23 december
En de liefelijkheid des Heeren onzes Gods zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons; ja, het werk onzer handen, bevestig dat.
Psalm 90:17
Wat is deze liefelijkheid? De liefelijkheid des Heeren onzes Gods. Het is derhalve de liefelijkheid van de Godmens: de schoonheid, de heiligheid, de volmaaktheid en heerlijkheid die te allen tijde uitblinken in de Zoon van God. Nu, de dagen der verdrukking en de jaren waarin het kwaad gezien wordt, hebben alle schoonheid van alle schepselen bevlekt. Er was mogelijk een tijd waarin wij vermaak en genoegen konden vinden in hetgeen wij waren, of in hetgeen wij ons ijdellijk inbeeldden dat wij zouden zijn. Onze eigen gerechtigheid kwam ons schoon en heerlijk voor, en onze godsdienst gaf ons genoegen en was aangenaam naar onze bevatting.
Maar hoe is het uitgelopen? Verijdeld, verijdeld, totaal verijdeld. Waardoor? Door de dagen der verdrukking en door de jaren in dewelke wij het kwaad gezien hebben. Deze hebben daadwerkelijk alle heerlijkheid der schepselen verdorven, misvormd en bezoedeld. In één woord, wij waren eens zeer met onszelf ingenomen, maar het eigen ik heeft zich aan ons als een zó vreselijk monster vertoond en zich zó vuil en verachtelijk voorgedaan, dat wij de liefde tot hem geheel en al hebben opgezegd. En wij hebben daartegenover bij tijden zulk een schoonheid, heerlijkheid, beminnelijkheid en gepastheid in de Zoon van God gezien, dat wij Hem hebben liefgekregen toen wij de liefde tot het eigen ik hadden opgezegd.
Dus naarmate onze eigen schoonheid en ons voorkomen verdorven en misvormd zijn geworden, zijn de schoonheid en dierbaarheid des Heeren gestegen, en het is de begeerte onzer ziel geworden: „Laat de liefelijkheid des Heeren onzes Gods over ons zijn.” Laat ons daarin aanschouwd worden; laat zij door God Zelf aan ons toegepast worden; laat ons daarmede openbaar voor de ogen van een hartdoorzoekend Jehova bekleed worden. Laat de liefelijkheid van Jezus’ verzoenend bloed, de schoonheid van Zijn volmaakte gerechtigheid, de schoonheid van Zijn stervende liefde, de schoonheid en heiligheid van Zijn heerlijke Persoon op ons zijn. Dat zij al onze onreinheid, schuld en schande bedekke en zich uitspreide over onze naaktheid, zonde en verdorvenheid, opdat God, wanneer Hij ons aanziet, ons niet aanschouwe zoals wij zijn, verdorven, misvormd en vol wonden en striemen en etterbuilen die niet uitgedrukt zijn, maar wij mogen staan aangenaam in de Geliefde, met de liefelijkheid des Heeren onzes Gods over ons.
O, wat een onovertreffelijk kleed is dit! Het gaat dat der engelen te boven, want het is de gerechtigheid van Gods eniggeboren Zoon! En indien wij staan met de liefelijkheid des Heeren over ons, dan kunnen wij ons stellen tegen alle beschuldigingen van de wet, tegen alle beschuldigingen van een schuldige consciëntie en tegen al de pijlen der hel.
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie zijn eigen schoonheid heeft zien verwelken in de dagen der verdrukking. Hebt u gezien wat u werkelijk bent, en is dat eigen ik u een monster geworden waarvoor u zich schaamt? Het is een bittere les, maar geen verloren les. Want juist waar al het schone van het schepsel verijdeld wordt, gaat de schoonheid van de Zoon van God opklimmen in het oog van een arme ziel.
Zoek dan geen kleed in uzelf. Bid met de psalmist dat de liefelijkheid des Heeren onzes Gods over u zij: de liefelijkheid van Zijn verzoenend bloed en van Zijn volmaakte gerechtigheid. Daaronder ziet God niet de wonden en striemen die u zo goed kent, maar Hij aanschouwt u aangenaam in de Geliefde. Komt de wet u beschuldigen, of spreekt uw consciëntie u schuldig, of vallen de pijlen der hel op u aan, dan mag u zich stellen achter dat onovertreffelijke kleed.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En de liefelijkheid des Heeren onzes Gods zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons; ja, het werk onzer handen, bevestig dat.
Psalm 90:17
Wat is deze liefelijkheid? De liefelijkheid van de Heere onze God. Het is dus de liefelijkheid van de Godmens: de schoonheid, de heiligheid, de volmaaktheid en de heerlijkheid die altijd uitblinken in de Zoon van God. Nu hebben de dagen van verdrukking en de jaren waarin wij het kwaad gezien hebben, alle schoonheid van alle schepselen bevlekt. Er was misschien een tijd waarin wij vreugde en genoegen konden vinden in wat wij waren, of in wat wij ons ijdel inbeeldden dat wij zouden zijn. Onze eigen gerechtigheid leek ons mooi en heerlijk, en onze godsdienst gaf ons genoegen en was naar ons idee aangenaam.
Maar hoe is het afgelopen? Verijdeld, verijdeld, volkomen verijdeld. Waardoor? Door de dagen van verdrukking en door de jaren waarin wij het kwaad gezien hebben. Die hebben werkelijk alle heerlijkheid van de schepselen bedorven, misvormd en bezoedeld. In één woord: wij waren eens zeer met onszelf ingenomen, maar het eigen ik heeft zich aan ons vertoond als zo’n vreselijk monster en zich zo vuil en verachtelijk voorgedaan, dat wij onze liefde ervoor helemaal hebben opgezegd. En daartegenover hebben wij soms zo’n schoonheid, heerlijkheid, beminnelijkheid en gepastheid in de Zoon van God gezien, dat wij Hem zijn gaan liefhebben toen wij onze liefde voor het eigen ik hadden opgezegd.
Naarmate onze eigen schoonheid en ons aanzien dus bedorven en misvormd zijn geworden, zijn de schoonheid en dierbaarheid van de Heere gestegen, en is het de begeerte van onze ziel geworden: „Laat de liefelijkheid des Heeren onzes Gods over ons zijn.” Laat ons daarin gezien worden; laat zij door God Zelf op ons worden toegepast; laat ons daarmee openlijk bekleed worden voor de ogen van een hartdoorzoekende Jehova. Laat de liefelijkheid van het verzoenende bloed van Jezus, de schoonheid van Zijn volmaakte gerechtigheid, de schoonheid van Zijn stervende liefde, de schoonheid en heiligheid van Zijn heerlijke Persoon op ons zijn.
Laat zij al onze onreinheid, schuld en schande bedekken en zich uitspreiden over onze naaktheid, zonde en verdorvenheid, zodat God, wanneer Hij ons aanziet, ons niet ziet zoals wij zijn: verdorven, misvormd en vol wonden, striemen en etterende builen die niet uitgedrukt zijn. Laat ons dan aangenaam mogen staan in de Geliefde, met de liefelijkheid van de Heere onze God over ons.
O, wat een onovertroffen kleed is dit! Het overtreft dat van de engelen, want het is de gerechtigheid van Gods eniggeboren Zoon! En als wij staan met de liefelijkheid van de Heere over ons, dan kunnen wij standhouden tegen alle beschuldigingen van de wet, tegen alle beschuldigingen van een schuldig geweten en tegen alle pijlen van de hel.
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie zijn eigen schoonheid heeft zien verwelken in de dagen van verdrukking. Hebt u gezien wat u werkelijk bent, en is dat eigen ik voor u een monster geworden waarvoor u zich schaamt? Het is een bittere les, maar geen verloren les. Want juist waar al het schone van het schepsel verijdeld wordt, gaat de schoonheid van de Zoon van God stijgen in het oog van een arme ziel.
Zoek dan geen kleed in uzelf. Bid met de psalmist dat de liefelijkheid van de Heere onze God over u mag zijn: de liefelijkheid van Zijn verzoenende bloed en van Zijn volmaakte gerechtigheid. Daaronder ziet God niet de wonden en striemen die u zo goed kent, maar ziet Hij u aangenaam in de Geliefde. Komt de wet u beschuldigen, spreekt uw geweten u schuldig, of vallen de pijlen van de hel op u aan, dan mag u schuilen achter dat onovertroffen kleed.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And let the beauty of the LORD our God be upon us: and establish thou the work of our hands upon us; yea, the work of our hands establish thou it.”
Psalm 90:17
What is this beauty? “The beauty of the Lord our God.” It is, therefore, the beauty of the God-man; the loveliness, the holiness, the perfection, and glory that ever dwells in the Son of God. Now “days of affliction, and years of evil” have marred all creature loveliness. There was a time, perhaps, when we could take some pleasure and delight in what we were, or what we vainly fancied we would be. Our own righteousness had a beauty and loveliness to us; and our religion was amiable and pleasing in our own sight. But what has become of it? Marred, marred; totally marred. By what? “Days of affliction, and years of evil.” These have effectually ruined, defaced, and polluted all creature loveliness.
In a word, we were once deeply in love with self; but self has been shown to us such a hideous monster, in so vile and despicable a light, that we have fallen out of love with him altogether; and we have seen, at times, such beauty, glory, loveliness, and suitability in the Son of God, that as we have fallen out of love with self, we have fallen in love with Jesus. Thus as all our own beauty and our own loveliness have been marred and defaced, the beauty and loveliness of the Lord have risen in due proportion.
So that this has become the desire of our soul, “Let the beauty of the Lord our God be upon us. Let us stand accepted in it; let it be put upon us by the imputation of God Himself; let us be clothed with it manifestly before the eyes of a heart-searching Jehovah. Let the beauty of Jesus’ atoning blood, the beauty of His perfect righteousness, the beauty of His dying love, the beauty and holiness of His glorious Person be upon us, covering all our filth, guilt and shame, spreading itself over all our nakedness, sin and pollution, that when God looks upon us, He may not see us as we are—marred, defaced, and full of wounds and bruises and putrefying sores; but may see us standing accepted in the Beloved, with ‘the beauty of the Lord our God’ upon us.”
Oh, what a matchless robe is this! It outshines angels’—for it is the righteousness of God’s only-begotten Son! And if we stand with “the beauty of the Lord our God” upon us, we can bid defiance to all law-charges, to all the accusations of a guilty conscience, and to all the darts from hell.
To the reader…
Here is a word for whoever has seen his own beauty wither in the days of affliction. Have you seen what you really are, and has that self become a monster to you, of which you are ashamed? It is a bitter lesson, but not a wasted one. For just where all the beauty of the creature is marred, the beauty of the Son of God begins to rise in the eye of a poor soul.
So do not look for a robe in yourself. Pray with the psalmist that the beauty of the Lord our God may be upon you: the beauty of His atoning blood and of His perfect righteousness. Beneath it God does not see the wounds and bruises you know so well, but He sees you accepted in the Beloved. If the law comes to accuse you, if your conscience pronounces you guilty, or if the darts of hell assail you, then you may shelter behind that matchless robe.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Y sea la hermosura de Jehová nuestro Dios sobre nosotros: y ordena en nosotros la obra de nuestras manos, la obra de nuestras manos confirma.”
Salmo 90:17
¿Qué es esta hermosura? “La hermosura de Jehová nuestro Dios.” Es, por tanto, la hermosura del Dios-hombre; la belleza, la santidad, la perfección y la gloria que siempre moran en el Hijo de Dios. Ahora bien, “los días que nos afligiste, los años que vimos mal” han estropeado toda belleza de la criatura. Hubo un tiempo, quizá, en que podíamos hallar algún gusto y deleite en lo que éramos, o en lo que vanamente imaginábamos que llegaríamos a ser. Nuestra propia justicia tenía para nosotros hermosura y belleza; y nuestra religión era amable y agradable a nuestros propios ojos. Pero ¿qué ha sido de ella? Estropeada, estropeada; totalmente estropeada. ¿Por qué? Por “los días que nos afligiste, los años que vimos mal”. Estos han arruinado, desfigurado y contaminado eficazmente toda belleza de la criatura.
En una palabra, una vez estábamos profundamente enamorados del yo; pero el yo se nos ha mostrado como un monstruo tan horrible, bajo una luz tan vil y despreciable, que hemos dejado de amarlo por completo; y hemos visto a veces tal hermosura, gloria, belleza e idoneidad en el Hijo de Dios, que al dejar de amar al yo nos hemos enamorado de Jesús. Así, a medida que toda nuestra propia hermosura y nuestra propia belleza han sido estropeadas y desfiguradas, la hermosura y la belleza del Señor se han elevado en la debida proporción.
De modo que este ha llegado a ser el deseo de nuestra alma: “Sea la hermosura de Jehová nuestro Dios sobre nosotros. Estemos aceptos en ella; sea puesta sobre nosotros por la imputación de Dios mismo; seamos revestidos de ella manifiestamente ante los ojos de un Jehová que escudriña los corazones. Sea sobre nosotros la hermosura de la sangre expiatoria de Jesús, la hermosura de Su perfecta justicia, la hermosura de Su amor moribundo, la hermosura y santidad de Su gloriosa Persona, cubriendo toda nuestra inmundicia, culpa y vergüenza, extendiéndose sobre toda nuestra desnudez, pecado y contaminación, para que cuando Dios nos mire, no nos vea como somos —estropeados, desfigurados y llenos de heridas, hinchazón y podridas llagas—, sino que nos vea aceptos en el Amado, con ‘la hermosura de Jehová nuestro Dios’ sobre nosotros.”
¡Oh, qué manto sin igual es este! Supera en brillo al de los ángeles, ¡porque es la justicia del Hijo unigénito de Dios! Y si estamos con “la hermosura de Jehová nuestro Dios” sobre nosotros, podemos desafiar todas las acusaciones de la ley, todas las acusaciones de una conciencia culpable y todos los dardos del infierno.
Al lector…
He aquí una palabra para quien ha visto marchitarse su propia hermosura en los días de aflicción. ¿Ha visto lo que realmente es, y ese yo se ha convertido para usted en un monstruo del que se avergüenza? Es una lección amarga, pero no inútil. Porque precisamente donde toda la hermosura de la criatura queda estropeada, la hermosura del Hijo de Dios comienza a elevarse a los ojos de un alma pobre.
No busque, pues, un manto en sí mismo. Pida con el salmista que la hermosura de Jehová nuestro Dios sea sobre usted: la hermosura de Su sangre expiatoria y de Su perfecta justicia. Bajo ella Dios no ve las heridas y la hinchazón que usted conoce tan bien, sino que le ve acepto en el Amado. Si la ley viene a acusarle, si su conciencia le declara culpable, o si los dardos del infierno le asaltan, entonces puede refugiarse tras ese manto sin igual.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl