23 april
Een vriend heeft te allen tijde lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.
Spreuken 17:17
Indien ik de uitdrukking mag gebruiken, hebben wij niet een dode, maar een levende Jezus nodig; niet één die afwezig, maar Die bij ons tegenwoordig is; niet één van vroeger, maar van nu; wij hebben een Vriend nodig aan de rechterhand Gods, nu op dit ogenblik. Een alwetende, alomtegenwoordige, almachtige en toch barmhartige en liefhebbende Middelaar tussen God en ons; een tussentredende Hogepriester, Borg en Voorspraak in onze natuur in het hof des hemels, Die barmhartigheid en medelijden met ons op aarde hebben kan.
Wiens hart bestaat uit tederheid;
Wiens ziele smelt van liefde.
Onze noden doen ons dit gevoelen. Onze zonden en smarten veroorzaken ons gedurig boodschappen te doen aan de troon der genade. Dit dal der tranen is te allen tijde voor ons aangezicht, en doornen en distelen schieten er voortdurend in op, die ons vlees verscheuren en vaneen rijten. Wij hebben een ware Vriend nodig.
Zijt gij niet eens een keer, toen gij vermoeid op uw bed laagt, heen en weer geslingerd in uw gedachten, zodat gij bijna uitriept: „Och, dat ik een vriend had!” Gij kunt wrede slagen ontvangen hebben van een vriend die gij als een oprechte vriend beschouwdet, en gij zijt vreselijk bedrogen. Gij gevoelt het nu dat gij niet iemand hebt die nota van u neemt of u liefde toedraagt en die gij kunt wederliefhebben. En uw hart zucht om een vriend die inderdaad een vriend voor u zijn moge. De weduwe, de wees, en die alleen staat op de wereld, de verlatene, zij allen gevoelen het diepe en scherpe gemis van een vriend.
Maar als genade uw hart heeft aangeraakt, gevoelt gij dat, ofschoon alle mensen u zouden verlaten, er een Vriend van zondaren is, een Broeder, in de benauwdheid geboren, een Vriend Die te allen tijde liefheeft, Die u niet begeven noch verlaten zal. Maar deze Vriend moeten wij als almachtig kennen, want zonder deze eigenschap zijn wij in ons geval er niet mede gebaat. Hij moet een Goddelijke Vriend zijn. Want wie, behalve God, kan ons bezoeken, waar wij ook zijn? Welk oog, behalve het Goddelijk oog, kan onze gedachten lezen? En welke hand, behalve de Goddelijke, kan zich ter onzer verlossing uitstrekken? En welk oor, dan alleen het Goddelijk oor, kan onze smekingen horen?
Zo is de Godheid van Christus geen droge, onvruchtbare beschouwing, niet slechts een waarheid die in de Bijbel staat, maar een ondervinding, krachtig gewerkt in de binnenste ziel van de gelovige. Gelukkige ziel! Gelukkige tijd, wanneer gij met de kerk zeggen kunt: „Zulk Eén is mijn Liefste, en zulk Eén is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem!” (Hooglied 5:16).
Zo onderwijzen de noden der ziel ons onwillekeurig dat een vriend, om een vriend te zijn, een hemelse Vriend zijn moet; dat Zijn hart en hand Goddelijk moeten zijn, zullen deze voor ons geschikt zijn. Deze Vriend, Wiens bitterste naspraak op aarde was dat Hij een Vriend van tollenaren en zondaren was, is der ziele hoogste heerlijkheid in de hemel, is de gezegende Jezus, onze grote Hogepriester in het hof des hemels. Wij ondervinden bij ogenblikken dat Hij zeer barmhartig, zeer medelijdend en zeer genadig is. En ik ben ervan overtuigd dat wij het mededogen van Zijn liefhebbend hart nodig hebben, want wij verkeren gedurig in die toestand, dat niets dan Zijn dierbare genade ons kan bevredigen, niets dan Zijn rijke, oneindige genade ons in ons geval kan helpen.
Aan de lezer…
Hebt u ook weleens vermoeid op uw bed gelegen, lezer, heen en weer geslingerd in uw gedachten, en bijna uitgeroepen: „Och, dat ik een vriend had”? Misschien bent u bedrogen door iemand die u als een oprechte vriend beschouwdet, of staat u alleen in de wereld en voelt u het scherpe gemis van iemand die u kent en liefheeft. Die eenzaamheid is diep, en zij wordt niet weggepraat.
Maar er is een Vriend van zondaren, een Broeder Die in de benauwdheid geboren wordt, en Die te allen tijde liefheeft. Hij is geen dode Jezus van vroeger, maar een levende Middelaar aan de rechterhand Gods, nu, op dit ogenblik. Zijn oog leest uw gedachten, Zijn oor hoort uw zuchten, Zijn hand kan zich tot uw verlossing uitstrekken. En Zijn hart bestaat uit tederheid. Gaat dan met uw noden tot de troon der genade; niets dan Zijn rijke genade kan u helpen, maar die genade is genoeg.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Een vriend heeft te allen tijde lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.
Spreuken 17:17
Als ik het zo mag zeggen: wij hebben niet een dode, maar een levende Jezus nodig; niet Een Die afwezig is, maar Die bij ons tegenwoordig is; niet Een van vroeger, maar van nu. Wij hebben een Vriend nodig aan de rechterhand van God, nu, op dit ogenblik. Een alwetende, alomtegenwoordige, almachtige en toch barmhartige en liefhebbende Middelaar tussen God en ons; een voorbiddende Hogepriester, Borg en Voorspraak in onze natuur in het hof van de hemel, Die barmhartigheid en medelijden met ons op aarde kan hebben.
Wiens hart bestaat uit tederheid;
Wiens ziele smelt van liefde.
Onze noden doen ons dat voelen. Onze zonden en smarten doen ons voortdurend met onze boodschappen naar de troon der genade gaan. Dit dal van tranen ligt altijd voor ons, en er schieten voortdurend doornen en distels in op, die ons vlees verscheuren en openrijten. Wij hebben een ware Vriend nodig.
Hebt u niet ooit vermoeid op uw bed gelegen, heen en weer geslingerd in uw gedachten, zodat u bijna uitriep: „Och, dat ik een vriend had!”? U hebt misschien wrede slagen ontvangen van iemand die u als een oprechte vriend beschouwde, en u bent vreselijk bedrogen. U voelt nu dat u niemand hebt die naar u omziet of u liefde toedraagt, en die u op uw beurt kunt liefhebben. En uw hart zucht naar een vriend die werkelijk een vriend voor u kan zijn. De weduwe, de wees, wie alleen staat in de wereld, de verlatene: zij allen voelen het diepe en scherpe gemis van een vriend.
Maar als de genade uw hart heeft aangeraakt, voelt u dat er, ook al zouden alle mensen u verlaten, een Vriend van zondaren is, een Broeder Die in de benauwdheid geboren is, een Vriend Die te allen tijde liefheeft, Die u niet begeven en niet verlaten zal. Maar deze Vriend moeten wij als almachtig kennen, want zonder die eigenschap zijn wij er in onze situatie niet mee geholpen. Hij moet een Goddelijke Vriend zijn. Want wie anders dan God kan ons bezoeken, waar wij ook zijn? Welk oog, behalve het Goddelijke oog, kan onze gedachten lezen? Welke hand, behalve de Goddelijke, kan zich uitstrekken om ons te verlossen? En welk oor, behalve het Goddelijke oor, kan onze smekingen horen?
Zo is de Godheid van Christus geen droge, onvruchtbare beschouwing, niet alleen een waarheid die in de Bijbel staat, maar een ervaring die krachtig in het binnenste van de ziel van de gelovige gewerkt wordt. Gelukkige ziel! Gelukkige tijd, wanneer u met de kerk kunt zeggen: „Zulk Eén is mijn Liefste, en zulk Eén is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem!” (Hooglied 5:16).
Zo leren de noden van de ziel ons vanzelf dat een vriend, om werkelijk een vriend te zijn, een hemelse Vriend moet zijn; Zijn hart en hand moeten Goddelijk zijn, willen zij voor ons geschikt zijn. Deze Vriend, Die op aarde het bitterst werd nagegeven dat Hij een Vriend van tollenaren en zondaren was, is in de hemel de hoogste heerlijkheid van de ziel: het is de gezegende Jezus, onze grote Hogepriester in het hof van de hemel. Wij ervaren op sommige ogenblikken dat Hij zeer barmhartig, zeer medelijdend en zeer genadig is. En ik ben ervan overtuigd dat wij het mededogen van Zijn liefhebbend hart nodig hebben. Want wij verkeren voortdurend in een toestand waarin niets dan Zijn dierbare genade ons kan voldoen, en niets dan Zijn rijke, oneindige genade ons in onze situatie kan helpen.
Aan de lezer…
Hebt u ook weleens vermoeid op uw bed gelegen, heen en weer geslingerd in uw gedachten, en bijna uitgeroepen: „Och, dat ik een vriend had”? Misschien bent u bedrogen door iemand die u als een oprechte vriend beschouwde, of staat u alleen in de wereld en voelt u het scherpe gemis van iemand die u kent en liefheeft. Die eenzaamheid is diep, en zij wordt niet weggepraat.
Maar er is een Vriend van zondaren, een Broeder Die in de benauwdheid geboren wordt en Die te allen tijde liefheeft. Hij is geen dode Jezus van vroeger, maar een levende Middelaar aan de rechterhand van God, nu, op dit ogenblik. Zijn oog leest uw gedachten, Zijn oor hoort uw zuchten, Zijn hand kan zich uitstrekken om u te verlossen. En Zijn hart bestaat uit tederheid. Ga dan met uw noden naar de troon der genade; niets dan Zijn rijke genade kan u helpen, maar die genade is genoeg.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“A friend loveth at all times, and a brother is born for adversity.”
Proverbs 17:17
If I may use the expression, we do not need a dead, but a living Jesus; not an absent, but a present Jesus; not a once, but a now Jesus; we need a friend at the right hand of God at the present moment; an omniscient, omnipresent, omnipotent and yet pitiful and loving Mediator between God and us; an interceding High Priest, Surety, and Representative in our nature in the courts of heaven, Who can show mercy and compassion to us now upon earth—“Whose heart is made of tenderness, Whose affections melt with love.”
Our needs make us feel this. Our sins and sorrows give us perpetual errands to the throne. This valley of tears is ever before our eyes, and thorns and briars are perpetually springing up in it, that rend and tear our flesh. We need a real friend. Have you not sometimes tossed to and fro upon your weary couch, and almost cried aloud, “O that I had a friend!” You may have received cruel blows from one whom you regarded as a real friend; but you have been cruelly deceived.
You feel now you have no one to take care of you or love you, and whom you can love again; and your heart sighs for a friend who shall be a friend indeed. The widow, the orphan, the friendless, the deserted one, all keenly and deeply feel this. But if grace has touched your heart, you feel that though all men forsake you, there is the Friend of sinners, a Brother born for adversity, a Friend Who loves at all times, Who will never leave or forsake you.
But we need this Friend to be almighty, for no other can suit our case—He must be a divine Friend. For who but God can see us wherever we are? What but a divine eye can read our thoughts? What but a divine ear can hear our petitions? And what but a divine hand can stretch itself forth and deliver? Thus the Deity of Christ is no dry, barren speculation, no mere Bible truth, but an experience wrought powerfully into a believer’s inmost soul. Happy soul! happy season! when you can say with the Church, “This is my Beloved, and this is my Friend, O daughters of Jerusalem” (Song Sol. 5:16).
Thus the very needs of the soul instinctively teach us that a friend, to be a friend, must be a heavenly friend; that His heart and hand must be divine, or they are not the heart and hand for us. This Friend, Whose bitterest reproach on earth that He “was the Friend of sinners,” is His highest glory in heaven, is the blessed Jesus, our great High Priest in the courts above. We find Him at times to be very merciful, very pitiful, and very compassionate. And I am sure that we need all the compassion of His loving breast; for we are continually in states of mind when nothing but His pure mercy can suit, when nothing but His rich and boundless compassion is adapted to our case.
To the reader…
Have you too ever lain wearily on your bed, tossed to and fro in your thoughts, and almost cried out, “O that I had a friend”? Perhaps you have been deceived by someone you regarded as a true friend, or you stand alone in the world and feel keenly the lack of someone who knows and loves you. That loneliness is deep, and it cannot be talked away.
But there is a Friend of sinners, a Brother born for adversity, Who loves at all times. He is no dead Jesus of long ago, but a living Mediator at the right hand of God, now, at this very moment. His eye reads your thoughts, His ear hears your sighs, His hand can stretch itself forth to deliver you. And His heart is made of tenderness. Go, then, with your needs to the throne of grace; nothing but His rich grace can help you, but that grace is enough.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En todo tiempo ama el amigo; y el hermano para la angustia es nacido.
Proverbios 17:17
Si se me permite la expresión, no necesitamos un Jesús muerto, sino un Jesús vivo; no un Jesús ausente, sino un Jesús presente; no un Jesús de una vez, sino un Jesús de ahora; necesitamos un amigo a la diestra de Dios en el momento presente; un Mediador entre Dios y nosotros omnisciente, omnipresente, omnipotente y, sin embargo, compasivo y amoroso; un Sumo Sacerdote intercesor, Fiador y Representante en nuestra naturaleza en los atrios del cielo, que pueda mostrarnos misericordia y compasión ahora sobre la tierra: “Cuyo corazón está hecho de ternura, cuyos afectos se derriten de amor.”
Nuestras necesidades nos hacen sentir esto. Nuestros pecados y tristezas nos dan continuos recados al trono. Este valle de lágrimas está siempre delante de nuestros ojos, y en él brotan continuamente espinas y abrojos que desgarran y rasgan nuestra carne. Necesitamos un amigo verdadero. ¿No se ha revuelto usted a veces de un lado a otro en su lecho cansado, y casi ha clamado en voz alta: “¡Oh, si tuviera un amigo!”? Quizá haya recibido golpes crueles de alguien a quien tenía por amigo verdadero; pero ha sido cruelmente engañado.
Ahora siente que no tiene a nadie que cuide de usted o que le ame, y a quien pueda amar a su vez; y su corazón suspira por un amigo que sea de veras un amigo. La viuda, el huérfano, el que no tiene amigos, el abandonado, todos sienten esto aguda y profundamente. Pero si la gracia ha tocado su corazón, usted siente que, aunque todos los hombres le abandonen, está el Amigo de los pecadores, un Hermano nacido para la angustia, un Amigo que ama en todo tiempo, que nunca le dejará ni le desamparará.
Pero necesitamos que este Amigo sea todopoderoso, porque ningún otro puede convenir a nuestro caso: tiene que ser un Amigo divino. Porque ¿quién sino Dios puede vernos dondequiera que estemos? ¿Qué sino un ojo divino puede leer nuestros pensamientos? ¿Qué sino un oído divino puede oír nuestras peticiones? ¿Y qué sino una mano divina puede extenderse y librar? Así, la Deidad de Cristo no es una especulación seca y estéril, no es una mera verdad bíblica, sino una experiencia obrada con poder en lo más íntimo del alma del creyente. ¡Alma dichosa! ¡Tiempo dichoso! cuando usted puede decir con la Iglesia: “Tal es mi Amado, tal es mi Amigo, oh doncellas de Jerusalén” (Cantares 5:16).
Así, las mismas necesidades del alma nos enseñan instintivamente que un amigo, para ser amigo, tiene que ser un amigo celestial; que Su corazón y Su mano tienen que ser divinos, o no son el corazón ni la mano que nos convienen. Este Amigo, cuyo más amargo reproche en la tierra, que Él “era Amigo de pecadores”, es Su más alta gloria en el cielo, es el bendito Jesús, nuestro gran Sumo Sacerdote en los atrios de arriba. Lo hallamos a veces muy misericordioso, muy compasivo y muy lleno de piedad. Y estoy seguro de que necesitamos toda la compasión de Su pecho amoroso; porque continuamente estamos en estados de ánimo en los que nada sino Su pura misericordia puede convenir, en los que nada sino Su rica e ilimitada compasión se adapta a nuestro caso.
Al lector…
¿También usted ha estado alguna vez acostado, cansado, en su cama, revolviéndose de un lado a otro en sus pensamientos, y casi ha clamado: “¡Oh, si tuviera un amigo!”? Quizá ha sido engañado por alguien a quien tenía por amigo verdadero, o está solo en el mundo y siente agudamente la falta de alguien que le conozca y le ame. Esa soledad es profunda, y no se puede quitar con palabras.
Pero hay un Amigo de pecadores, un Hermano nacido para la angustia, que ama en todo tiempo. No es un Jesús muerto de hace mucho tiempo, sino un Mediador vivo a la diestra de Dios, ahora, en este mismo momento. Su ojo lee sus pensamientos, Su oído oye sus suspiros, Su mano puede extenderse para librarle. Y Su corazón está hecho de ternura. Vaya, pues, con sus necesidades al trono de la gracia; nada sino Su rica gracia puede ayudarle, pero esa gracia basta.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl