24 augustus
En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der gemeente.
Kolossenzen 1:18
Dat de Heere Jezus Christus een volk zou hebben, waarin Hij eeuwig zou verheerlijkt worden, was vastgelegd in de belofte des Vaders aan de Zoon: „Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting” (Psalm 2:8). Dit was de vreugde die Hem voorgesteld was, waarvoor Hij het kruis heeft gedragen en de schande veracht. Dit was de verkregen erfenis, de arbeid Zijner ziel en de beloning voor Zijn vernedering en lijden (Filipp. 2:9, 10). Dit volk vormt de leden van Zijn verborgen lichaam, en zij allen waren in Zijn boek geschreven, het boek des levens, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen er nog geen van die was (Psalm 139:16). Deze allen werden in de eeuwigheid Hem gegeven toen Hij verordineerd werd hun Verbondshoofd te zijn in het eeuwigdurend verbond, dat in alles welgeordineerd en bewaard is.
Zo werden zij dus, in het vooruitzicht van Zijn menswording, leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen. Op hoe treffende wijze herinnerde de gezegende Verlosser Zijn Vader aan deze verbondsonderhandeling, toen Hij in Zijn gedenkwaardig gebed zeide: „Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen die Gij Mij gegeven hebt; want zij zijn Uwe. En al het Mijne is Uwe, en het Uwe is Mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt.” Zijnde alzo aan Christus gegeven en verordineerd tot leden van Zijn verborgen lichaam, kunnen zij zo min verloren gaan als Christus Zelf. Hij is hun Hoofd, en daar Hij alle macht bezit en vol liefde is, vervuld met alle wijsheid en vol van barmhartigheid, genade en waarheid, hoe kan of wil Hij het dan verdragen dat één van Zijn leden uit Zijn lichaam zou uitvallen en voor Hem, zowel als voor zichzelf, zou verloren gaan?
Zal iemand uit vrije wil dulden dat zijn oog uitgestoken wordt, of dat zijn hand of voet, of zelfs de top van zijn pink afgesneden wordt? Indien enig lid van ons lichaam verderft, indien wij een arm of een been verliezen, dan is het omdat wij geen macht hebben om dit te beletten. Maar Christus bezit alle macht in de hemel en op de aarde, en daarom kan geen lid van Zijn verborgen lichaam verloren gaan uit kracht van niet te kunnen behouden.
Doch hoezeer deze leerstelling de waarheid is, het is alleen wanneer wij door een geestelijke geboorte zijn levend gemaakt, dat wij de werkelijkheid daarvan geloven. Eerst worden wij in de noodzakelijkheid gezet van Christus te moeten hebben als Verlosser van de toekomende toorn, van de vrees des doods, van de vloek der wet, van de aantijgingen van een beschuldigende consciëntie. En worden wij door de gezegende werking des Geestes in staat gesteld om Hem als de Christus Gods door het geloof in ons hart te ontvangen en enigermate ons aandeel in Hem vast te stellen, dan worden wij in de behoefte gebracht van de dagelijkse ondersteuningen van genade en kracht uit Zijn volheid.
Want wij moeten iets leren van de diepten van onze val, van de boosheden van ons hart, van de verzoekingen des satans, van de kracht der zonde, van onze eigen zwakheid en onwaardigheid. En elke nieuwe ontdekking van onze hulpbehoevendheid en ellende opent de weg om op Hem te zien en van Hem af te hangen. Wij worden meer en meer afhankelijk van Hem, als Die ons geworden is van God tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en verlossing.
Aan de lezer…
Wanneer u soms vreest dat u toch nog verloren zult gaan, is dit woord voor u. Leert u elke dag meer van de boosheid van uw hart, van de kracht der zonde en van uw eigen zwakheid, zodat u uzelf nauwelijks meer kunt vertrouwen? Dat is geen vreemde weg; het is de weg waarlangs de Heere Zijn volk afhankelijk maakt. Elke nieuwe ontdekking van uw ellende wil u leren op Hem te zien en van Hem af te hangen.
Want Christus is het Hoofd van Zijn lichaam, en Hij laat geen lid uitvallen. Wie van ons laat vrijwillig zijn oog uitsteken of zelfs de top van zijn pink afsnijden? Wij verliezen een lid alleen omdat wij geen macht hebben om het te beletten. Maar Hij bezit alle macht in de hemel en op de aarde, en Hij is vol liefde, genade en waarheid. Hij bidt voor de Zijnen. Steun dan niet op uw eigen vasthouden, maar op Zijn vasthouden; Hij is u van God geworden tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en verlossing.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der gemeente.
Kolossenzen 1:18
Dat de Heere Jezus Christus een volk zou hebben in wie Hij eeuwig verheerlijkt zou worden, lag vast in de belofte van de Vader aan de Zoon: „Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting” (Psalm 2:8). Dit was de vreugde die Hem was voorgesteld, waarvoor Hij het kruis heeft verdragen en de schande heeft veracht. Dit was de verworven erfenis, de arbeid van Zijn ziel en de beloning voor Zijn vernedering en lijden (Filipp. 2:9, 10). Dit volk vormt de leden van Zijn verborgen lichaam, en zij waren allen geschreven in Zijn boek, het boek des levens, de dagen dat zij geformeerd zouden worden, toen er nog geen van hen was (Psalm 139:16). Zij allen werden Hem in de eeuwigheid gegeven, toen Hij verordineerd werd om hun Verbondshoofd te zijn in het eeuwig verbond, dat in alles welgeordend en bewaard is.
Zo werden zij dus, met het oog op Zijn menswording, leden van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn benen. Op hoe treffende wijze herinnerde de gezegende Verlosser Zijn Vader aan deze verbondsafspraak, toen Hij in Zijn gedenkwaardig gebed zei: „Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen die Gij Mij gegeven hebt; want zij zijn Uwe. En al het Mijne is Uwe, en het Uwe is Mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt.” Omdat zij zo aan Christus gegeven zijn en verordineerd zijn tot leden van Zijn verborgen lichaam, kunnen zij evenmin verloren gaan als Christus Zelf. Hij is hun Hoofd. En omdat Hij alle macht bezit en vol liefde is, vervuld met alle wijsheid en vol van barmhartigheid, genade en waarheid, hoe kan of zal Hij dan verdragen dat een van Zijn leden uit Zijn lichaam zou wegvallen en zowel voor Hem als voor zichzelf verloren zou gaan?
Zal iemand vrijwillig dulden dat zijn oog uitgestoken wordt, of dat zijn hand of voet, of zelfs het topje van zijn pink, wordt afgesneden? Als een lid van ons lichaam te gronde gaat, als wij een arm of een been verliezen, dan is dat omdat wij geen macht hebben om het te verhinderen. Maar Christus bezit alle macht in de hemel en op de aarde, en daarom kan geen lid van Zijn verborgen lichaam verloren gaan doordat Hij het niet zou kunnen behouden.
Maar hoezeer deze leer ook de waarheid is, pas wanneer wij door een geestelijke geboorte levend gemaakt zijn, geloven wij de werkelijkheid ervan. Eerst worden wij in de noodzaak gebracht dat wij Christus moeten hebben als Verlosser van de toekomende toorn, van de vrees voor de dood, van de vloek van de wet, van de aanklachten van een beschuldigend geweten. En wanneer wij door de gezegende werking van de Geest in staat gesteld worden Hem als de Christus van God door het geloof in ons hart te ontvangen en in zekere mate ons deel aan Hem vast te stellen, dan worden wij gebracht tot de behoefte aan de dagelijkse ondersteuning van genade en kracht uit Zijn volheid.
Want wij moeten iets leren van de diepte van onze val, van de boosheid van ons hart, van de verzoekingen van satan, van de kracht van de zonde, van onze eigen zwakheid en onwaardigheid. En elke nieuwe ontdekking van onze hulpeloosheid en ellende opent de weg om op Hem te zien en van Hem afhankelijk te zijn. Wij worden meer en meer afhankelijk van Hem, Die ons geworden is van God tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en verlossing.
Aan de lezer…
Wanneer u soms vreest dat u toch nog verloren zult gaan, is dit woord voor u. Leert u elke dag meer van de boosheid van uw hart, van de kracht van de zonde en van uw eigen zwakheid, zodat u uzelf nauwelijks meer kunt vertrouwen? Dat is geen vreemde weg; het is de weg waarlangs de Heere Zijn volk afhankelijk maakt. Elke nieuwe ontdekking van uw ellende wil u leren op Hem te zien en van Hem afhankelijk te zijn.
Want Christus is het Hoofd van Zijn lichaam, en Hij laat geen lid wegvallen. Wie van ons laat vrijwillig zijn oog uitsteken of zelfs het topje van zijn pink afsnijden? Wij verliezen een lid alleen omdat wij geen macht hebben om het te verhinderen. Maar Hij bezit alle macht in de hemel en op de aarde, en Hij is vol liefde, genade en waarheid. Hij bidt voor de Zijnen. Steun dan niet op uw eigen vasthouden, maar op Zijn vasthouden; Hij is u van God geworden tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en verlossing.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And he is the head of the body, the church.”
Colossians 1:18
That the Lord Jesus Christ should have a people, in whom He should be eternally glorified, was the original promise made by the Father to the Son. “Ask of Me, and I shall give You the heathen for Your inheritance, and the uttermost parts of the earth for Your possession” (Psalm 2:8). This was “the joy that was set before Him, for which He endured the cross, despising the shame.” This was “the purchased possession,” “the travail of His soul,” and the reward of His humiliation and sufferings (Phil. 2:9, 10). This people form the members of His mystical body, all of which were written in His book, the book of life, when as yet, as regards their actual existence, there was none of them (Psalm 139:16). All these were given to Him in eternity, when He was constituted their covenant Head in the everlasting covenant, ordered in all things, and sure. They thus became, in prospect of His incarnation, “members of His body, of His flesh, and of His bones.”
How touchingly did the blessed Redeemer remind His Father of those covenant transactions, when He said in His memorable prayer, “I pray for them—I pray not for the world, but for those whom You have given Me; for they are Yours. And all Mine are Yours, and Yours are Mine; and I am glorified in them.” Being thus given to Christ, and constituted members of His mystical body, they can no more perish than Christ Himself. He is their Head; and as He is possessed of all power, full of all love, filled with all wisdom, and replete with all mercy, grace, and truth, how can He, how will He, allow any of His members to fall out of His body, and be lost to Him as well as to themselves?
Will any man willingly allow his eye, or his hand, or his foot, or even the tip of his little finger, to be taken out or cut off? If any member of our body perish, if we lose an arm or a leg, it is because we have not power to prevent it. But all power belongs to Christ, in heaven and in earth; and therefore no one member of His mystical body can perish for lack of power in Him to save it.
But however truly blessed this doctrine is, it is only when we are quickened and made alive unto God by a spiritual birth that we savingly and experimentally know and realize it; and we are, for the most part, led into it thus. We are first made to feel our need of Christ as a Saviour from the wrath to come, from the fear of death, the curse of the law, and the accusations of a guilty conscience.
When enabled, by the blessed Spirit’s operations, to receive Him into our heart, by faith, as the Christ of God, and to realize in some measure a saving interest in Him, we are then taught to feel our need of continual supplies of grace and strength out of His fullness. For we have to learn something of the depths of the fall, of the evils of our heart, of the temptations of Satan, of the strength of sin, of our own weakness and worthlessness; and as every fresh discovery of our helplessness and wretchedness makes a way for looking to and hanging upon Him, we become more and more dependent on Him as of God made unto us wisdom, righteousness, sanctification, and redemption.
To the reader…
When you sometimes fear that you will be lost after all, this word is for you. Do you learn every day more of the wickedness of your heart, of the strength of sin, and of your own weakness, so that you can hardly trust yourself any longer? That is no strange way; it is the way by which the Lord makes His people dependent. Every fresh discovery of your wretchedness is meant to teach you to look to Him and to depend upon Him.
For Christ is the Head of His body, and He lets no member fall away. Which of us would willingly let his eye be put out, or even the tip of his little finger be cut off? We lose a member only because we have no power to prevent it. But He possesses all power in heaven and on earth, and He is full of love, grace, and truth. He prays for His own. Do not lean, then, on your own holding fast, but on His holding you; He is of God made unto you wisdom, righteousness, sanctification, and redemption.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y Él es la cabeza del cuerpo que es la iglesia.
Colosenses 1:18
Que el Señor Jesucristo tuviera un pueblo en el cual fuese eternamente glorificado fue la promesa original hecha por el Padre al Hijo. “Pídeme, y te daré por heredad las gentes, y por posesión Tuya los términos de la tierra” (Salmo 2:8). Este era “el gozo que le fue propuesto, por el cual sufrió la cruz, menospreciando la vergüenza”. Esta era “la posesión adquirida”, “el trabajo de Su alma”, y la recompensa de Su humillación y Sus sufrimientos (Fil. 2:9, 10). Este pueblo forma los miembros de Su cuerpo místico, todos los cuales estaban escritos en Su libro, el libro de la vida, cuando aún, en cuanto a su existencia real, no había ninguno de ellos (Salmo 139:16). Todos estos le fueron dados en la eternidad, cuando Él fue constituido su Cabeza del pacto en el pacto eterno, ordenado en todas las cosas, y será guardado. Así llegaron a ser, en previsión de Su encarnación, “miembros de Su cuerpo, de Su carne y de Sus huesos”.
¡Con qué ternura recordó el bendito Redentor a Su Padre aquellas transacciones del pacto, cuando dijo en Su memorable oración: “Yo ruego por ellos: no ruego por el mundo, sino por los que me diste; porque Tuyos son. Y todas Mis cosas son Tus cosas, y Tus cosas son Mis cosas; y he sido glorificado en ellas”! Habiendo sido así dados a Cristo, y constituidos miembros de Su cuerpo místico, no pueden perecer más de lo que puede perecer Cristo mismo. Él es su Cabeza; y puesto que posee todo poder, está lleno de todo amor, colmado de toda sabiduría y rebosante de toda misericordia, gracia y verdad, ¿cómo puede Él, cómo querrá Él, permitir que alguno de Sus miembros se desprenda de Su cuerpo y se pierda para Él tanto como para sí mismo?
¿Permitirá hombre alguno de buen grado que le saquen el ojo, o le corten la mano, o el pie, o siquiera la punta de su dedo meñique? Si algún miembro de nuestro cuerpo perece, si nosotros perdemos un brazo o una pierna, es porque no tenemos poder para impedirlo. Pero toda potestad pertenece a Cristo, en el cielo y en la tierra; y por tanto ningún miembro de Su cuerpo místico puede perecer por falta de poder en Él para salvarlo.
Pero por verdaderamente bendita que sea esta doctrina, solo cuando somos vivificados y hechos vivos para Dios por un nacimiento espiritual la conocemos y experimentamos de manera salvadora y experimental; y somos, en su mayor parte, conducidos a ella de este modo. Primero se nos hace sentir nuestra necesidad de Cristo como Salvador de la ira venidera, del temor de la muerte, de la maldición de la ley y de las acusaciones de una conciencia culpable.
Cuando somos capacitados, por las operaciones del bendito Espíritu, para recibirle por la fe en nuestro corazón como el Cristo de Dios, y para experimentar en alguna medida una parte salvadora en Él, se nos enseña entonces a sentir nuestra necesidad de continuas provisiones de gracia y fuerza de Su plenitud. Porque hemos de aprender algo de las profundidades de la caída, de los males de nuestro corazón, de las tentaciones de Satanás, de la fuerza del pecado, de nuestra propia debilidad e indignidad; y como cada nuevo descubrimiento de nuestra impotencia y miseria abre un camino para mirar a Él y depender de Él, llegamos a depender cada vez más de Aquel que nos ha sido hecho por Dios sabiduría, justificación, santificación y redención.
Al lector…
Cuando a veces teme que al final se perderá, esta palabra es para usted. ¿Aprende cada día más de la maldad de su corazón, de la fuerza del pecado y de su propia debilidad, de modo que apenas puede ya fiarse de sí mismo? Ese no es un camino extraño; es el camino por el cual el Señor hace dependiente a Su pueblo. Cada nuevo descubrimiento de su miseria tiene por fin enseñarle a mirar a Él y a depender de Él.
Porque Cristo es la Cabeza de Su cuerpo, y no deja que ningún miembro se desprenda. ¿Quién de nosotros dejaría de buen grado que le sacaran el ojo, o que le cortaran siquiera la punta del dedo meñique? Solo perdemos un miembro porque no tenemos poder para impedirlo. Pero Él posee toda potestad en el cielo y en la tierra, y está lleno de amor, gracia y verdad. Él ruega por los Suyos. No se apoye, pues, en que usted se aferre, sino en que Él le sostiene; Él le ha sido hecho por Dios sabiduría, justificación, santificación y redención.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl