25 november
De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.
Job 28:7
De groei in de genade is geen voortgaande heiligmaking en een vleselijke heiligheid aan de ene zijde, noch ook een valse en bedrieglijke vaststelling aan de andere zijde. Het nauwe pad ligt tussen deze twee uitersten. Aan de ene zijde ligt Sene en aan de andere zijde Bozez (1 Sam. 14:4), dat is: aan de ene zijde Farizese heiligheid en aan de andere zijde antinomiaanse zekerheid; en tussen deze twee scherpe rotsen ligt het pad dat de roofvogel niet kent en dat het oog der kraai niet heeft gezien.
Voor zich aan deze rotsen te pletter te stoten, wordt een levend mens alleen bewaard door de verborgen handelingen Gods met zijn geest en door de inwendige oefeningen die hij voortdurend beleeft. Een duurzame kennisneming van zijn eigen onreinheid bewaart hem voor een eigengerechtige heiligheid in het vlees, en een dagelijks kruis en een scherpe doorn weerhouden hem van een zorgeloze vermetelheid. Zijn pad is inderdaad een wonderlijk pad, vol van overeenkomstige tegenstrijdigheden en hemelse raadselen.
Hij is nooit op zijn gemak als hij op zijn gemak is, en nooit zonder last wanneer hij geen last heeft. Hij is nooit vergenoegd wanneer hij niet iets doet, en hij is nooit vergenoegd met hetgeen hij doet. Hij is nooit zo sterk dan wanneer hij stilzit, en nooit zo vruchtbaar dan wanneer hij niets doet, en nooit zo werkzaam dan wanneer hij de minste haast maakt. Allen streven hem in zijn loop voorbij, doch hij alleen bereikt het eind en wint de prijs. Allen zijn verzekerd, naar hij gelooft, dat zij in de hemel zullen binnengaan, behalve hijzelf; en toch beërft hij het Koninkrijk, terwijl de anderen worden buitengeworpen.
Hij verkrijgt vergeving door schuld, hoop door twijfelmoedigheid, verlossing door verzoeking, troost door verdrukking en een kleed der gerechtigheid door vuile vodden. Ofschoon een worm en geen man, overwint hij evenwel de Almachtige en zichzelf door geweld; en ofschoon nog minder dan niet en ijdelheid, neemt hij de hemel door geweld. Dus, onder al de vreemde tegenstellingen die een gelovige in zich ontwaart, is hij nooit zo veelvuldig in het gebed dan wanneer hij niets zegt, nooit zo wijs dan wanneer hij zich als de grootste dwaas gevoelt, nooit zo eenzaam dan wanneer hij in gezelschap verkeert, en nooit zozeer onder de kracht van een innerlijke godsdienst dan wanneer hij zich van de uitwendige godsdienst gescheiden vindt.
Aan de lezer…
Hoe dikwijls verstaat u uw eigen weg niet meer! Bent u nooit tevreden met wat u doet, en ziet u allen u voorbijstreven, terwijl u meent dat ieder de hemel zal binnengaan behalve uzelf? Voelt u zich een worm en geen man, minder dan niet en ijdelheid? Denk dan niet te snel dat u van het pad bent afgedwaald. Het is een pad dat de roofvogel niet kent en dat het oog der kraai niet heeft gezien.
Juist die dagelijkse kennis van uw eigen onreinheid en dat kruis met die scherpe doorn zijn de verborgen handelingen Gods, waardoor Hij u bewaart voor de rots van eigengerechtigheid aan de ene en van zorgeloze vermetelheid aan de andere zijde. Zo wordt u door schuld tot vergeving geleid, door twijfel tot hoop en door verdrukking tot troost. Vreemd is die weg, maar het is de weg waarlangs Hij Zijn volk tot het einde brengt en de prijs doet winnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.
Job 28:7
De groei in de genade is geen voortgaande heiligmaking en vleselijke heiligheid aan de ene kant, en ook geen valse en bedrieglijke zekerheid aan de andere kant. Het smalle pad ligt tussen deze twee uitersten. Aan de ene kant ligt Seneh en aan de andere kant Bozez (1 Sam. 14:4), dat wil zeggen: aan de ene kant farizeese heiligheid en aan de andere kant antinomiaanse zekerheid. En tussen deze twee scherpe rotsen ligt het pad dat de roofvogel niet kent en dat het oog van de kraai niet heeft gezien.
Een levend mens wordt er alleen voor bewaard zich aan deze rotsen te pletter te stoten door Gods verborgen handelen met zijn geest en door de innerlijke oefeningen die hij voortdurend doormaakt. Een blijvend besef van zijn eigen onreinheid bewaart hem voor een eigengerechtige heiligheid in het vlees, en een dagelijks kruis en een scherpe doorn weerhouden hem van zorgeloze vermetelheid. Zijn pad is inderdaad een wonderlijk pad, vol tegenstrijdigheden die toch samengaan en vol hemelse raadsels.
Hij is nooit op zijn gemak wanneer hij op zijn gemak is, en nooit zonder last wanneer hij geen last heeft. Hij is nooit tevreden wanneer hij niets doet, en hij is nooit tevreden met wat hij doet. Hij is nooit zo sterk als wanneer hij stilzit, nooit zo vruchtbaar als wanneer hij niets doet, en nooit zo werkzaam als wanneer hij de minste haast maakt. Allen streven hem in zijn loop voorbij, maar hij alleen bereikt het einde en wint de prijs. Allen zijn er, naar hij gelooft, zeker van dat zij de hemel zullen binnengaan, behalve hijzelf; en toch beërft hij het Koninkrijk, terwijl de anderen worden buitengeworpen.
Hij krijgt vergeving door schuld, hoop door twijfelmoedigheid, verlossing door verzoeking, troost door verdrukking en een kleed van gerechtigheid door vuile vodden. Hoewel hij een worm is en geen man, overwint hij toch de Almachtige en zichzelf door geweld; en hoewel hij nog minder is dan niet en ijdelheid, neemt hij de hemel met geweld. Zo is een gelovige, onder al de vreemde tegenstellingen die hij in zich bespeurt, nooit zo overvloedig in het gebed als wanneer hij niets zegt, nooit zo wijs als wanneer hij zich de grootste dwaas voelt, nooit zo eenzaam als wanneer hij in gezelschap is, en nooit zozeer onder de kracht van een innerlijke godsdienst als wanneer hij merkt dat hij van de uitwendige godsdienst gescheiden is.
Aan de lezer…
Hoe vaak begrijpt u uw eigen weg niet meer! Bent u nooit tevreden met wat u doet, en ziet u iedereen u voorbijstreven, terwijl u meent dat ieder de hemel zal binnengaan behalve uzelf? Voelt u zich een worm en geen man, minder dan niet en ijdelheid? Denk dan niet te snel dat u van het pad bent afgedwaald. Het is een pad dat de roofvogel niet kent en dat het oog van de kraai niet heeft gezien.
Juist dat dagelijkse besef van uw eigen onreinheid en dat kruis met die scherpe doorn zijn Gods verborgen handelingen, waardoor Hij u bewaart voor de rots van eigengerechtigheid aan de ene en van zorgeloze vermetelheid aan de andere kant. Zo wordt u door schuld tot vergeving geleid, door twijfel tot hoop en door verdrukking tot troost. Vreemd is die weg, maar het is de weg waarlangs Hij Zijn volk tot het einde brengt en de prijs laat winnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“There is a path which no fowl knoweth, and which the vulture’s eye hath not seen.”
Job 28:7
Growth in grace is not progressive sanctification and fleshly holiness on the one hand, nor a false and delusive establishment on the other. The narrow path lies between these two extremes. On the one side is Pharisaic holiness, on the other Antinomian security; and between these two sharp rocks lies the “path which no fowl knows, and which the vulture’s eye has not seen.” From dashing on either of these rocks a living man is kept only by the mysterious dealings of God with his spirit, and the internal exercises through which he continually passes. A constant acquaintance with his own vileness preserves him from a self-righteous holiness in the flesh; a daily cross and a rankling thorn keep him from careless presumption.
His path is indeed a mysterious one, full of harmonious contradictions and heavenly paradoxes. He is never easy when at ease, nor without a burden when he has none. He is never satisfied without doing something, and yet is never satisfied with anything that he does. He is never so strong as when he sits still, never so fruitful as when he does nothing, and never so active as when he makes the least haste. All outstrip him in the race, yet he alone gains the goal, and wins the prize.
All are sure of heaven but himself, yet he enters into the kingdom, while they are thrust out. He wins pardon through guilt, hope through despair, deliverance through temptation, comfort through affliction, and a robe of righteousness through filthy rags. Though a worm and no man, he overcomes Omnipotence itself through violence; and though less than vanity and nothing, he takes heaven itself by force. Thus amid the strange contradictions which meet in a believing heart, he is never so prayerful as when he says nothing; never so wise as when he is the greatest fool; never so much alone as when most in company; and never so much under the power of an inward religion as when most separated from an outward one.
To the reader…
How often you no longer understand your own way! Are you never satisfied with what you do, and do you see everyone outstrip you, while you think that everyone will enter heaven except yourself? Do you feel a worm and no man, less than nothing and vanity? Then do not too quickly conclude that you have strayed from the path. It is a path which no fowl knows and which the vulture’s eye has not seen.
That daily sense of your own vileness, that cross with its sharp thorn, are the very hidden dealings of God by which He keeps you from the rock of self-righteousness on the one side and of careless presumption on the other. So you are led through guilt to pardon, through doubt to hope and through affliction to comfort. Strange is that way, but it is the way by which He brings His people to the end and lets them win the prize.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Senda que nunca la conoció ave, ni ojo de buitre la vio.”
Job 28:7
El crecimiento en la gracia no es, por un lado, santificación progresiva y santidad carnal, ni, por otro, un afianzamiento falso e ilusorio. La senda angosta se halla entre estos dos extremos. A un lado está la santidad farisaica, al otro la seguridad antinomiana; y entre estas dos rocas afiladas se halla la “senda que nunca la conoció ave, ni ojo de buitre la vio”. De estrellarse contra cualquiera de estas rocas, el hombre vivo es guardado solo por los misteriosos tratos de Dios con su espíritu y por los ejercicios interiores por los que pasa continuamente. Un trato constante con su propia vileza le preserva de una santidad justiciera en la carne; una cruz diaria y una espina enconada le guardan de la presunción descuidada.
Su senda es en verdad misteriosa, llena de contradicciones armoniosas y de paradojas celestiales. Nunca está tranquilo cuando está a gusto, ni sin carga cuando no tiene ninguna. Nunca está satisfecho sin hacer algo, y sin embargo nunca está satisfecho con nada de lo que hace. Nunca es tan fuerte como cuando está quieto, nunca tan fructífero como cuando no hace nada, y nunca tan activo como cuando menos se apresura. Todos le adelantan en la carrera, y sin embargo solo él alcanza la meta y gana el premio.
Todos están seguros del cielo menos él, y sin embargo él entra en el reino, mientras que ellos son echados fuera. Gana perdón por medio de la culpa, esperanza por medio de la desesperación, liberación por medio de la tentación, consuelo por medio de la aflicción, y un manto de justicia por medio de trapos de inmundicia. Aunque es gusano y no hombre, vence a la Omnipotencia misma con violencia; y aunque es menos que la vanidad y que nada, arrebata el cielo mismo por la fuerza. Así, en medio de las extrañas contradicciones que se juntan en un corazón creyente, nunca ora tanto como cuando no dice nada; nunca es tan sabio como cuando es el mayor necio; nunca está tan solo como cuando está más acompañado; y nunca está tanto bajo el poder de una religión interior como cuando está más apartado de una exterior.
Al lector…
¡Cuán a menudo ya no entiende usted su propio camino! ¿Nunca está satisfecho con lo que hace, y ve que todos le adelantan, mientras piensa que todos entrarán en el cielo menos usted? ¿Se siente gusano y no hombre, menos que nada y que vanidad? Entonces no concluya demasiado pronto que se ha extraviado de la senda. Es una senda que nunca la conoció ave, ni ojo de buitre la vio.
Ese sentimiento diario de su propia vileza, esa cruz con su espina aguda, son precisamente los tratos escondidos de Dios por los cuales Él le guarda de la roca de la justicia propia a un lado y de la presunción descuidada al otro. Así es usted llevado por la culpa al perdón, por la duda a la esperanza y por la aflicción al consuelo. Extraño es ese camino, pero es el camino por el cual Él lleva a Su pueblo hasta el fin y le hace ganar el premio.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl