24 november
Maar wij zijn niet van degenen, die zich onttrekken ten verderve, maar die geloven tot behouding der ziel.
Hebreeën 10:39
De Schrift brengt enige kentekenen naar voren, niet slechts ter onderzoeking, maar ook ter vertroosting van Gods volk. Teneinde echter de vrees in hen levendig te houden van zich te bedriegen, en om een zichtbaar baken op te richten, opdat hun scheepje niet op de rotsen zou vastlopen, heeft de gezegende Geest zulke gedeelten in Zijn Woord geopenbaard als wij vinden in het zesde en het tiende kapittel van de Hebreeën. Zij schijnen door de Geest van God als een lichttoren geplaatst te zijn aan de ingang van de haven.
Is het ook niet zo in het natuurlijke? Er ligt dikwijls een ondiepte of zandbank nabij de ingang der haven, waarvoor de zeeman zich te hoeden heeft. Hoe wordt hij daartegen beschermd? Er is of wordt op of nabij de plaats een vuurbaken opgericht, dat hem voor de ondiepte waarschuwt. Nu, ik zie in het zesde en het tiende kapittel van de brief aan de Hebreeën twee vuurbakens, die staan nabij de ingang van de haven van eeuwige veiligheid. En hun taal is: „Hoedt u voor deze ondiepte! Let op die zandbank!” Er zijn gaven zonder genade; er is een belijden zonder bezit; er is een vorm zonder kracht; er is een naam dat men leeft, terwijl de ziel dood is.
De ondiepte in het natuurlijke ligt dikwijls zeer nabij de ingang van de haven; en als het schip zich klaarmaakt om de haven in te lopen, ligt de zandbank juist in zijn koers. Doch de haven nabijkomende, is daar een vriendelijk vuurbaken, dat de scheepslieden niet alleen voor de ondiepte waarschuwt, maar hun ook de veilige weg aanwijst om de haven binnen te lopen. En zo is het ook in geestelijk opzicht. Uit deze twee kapittels hebben velen van Gods kinderen gezien welke ondiepten er in de weg liggen, en zijn zij misschien, vóór zij gewaarschuwd werden, er zeer dicht bij gekomen, om de verongelukte schepen te zien.
Zij hebben de opgetooide schepen, die uit dezelfde haven met hen zijn uitgevaren, op de rotsen zien verongelukken. De vracht ging verloren en de dode lichamen dreven met de stukken en brokken van het schip op de golven. Maar dezen hadden geen acht gegeven op het vuurbaken, en zagen ook de bank niet; zij waren dronken of sliepen. Zij waren er zeker van veilig de haven in te lopen, en zo voeren zij voort, onbekommerd en zorgeloos, totdat het schip op de droogte stootte en alle manschappen aan boord omkwamen.
Deze ontzagwekkende waarschuwingen en ernstige vermaningen schijnen mij toe geschreven te zijn om, om zo te spreken, zo na mogelijk het leven van de oude mens te ontnemen, en zij schijnen op het papier gebracht te zijn in een taal van voorgenomen dubbelzinnigheid, opdat wij ons zouden mogen onderzoeken. Wat meer is, de schoonheid en kracht daarvan en het werkelijk goede dat erdoor teweeggebracht wordt, liggen in hun dubbelzinnigheid, zodat het volk van God daardoor te ernstiger zou gewaarschuwd worden en te sterker tot de Heere zou leren roepen om niet bedrogen uit te komen.
Vervolgens zijn het niet de arme twijfelende kinderen van God die door deze dingen op de proef gesteld worden; zij hebben reden ze te vrezen. Hun bestaan, aldus beproefd, toont dat hun consciëntie teder is in de vreze Gods, en dat zij de aarde zijn die de regen, op haar komende, indrinkt en bekwaam kruid voortbrengt voor Degene door Wie zij bezaaid is, en dat zij zegen van God ontvangen; en dat zij geen doornen en distelen voortbrengen, die verwerpelijk zijn en nabij de vervloeking, welker einde is tot verbranding.
En zo veroorzaken deze vrezen en vermoedens, waardoor het volk van God wordt geoefend, sterke roepingen tot de Heere, dat Hij hen onderwijzen, leren en leiden moge. Zij zijn ook zovele kenmerken dat zij geen genadelozen zijn, maar deelgenoten van de genade Gods, en het bewijst tevens dat Hij, Die een goed werk in hen begonnen heeft, dit zal voleinden tot op de dag van Jezus Christus. Hij zal hen ook brengen in de eeuwige genieting Gods, zodat zijzelf Hem zien zullen en niet een vreemde.
Aan de lezer…
Misschien schrikt u van de ernstige woorden in het zesde en het tiende kapittel van de Hebreeën. Leest u ze met beven, bevreesd dat u één bent van hen die zich onttrekken ten verderve; dat u gaven zonder genade, een vorm zonder kracht, een naam zonder leven bezit? Weet dan dat deze waarschuwingen als een vuurbaken bij de ingang van de haven staan, niet om u te doen schipbreuk lijden, maar om u voor de zandbank te behoeden.
Zij die zorgeloos voortvaren, zien het baken niet; zij slapen. Maar dat u vreest, dat u tot de Heere roept om niet bedrogen uit te komen, toont dat uw consciëntie teder is in de vreze Gods. Het zijn zovele kenmerken dat u geen genadeloze bent. Laat uw vrees u dan steeds weer tot Hem drijven, en vertrouw dat Hij, Die een goed werk in u begonnen heeft, het zal voleinden tot op de dag van Jezus Christus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar wij zijn niet van degenen, die zich onttrekken ten verderve, maar die geloven tot behouding der ziel.
Hebreeën 10:39
De Schrift noemt enkele kentekenen, niet alleen om Gods volk zichzelf te laten onderzoeken, maar ook om hen te vertroosten. Maar om de vrees om zichzelf te bedriegen in hen levend te houden, en om een zichtbaar baken op te richten zodat hun scheepje niet op de rotsen zou lopen, heeft de gezegende Geest in Zijn Woord zulke gedeelten geopenbaard als wij vinden in het zesde en het tiende hoofdstuk van de Hebreeën. Die lijken door de Geest van God als een vuurtoren bij de ingang van de haven geplaatst te zijn.
Is het in het natuurlijke ook niet zo? Er ligt vaak een ondiepte of zandbank vlak bij de ingang van de haven, waarvoor de zeeman moet oppassen. Hoe wordt hij daartegen beschermd? Op of vlak bij die plaats staat een vuurbaken, dat hem voor de ondiepte waarschuwt. Nu zie ik in het zesde en het tiende hoofdstuk van de brief aan de Hebreeën twee vuurbakens, die vlak bij de ingang van de haven van eeuwige veiligheid staan. En hun taal is: „Hoedt u voor deze ondiepte! Let op die zandbank!” Er zijn gaven zonder genade; er is belijden zonder bezit; er is een vorm zonder kracht; er is een naam dat men leeft, terwijl de ziel dood is.
In het natuurlijke ligt de ondiepte vaak heel dicht bij de ingang van de haven, en als het schip zich klaarmaakt om de haven binnen te lopen, ligt de zandbank precies in zijn koers. Maar wanneer het de haven nadert, staat daar een vriendelijk vuurbaken dat de zeelieden niet alleen voor de ondiepte waarschuwt, maar hun ook de veilige weg wijst om de haven binnen te lopen. Zo is het ook in geestelijk opzicht. Uit deze twee hoofdstukken hebben velen van Gods kinderen gezien welke ondiepten er op de weg liggen. Misschien zijn zij er, voordat zij gewaarschuwd werden, heel dicht bij gekomen, zodat zij de vergane schepen zagen.
Zij hebben de opgetuigde schepen die met hen uit dezelfde haven waren uitgevaren, op de rotsen zien vergaan. De lading ging verloren en de dode lichamen dreven met de stukken en brokken van het schip op de golven. Maar die anderen hadden niet op het vuurbaken gelet en zagen ook de zandbank niet; zij waren dronken of sliepen. Zij waren er zeker van dat zij veilig de haven zouden binnenlopen, en zo voeren zij door, onbekommerd en zorgeloos, totdat het schip aan de grond liep en alle bemanningsleden aan boord omkwamen.
Deze ontzagwekkende waarschuwingen en ernstige vermaningen lijken mij geschreven te zijn om de oude mens als het ware zo dicht mogelijk het leven te benemen. Ze lijken met opzet in dubbelzinnige taal op papier gezet te zijn, zodat wij onszelf zouden onderzoeken. Sterker nog, hun schoonheid en kracht en het werkelijke goed dat zij uitwerken, liggen juist in die dubbelzinnigheid. Zo wordt het volk van God er des te ernstiger door gewaarschuwd en leert het des te sterker tot de Heere roepen om niet bedrogen uit te komen.
Verder zijn het niet de arme twijfelende kinderen van God die door deze dingen op de proef gesteld worden; zij hebben reden ze te vrezen. Dat zij zo beproefd worden, laat zien dat hun geweten teder is in de vreze Gods. Het toont dat zij de aarde zijn die de regen die op haar valt indrinkt en bekwaam kruid voortbrengt voor Hem door Wie zij bezaaid is, en dat zij zegen van God ontvangen; en dat zij geen doornen en distels voortbrengen, die verwerpelijk zijn en dicht bij de vervloeking, waarvan het einde is verbranding.
Zo leiden deze vrezen en vermoedens, waarmee het volk van God geoefend wordt, tot sterk roepen tot de Heere, dat Hij hen wil onderwijzen, leren en leiden. Ze zijn ook evenveel kenmerken dat zij geen genadelozen zijn, maar deelgenoten van de genade van God. Het bewijst tegelijk dat Hij, Die een goed werk in hen begonnen heeft, dat zal voleindigen tot op de dag van Jezus Christus. Hij zal hen ook brengen tot het eeuwig genieten van God, zodat zij Hem zelf zullen zien en niet een vreemde.
Aan de lezer…
Misschien schrikt u van de ernstige woorden in het zesde en het tiende hoofdstuk van de Hebreeën. Leest u ze met beven, bang dat u een van hen bent die zich onttrekken ten verderve; dat u gaven zonder genade, een vorm zonder kracht, een naam zonder leven bezit? Weet dan dat deze waarschuwingen als een vuurbaken bij de ingang van de haven staan, niet om u schipbreuk te laten lijden, maar om u voor de zandbank te behoeden.
Wie zorgeloos doorvaren, zien het baken niet; zij slapen. Maar dat u vreest, dat u tot de Heere roept om niet bedrogen uit te komen, laat zien dat uw geweten teder is in de vreze Gods. Het zijn evenveel kenmerken dat u geen genadeloze bent. Laat uw vrees u dan steeds weer naar Hem drijven, en vertrouw erop dat Hij, Die een goed werk in u begonnen heeft, het zal voleindigen tot op de dag van Jezus Christus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“But we are not of them who draw back unto perdition; but of them that believe to the saving of the soul.”
Hebrews 10:39
The Scriptures have brought certain marks not only to test, but also to comfort God’s people. But in order to keep them tremblingly alive to the fear of being deceived; in order to set up an effectual beacon lest their vessel should run upon the rocks, the blessed Spirit has revealed such passages as we find in the sixth and tenth chapters of the Hebrews. They seem set up by the Spirit of God as a lighthouse at the entrance of a harbor. Is it not so naturally? Some shoal or sand-bank often lies near the entrance of a port, which the mariner has to guard against. How is he guarded? A light-house is erected on or near the spot, which warns him of the shoal.
Now I look on the sixth and tenth chapters of the Epistle to the Hebrews as two light-houses standing near the entrance of the harbor of eternal safety. And their language is, “Beware of this shoal! Take care of that sand-bank! There are gifts without grace; there is profession without possession; there is form without power; there is a name to live while the soul is dead.”
The shoal naturally often lies at the very entrance of a harbor—and as the ship makes for the port, the sandbank lies in her very course; but when the harbor is neared, the friendly beacon not only warns her of the shoal, but also points out the safe passage into the haven. And so spiritually, from these two chapters many of God’s people have seen what shoals lie in the way, and have, perhaps, before they were warned off, come near enough to see the shipwrecked vessels. The gallant barks that sailed from the same port with themselves they have seen wrecked on the rocks, the freight lost, and the dead bodies and broken fragments floating on the waves.
But these never looked for the lighthouse, nor saw the bank; they were intoxicated, or fast asleep; they were sure of going to heaven; and on they went, reckless and thoughtless, until the vessel struck on the shoal, and every hand on board perished. These dreadful warnings and solemn admonitions seem to me so written that they may scrape, so to speak, as nearly as possible the quick of a man’s flesh. And they appear couched in language of purposed ambiguity that they may be trying passages; no, the very beauty and efficacy of them, and the real good to be wrought by them, is in their ambiguity, so that the people of God may take a more solemn warning by them, and may cry unto the Lord more earnestly that they may not be deceived.
Then it is not the poor, desponding children of God who are tried by these passages, that have reason to fear them; their being thus tried shows that their conscience is tender in God’s fear, and that they are “the earth which drinks in the rain that comes often upon it, and bringing forth herbs fit for them by whom it is dressed, receives blessing from God;” and that they are not that “which bears thorns and briers, which is rejected, and is near unto cursing, whose end is to be burned.” And thus, these very fears and suspicions, by which many of God’s people are exercised, causing strong cries unto the Lord, that He would teach, guide, and lead them, are so many blessed marks that they are not graceless persons, but partakers of the grace of God, and at the same time prove, “that He who has begun a good work in them” will carry it on, and “will perform it until the day of Jesus Christ,” and bring them into the eternal enjoyment of God, that they may see Him for themselves, and not another.
To the reader…
Perhaps you are alarmed by the solemn words in the sixth and tenth chapters of Hebrews. Do you read them with trembling, afraid that you are one of those who draw back unto perdition; that you have gifts without grace, a form without power, a name without life? Then know that these warnings stand like a lighthouse at the entrance of the harbor, not to make you suffer shipwreck, but to keep you from the sandbank.
Those who sail on carelessly do not see the beacon; they are asleep. But that you fear, that you cry to the Lord not to be deceived, shows that your conscience is tender in the fear of God. These are so many marks that you are not without grace. Let your fear drive you to Him again and again, then, and trust that He Who has begun a good work in you will perform it until the day of Jesus Christ.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Pero nosotros no somos tales que nos retiremos para perdición, sino fieles para ganancia del alma.”
Hebreos 10:39
Las Escrituras han traído ciertas señales no solo para probar, sino también para consolar al pueblo de Dios. Pero a fin de mantenerlos temblorosamente despiertos al temor de ser engañados; a fin de levantar una baliza eficaz para que su nave no encalle en las rocas, el bendito Espíritu ha revelado pasajes como los que hallamos en los capítulos sexto y décimo de Hebreos. Parecen puestos por el Espíritu de Dios como un faro a la entrada de un puerto. ¿No es así en lo natural? A menudo hay algún bajío o banco de arena cerca de la entrada de un puerto, del cual el marinero tiene que guardarse. ¿Cómo se le guarda? Se levanta un faro sobre el lugar o cerca de él, que le advierte del bajío.
Ahora bien, yo considero los capítulos sexto y décimo de la Epístola a los Hebreos como dos faros que están cerca de la entrada del puerto de la seguridad eterna. Y su lenguaje es: “¡Cuidado con este bajío! ¡Guárdese de aquel banco de arena! Hay dones sin gracia; hay profesión sin posesión; hay forma sin poder; hay nombre de que vive mientras el alma está muerta.”
En lo natural, el bajío se halla a menudo en la misma entrada del puerto, y cuando la nave se dirige al puerto, el banco de arena está justo en su rumbo; pero cuando se acerca al puerto, la baliza amiga no solo le advierte del bajío, sino que también le señala el paso seguro hacia el refugio. Y así, en lo espiritual, muchos del pueblo de Dios han visto por estos dos capítulos qué bajíos hay en el camino, y quizá, antes de ser advertidos, se han acercado lo bastante para ver las naves naufragadas. Han visto los gallardos barcos que zarparon del mismo puerto que ellos estrellados en las rocas, la carga perdida, y los cadáveres y los restos destrozados flotando sobre las olas.
Pero estos nunca buscaron el faro ni vieron el banco; estaban embriagados o profundamente dormidos; estaban seguros de ir al cielo; y siguieron adelante, temerarios e irreflexivos, hasta que la nave dio contra el bajío y pereció toda la tripulación. Estas terribles advertencias y solemnes amonestaciones me parecen escritas de tal manera que rocen, por decirlo así, lo más cerca posible la carne viva del hombre. Y parecen expresadas en un lenguaje de ambigüedad intencionada para que sean pasajes que prueben; sí, la belleza misma y la eficacia de ellos, y el verdadero bien que por ellos se ha de obrar, está en su ambigüedad, para que el pueblo de Dios reciba por ellos una advertencia más solemne y clame al Señor con más fervor para no ser engañado.
Así pues, no son los pobres y abatidos hijos de Dios que son probados por estos pasajes quienes tienen razón para temerlos; el ser probados así muestra que su conciencia es tierna en el temor de Dios, y que ellos son “la tierra que embebe el agua que muchas veces vino sobre ella, y produce hierba provechosa a aquellos de los cuales es labrada”, y “recibe bendición de Dios”; y que no son la que “produce espinas y abrojos, es reprobada, y cercana de maldición; cuyo fin será el ser abrasada”. Y así, estos mismos temores y sospechas con que muchos del pueblo de Dios son ejercitados, y que les hacen clamar fuertemente al Señor para que Él los enseñe, los guíe y los conduzca, son otras tantas señales benditas de que no son personas sin gracia, sino participantes de la gracia de Dios, y al mismo tiempo prueban que “el que comenzó en ellos la buena obra” la llevará adelante, y “la perfeccionará hasta el día de Jesucristo”, y los llevará al gozo eterno de Dios, para que le vean por sí mismos, y no otro.
Al lector…
Quizá le alarmen las palabras solemnes de los capítulos sexto y décimo de Hebreos. ¿Las lee usted temblando, temiendo ser de los que se retiran para perdición; tener dones sin gracia, forma sin poder, nombre sin vida? Sepa entonces que estas advertencias están como un faro a la entrada del puerto, no para hacerle naufragar, sino para guardarle del banco de arena.
Los que navegan descuidadamente no ven la baliza; están dormidos. Pero que usted tema, que clame al Señor para no ser engañado, muestra que su conciencia es tierna en el temor de Dios. Son otras tantas señales de que usted no está sin gracia. Deje, pues, que su temor le lleve a Él una y otra vez, y confíe en que Aquel que comenzó en usted la buena obra la perfeccionará hasta el día de Jesucristo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl