van Zijn aangezicht stellen. En wanneer Hij ze op het geweten van de zondaar legt, zal deze voelen hoe kwaad en bitter het is tegen de Heere gezondigd te hebben.
Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaad,
mijn zonde zie ’k mij steeds voor ogen zweven.
’k Heb tegen U, ja U alleen misdreven,
Uw wil en wet, hoe heilig, stout versmaad;
ik heb gedaan, wat kwaad was in Uw oog:
dies ben ik, Heer, Uw gramschap dubbel waardig!
’k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog.
Uw doen is rein. Uw vonnis gans rechtvaardig.
Ps. 51:2
Aan de lezer…
Wie een zonde op zijn geweten heeft die hij liever verborgen had gehouden, weet hoe zwaar dat kan drukken, en misschien kent u dat zelf. Misschien was het lang vergeten, een misdaad uit uw jeugd, en nu staat het ineens weer voor uw ogen in het licht van Gods aangezicht. Dat is bitter, en het kan de ziel voor een tijd in smart laten wegzinken. Maar wees niet te snel om het weg te redeneren of eroverheen te willen stappen.
Het berouw wordt zo vaak voorbijgezien, en toch ligt het op de drempel van de ware godzaligheid. De Heere ziet het niet voorbij. Hij laat de zondaar voelen hoe kwaad en bitter het is tegen Hem gezondigd te hebben, maar Hij ondersteunt hem ook onder die last, zodat hij niet verpletterd wordt. Het is dezelfde weg die het Evangelie wijst: bekering tot God en geloof in onze Heere Jezus Christus. Laat uw droefheid u dan tot Hem drijven, en niet van Hem af.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thou hast set our iniquities before Thee, our secret sins in the light of Thy countenance.
Psalm 90:8
Thus Moses the man of God testified, and so Job found it—“For you write bitter things against me, and make me to possess the iniquities of my youth” (Job 13:26). But though the Lord sets His people’s sins in the light of His countenance, and brings them to bear with weight and power upon their conscience, and thus for a time at least lets them sink and fall into distress and grief, He will support them under the heavy load, that they may not altogether be crushed by it.
I do think, that if there is one single grace more overlooked than another in the Church of God at the present day, it is the ‘grace of repentance’. Though it lies at the very threshold of vital godliness, though it was one main element in the gospel that Paul preached, for he “testified both to the Jews and also to the Greeks repentance toward God, and faith toward our Lord Jesus Christ” (Acts 20:21), yet how it is passed by. Men speak of faith, hope, and love; but repentance, contrition, godly sorrow for sin, how much this part of God’s work upon the soul is passed by.
But the Lord will not pass it by. Books may pass it by; men may pass it by; ministers may pass it by; but the Lord will not pass it by. He will bring out these secret sins and set them in the light of His countenance; and when He lays them upon the sinner’s conscience, He will make him feel what an evil and bitter thing it is to have sinned against the Lord.
To the reader…
Whoever has a sin on his conscience that he would rather have kept hidden knows how heavily that can press, and perhaps you know it yourself. Perhaps it was long forgotten, a sin of your youth, and now it suddenly stands before your eyes again in the light of God’s countenance. That is bitter, and it can make the soul sink into sorrow for a time. But do not be too quick to reason it away or to want to step over it.
Repentance is so often passed by, and yet it lies at the very threshold of true godliness. The Lord does not pass it by. He makes the sinner feel what an evil and bitter thing it is to have sinned against Him, but He also supports him under that burden, so that he is not crushed. It is the same way the gospel points to: repentance toward God, and faith toward our Lord Jesus Christ. So let your sorrow drive you to Him, and not away from Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Pusiste nuestras maldades delante de Ti, nuestros yerros a la luz de Tu rostro.
Salmo 90:8
Así lo testificó Moisés, varón de Dios, y así lo halló Job: “Porque escribes contra mí amarguras, y me haces cargo de los pecados de mi mocedad” (Job 13:26). Pero aunque el Señor pone los pecados de Su pueblo a la luz de Su rostro, y los hace pesar con peso y poder sobre su conciencia, y así, al menos por un tiempo, los deja hundirse y caer en angustia y dolor, Él los sostendrá bajo la pesada carga, para que no sean del todo aplastados por ella.
Creo de veras que, si hay una sola gracia más pasada por alto que otra en la Iglesia de Dios en el día presente, es la ‘gracia del arrepentimiento’. Aunque está en el mismo umbral de la piedad vital, aunque fue un elemento principal del evangelio que Pablo predicaba, pues él testificaba “a los judíos y a los gentiles arrepentimiento para con Dios, y la fe en nuestro Señor Jesucristo” (Hechos 20:21), sin embargo, ¡cómo se pasa por alto! Los hombres hablan de fe, esperanza y amor; pero el arrepentimiento, la contrición, la tristeza piadosa por el pecado, ¡cuánto se pasa por alto esta parte de la obra de Dios en el alma!
Pero el Señor no la pasará por alto. Los libros pueden pasarla por alto; los hombres pueden pasarla por alto; los ministros pueden pasarla por alto; pero el Señor no la pasará por alto. Él sacará a luz estos pecados secretos y los pondrá a la luz de Su rostro; y cuando los ponga sobre la conciencia del pecador, le hará sentir cuán malo y amargo es haber pecado contra el Señor.
Al lector…
Quien tiene en su conciencia un pecado que habría preferido mantener oculto sabe cuán pesadamente puede oprimir, y quizá usted mismo lo sabe. Quizá estaba olvidado hace mucho, un pecado de su juventud, y ahora de pronto está otra vez delante de sus ojos a la luz del rostro de Dios. Eso es amargo, y puede hacer que el alma se hunda por un tiempo en la tristeza. Pero no se apresure a razonarlo hasta hacerlo desaparecer ni a querer pasar por encima de ello.
El arrepentimiento se pasa por alto con tanta frecuencia, y sin embargo está en el mismo umbral de la verdadera piedad. El Señor no lo pasa por alto. Hace sentir al pecador cuán malo y amargo es haber pecado contra Él, pero también le sostiene bajo esa carga, para que no sea aplastado. Es el mismo camino que señala el evangelio: arrepentimiento para con Dios, y la fe en nuestro Señor Jesucristo. Deje, pues, que su tristeza le lleve a Él, y no lejos de Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl