26 maart
De Heere bemint de poorten Sions.
Psalm 87:2
Waartoe dienen de poorten? Tot twee doeleinden: om in te gaan en uit te gaan. En Sion heeft ook haar poorten om uit te gaan en in te gaan; zij heeft haar poorten van toegang tot God, van ingang tot de tegenwoordigheid van de Allerhoogste; „de deur der hoop”, die haar opening heeft in „de vallei van Achor”. En wie heeft de deur geopend; of liever, wie heeft ze niet alleen geopend en gemaakt, dan Hij, Die Zelf de deur is? „Ik ben de deur,” zegt Jezus.
En werd „de deur” niet geopend door Zijn verscheurd vlees? Zoals de apostel zegt: „Hebbende daarom, broeders! de vrijmoedigheid in het heiligdom in te gaan door het bloed van Jezus, door een verse en levende weg, welke Hij voor ons heeft geheiligd, door het voorhangsel, dat is, Zijn vlees.” Door Zijn bloedende wonden, door Zijn doorboorde zijde, door Zijn doornagelde handen en voeten is er nu toegang tot God. Is er een andere toegang tot God dan door het geslachte Lam? „Door Hem hebben wij toegang door één Geest tot de Vader.” Er is geen andere; want Hij is „de Weg, de Waarheid, en het Leven, en niemand komt tot de Vader dan door Hem.”
Is dit geen open weg? Gaat de ziel niet door deze deur in en uit, en vindt zij geen weide, en komt zij niet tot de onmiddellijke nabijheid Gods? Vindt gij, mijne vrienden! ooit toegang tot God, een hart om te bidden, een gevoel van gebedsverhoring, een geopende deur, en de kracht om erin te gaan? Wat opent haar? Verdienste? Zet verdienste op de voorgrond en wij zijn allen verdoemd. Er is geen verdienste, groot noch klein; het is het bloed des Lams alleen, dat een weg gebaand heeft voor arme verloren zondaren, om ze tot God te brengen.
Verhoogt, o poorten, nu de boog,
rijst, eeuw’ge deuren, rijst omhoog,
opdat de Koning in moog’ rijden!
Wie is die Vorst, zo groot in eer?
’t Is God, d’almachtig’ Opperheer!
’t Is God, geweldig in het strijden!
Ps. 24:5
Aan de lezer…
Soms staat u voor de poort en durft u niet in te gaan. Zegt uw hart dat u te zondig, te koud, te onwaardig bent om tot God te naderen? Dan is het goed te weten dat er geen verdienste nodig is, groot noch klein. Zet verdienste op de voorgrond, en wij zijn allen verdoemd. Maar de deur is geopend door het verscheurde vlees van Christus, door Zijn bloedende wonden en Zijn doorboorde zijde.
Hij Zelf zegt: „Ik ben de Deur.” Niemand komt tot de Vader dan door Hem, maar ook niemand die door Hem komt, wordt buitengesloten. Hebt u ooit toegang gevonden, een hart om te bidden, een gevoel van verhoring? Dan was het het bloed des Lams dat de weg baande. Ga dan opnieuw in, met al uw armoede. De Heere bemint de poorten Sions, en Hij heeft ze geopend voor arme, verloren zondaren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De Heere bemint de poorten Sions.
Psalm 87:2
Waarvoor dienen poorten? Voor twee doeleinden: om naar binnen en om naar buiten te gaan. Ook Sion heeft haar poorten om uit te gaan en in te gaan. Zij heeft haar poorten van toegang tot God, van ingang tot de tegenwoordigheid van de Allerhoogste: „de deur der hoop”, die haar opening heeft in „het dal Achor”. En wie heeft die deur geopend? Of liever: wie anders heeft haar niet alleen geopend maar ook gemaakt dan Hij Die Zelf de Deur is? „Ik ben de Deur,” zegt Jezus.
En werd „de deur” niet geopend door Zijn verscheurde vlees? Zoals de apostel zegt: „Hebbende daarom, broeders! de vrijmoedigheid in het heiligdom in te gaan door het bloed van Jezus, door een verse en levende weg, welke Hij voor ons heeft geheiligd, door het voorhangsel, dat is, Zijn vlees.” Door Zijn bloedende wonden, door Zijn doorstoken zijde, door Zijn doorboorde handen en voeten is er nu toegang tot God. Is er een andere toegang tot God dan door het geslachte Lam? „Door Hem hebben wij toegang door één Geest tot de Vader.” Er is geen andere, want Hij is „de Weg, de Waarheid, en het Leven, en niemand komt tot de Vader dan door Hem.”
Is dit geen open weg? Gaat de ziel niet door deze deur in en uit, vindt zij geen weide, en komt zij niet in de onmiddellijke nabijheid van God? Vindt u, mijn vrienden, ooit toegang tot God, een hart om te bidden, een besef van gebedsverhoring, een geopende deur en de kracht om erdoor naar binnen te gaan? Wat opent haar? Verdienste? Zet verdienste op de voorgrond, en wij zijn allemaal verdoemd. Er is geen verdienste, groot of klein; het is alleen het bloed van het Lam dat een weg gebaand heeft voor arme, verloren zondaren, om hen tot God te brengen.
Verhoogt, o poorten, nu de boog,
rijst, eeuw’ge deuren, rijst omhoog,
opdat de Koning in moog’ rijden!
Wie is die Vorst, zo groot in eer?
’t Is God, d’almachtig’ Opperheer!
’t Is God, geweldig in het strijden!
Ps. 24:5
Aan de lezer…
Soms staat u voor de poort en durft u niet naar binnen te gaan. Zegt uw hart dat u te zondig, te koud, te onwaardig bent om tot God te naderen? Dan is het goed te weten dat er geen verdienste nodig is, groot of klein. Zet verdienste op de voorgrond, en wij zijn allemaal verdoemd. Maar de deur is geopend door het verscheurde vlees van Christus, door Zijn bloedende wonden en Zijn doorstoken zijde.
Hij Zelf zegt: „Ik ben de Deur.” Niemand komt tot de Vader dan door Hem, maar ook niemand die door Hem komt, wordt buitengesloten. Hebt u ooit toegang gevonden, een hart om te bidden, een besef van verhoring? Dan was het het bloed van het Lam dat de weg baande. Ga dan opnieuw naar binnen, met al uw armoede. De Heere bemint de poorten van Sion, en Hij heeft ze geopend voor arme, verloren zondaren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD loveth the gates of Zion.
Psalm 87:2
What are gates for? Two purposes—entrance and exit. And Zion, also, has her gates of exit and entrance; she has her gates of access to God, entrance into the presence of the Most High; “the door of hope,” opened in “the valley of Achor.” And who has opened the door; or, rather, who has not only opened it and made it, but Himself IS the Door? “I am the Door,” says Jesus. And was not “the door” opened through His rent flesh? As the Apostle speaks—“Having therefore, brethren, boldness to enter into the holiest by the blood of Jesus, by a new and living way, which He has consecrated for us, through the veil, that is to say, His flesh.” Through His bleeding wounds, through His pierced side, through His mangled feet and hands, there is now access to God—
“A door of hope is opened wide
In Jesus’ pierced hands and side.”
Is there any other access to God, but through the slaughtered Lamb? “Through Him we have access by one Spirit unto the Father.” There is no other; for He is “the way, the truth, and the life, and no man comes to the Father but by Him.” Is not this an open way? Does not the soul through this door “walk in and out and find pasture,” and enter into the immediate presence of God?
Do you, my friends, ever find access to God, a heart to pray, a sense of acceptance in prayer, an open door, and power to enter therein? What opens it? Merit? Set up merit, and we are all damned to a man. It is not merit, great or little; it is the blood of the Lamb which alone has opened a way for poor lost sinners to draw near to God.
To the reader…
Sometimes you stand before the gate and do not dare to go in. Does your heart say that you are too sinful, too cold, too unworthy to draw near to God? Then it is good to know that no merit is needed, great or small. Put merit in the foreground, and we are all condemned. But the door has been opened through the rent flesh of Christ, through His bleeding wounds and His pierced side.
He Himself says, “I am the Door.” No one comes to the Father but by Him, but neither is anyone who comes by Him shut out. Have you ever found access, a heart to pray, a sense of being heard? Then it was the blood of the Lamb that opened the way. So go in again, with all your poverty. The Lord loves the gates of Zion, and He has opened them for poor lost sinners.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Ama Jehová las puertas de Sion.
Salmo 87:2
¿Para qué sirven las puertas? Para dos fines: entrar y salir. Y Sion tiene también sus puertas de salida y de entrada; tiene sus puertas de acceso a Dios, de entrada a la presencia del Altísimo; “la puerta de esperanza”, abierta en “el valle de Achor”. ¿Y quién ha abierto la puerta; o, mejor dicho, quién no solo la ha abierto y hecho, sino que Él mismo ES la Puerta? “Yo soy la puerta”, dice Jesús. ¿Y no fue abierta “la puerta” por medio de Su carne rasgada? Como dice el Apóstol: “Así que, hermanos, teniendo libertad para entrar en el santuario por la sangre de Jesucristo, por el camino que Él nos consagró nuevo y vivo, por el velo, esto es, por Su carne”. Por Sus heridas que sangran, por Su costado traspasado, por Sus pies y manos desgarrados, hay ahora acceso a Dios:
“Una puerta de esperanza está abierta de par en par
en las manos y el costado traspasados de Jesús.”
¿Hay algún otro acceso a Dios sino por medio del Cordero inmolado? “Por Él tenemos entrada por un mismo Espíritu al Padre”. No hay otro; porque Él es “el camino, y la verdad, y la vida; nadie viene al Padre, sino por Él”. ¿No es este un camino abierto? ¿No “entra y sale y halla pastos” el alma por esta puerta, y entra en la presencia inmediata de Dios?
¿Encuentran ustedes, amigos míos, alguna vez acceso a Dios, un corazón para orar, un sentido de ser aceptados en la oración, una puerta abierta y poder para entrar por ella? ¿Qué la abre? ¿El mérito? Pongan el mérito por delante, y todos sin excepción estamos condenados. No es el mérito, grande o pequeño; es la sangre del Cordero lo único que ha abierto un camino para que pobres pecadores perdidos se acerquen a Dios.
Al lector…
A veces está usted delante de la puerta y no se atreve a entrar. ¿Le dice su corazón que es demasiado pecador, demasiado frío, demasiado indigno para acercarse a Dios? Entonces es bueno saber que no se necesita ningún mérito, ni grande ni pequeño. Ponga el mérito por delante, y todos estamos condenados. Pero la puerta ha sido abierta por medio de la carne rasgada de Cristo, por Sus heridas que sangran y Su costado traspasado.
Él mismo dice: “Yo soy la puerta”. Nadie viene al Padre sino por Él, pero tampoco es excluido nadie que viene por Él. ¿Ha hallado usted alguna vez acceso, un corazón para orar, un sentido de ser oído? Entonces fue la sangre del Cordero la que abrió el camino. Entre, pues, de nuevo, con toda su pobreza. Ama Jehová las puertas de Sion, y las ha abierto para pobres pecadores perdidos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl