Nieuw verschenenHet woord van Gods genadePreken · 5 dagen geleden
Joseph Charles Philpot Bevindelijke geschriften & prediking

Door Baca’s vallei

24 november

Vandaag

4 min. lezen

Maar wij zijn niet van degenen, die zich onttrekken ten verderve, maar die geloven tot behouding der ziel.
Hebreeën 10:39

De Schrift noemt enkele kentekenen, niet alleen om Gods volk zichzelf te laten onderzoeken, maar ook om hen te vertroosten. Maar om de vrees om zichzelf te bedriegen in hen levend te houden, en om een zichtbaar baken op te richten zodat hun scheepje niet op de rotsen zou lopen, heeft de gezegende Geest in Zijn Woord zulke gedeelten geopenbaard als wij vinden in het zesde en het tiende hoofdstuk van de Hebreeën. Die lijken door de Geest van God als een vuurtoren bij de ingang van de haven geplaatst te zijn.

Is het in het natuurlijke ook niet zo? Er ligt vaak een ondiepte of zandbank vlak bij de ingang van de haven, waarvoor de zeeman moet oppassen. Hoe wordt hij daartegen beschermd? Op of vlak bij die plaats staat een vuurbaken, dat hem voor de ondiepte waarschuwt. Nu zie ik in het zesde en het tiende hoofdstuk van de brief aan de Hebreeën twee vuurbakens, die vlak bij de ingang van de haven van eeuwige veiligheid staan. En hun taal is: „Hoedt u voor deze ondiepte! Let op die zandbank!” Er zijn gaven zonder genade; er is belijden zonder bezit; er is een vorm zonder kracht; er is een naam dat men leeft, terwijl de ziel dood is.

In het natuurlijke ligt de ondiepte vaak heel dicht bij de ingang van de haven, en als het schip zich klaarmaakt om de haven binnen te lopen, ligt de zandbank precies in zijn koers. Maar wanneer het de haven nadert, staat daar een vriendelijk vuurbaken dat de zeelieden niet alleen voor de ondiepte waarschuwt, maar hun ook de veilige weg wijst om de haven binnen te lopen. Zo is het ook in geestelijk opzicht. Uit deze twee hoofdstukken hebben velen van Gods kinderen gezien welke ondiepten er op de weg liggen. Misschien zijn zij er, voordat zij gewaarschuwd werden, heel dicht bij gekomen, zodat zij de vergane schepen zagen.

Zij hebben de opgetuigde schepen die met hen uit dezelfde haven waren uitgevaren, op de rotsen zien vergaan. De lading ging verloren en de dode lichamen dreven met de stukken en brokken van het schip op de golven. Maar die anderen hadden niet op het vuurbaken gelet en zagen ook de zandbank niet; zij waren dronken of sliepen. Zij waren er zeker van dat zij veilig de haven zouden binnenlopen, en zo voeren zij door, onbekommerd en zorgeloos, totdat het schip aan de grond liep en alle bemanningsleden aan boord omkwamen.

Deze ontzagwekkende waarschuwingen en ernstige vermaningen lijken mij geschreven te zijn om de oude mens als het ware zo dicht mogelijk het leven te benemen. Ze lijken met opzet in dubbelzinnige taal op papier gezet te zijn, zodat wij onszelf zouden onderzoeken. Sterker nog, hun schoonheid en kracht en het werkelijke goed dat zij uitwerken, liggen juist in die dubbelzinnigheid. Zo wordt het volk van God er des te ernstiger door gewaarschuwd en leert het des te sterker tot de Heere roepen om niet bedrogen uit te komen.

Verder zijn het niet de arme twijfelende kinderen van God die door deze dingen op de proef gesteld worden; zij hebben reden ze te vrezen. Dat zij zo beproefd worden, laat zien dat hun geweten teder is in de vreze Gods. Het toont dat zij de aarde zijn die de regen die op haar valt indrinkt en bekwaam kruid voortbrengt voor Hem door Wie zij bezaaid is, en dat zij zegen van God ontvangen; en dat zij geen doornen en distels voortbrengen, die verwerpelijk zijn en dicht bij de vervloeking, waarvan het einde is verbranding.

Zo leiden deze vrezen en vermoedens, waarmee het volk van God geoefend wordt, tot sterk roepen tot de Heere, dat Hij hen wil onderwijzen, leren en leiden. Ze zijn ook evenveel kenmerken dat zij geen genadelozen zijn, maar deelgenoten van de genade van God. Het bewijst tegelijk dat Hij, Die een goed werk in hen begonnen heeft, dat zal voleindigen tot op de dag van Jezus Christus. Hij zal hen ook brengen tot het eeuwig genieten van God, zodat zij Hem zelf zullen zien en niet een vreemde.

Aan de lezer…

Misschien schrikt u van de ernstige woorden in het zesde en het tiende hoofdstuk van de Hebreeën. Leest u ze met beven, bang dat u een van hen bent die zich onttrekken ten verderve; dat u gaven zonder genade, een vorm zonder kracht, een naam zonder leven bezit? Weet dan dat deze waarschuwingen als een vuurbaken bij de ingang van de haven staan, niet om u schipbreuk te laten lijden, maar om u voor de zandbank te behoeden.

Wie zorgeloos doorvaren, zien het baken niet; zij slapen. Maar dat u vreest, dat u tot de Heere roept om niet bedrogen uit te komen, laat zien dat uw geweten teder is in de vreze Gods. Het zijn evenveel kenmerken dat u geen genadeloze bent. Laat uw vrees u dan steeds weer naar Hem drijven, en vertrouw erop dat Hij, Die een goed werk in u begonnen heeft, het zal voleindigen tot op de dag van Jezus Christus.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl