22 december
Opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk.
Jacobus 1:4
Het woord „volmaakt”, zoals men dit in de Schrift vindt, betekent niet, toegepast op een kind van God, zulk een staat die aan het begrip van volmaaktheid beantwoordt, als zou het kind van God zonder vlek en zonder rimpel of heilig zijn; maar het wil zeggen dat zulk een kind van God is gerijpt of rijp geworden in het leven Gods, dat hij niet langer een kind, maar een volwassen man geworden is. Gelijk een boom die tot volle wasdom gekomen is. Zo ook: wanneer de Geest des Heeren het werk der lijdzaamheid in uw ziel gewrocht heeft, dan zijt gij met betrekking tot dat werk volmaakt, want het is Gods werk in u; en voor zover gij „geheel oprecht” zijt, dat is, dat gij alles bezit wat genade geven kan en geens dings gebrek hebt aan hetgeen die genade kan mededelen.
Aan de wil van God geheel onderworpen te zijn en daarmede geheel overeen te stemmen, is de hoogte van des christens volmaaktheid hier beneden, en die dit beleeft, heeft niets nodig, want hij heeft alle dingen in Christus. Wat is dan de hoogste trap van genade waartoe een ziel kan opklimmen? Waar schitterde de genade zo verheven als in de Heere Jezus Christus? En waar openbaarde zich de genade meer dan in de donkere hof en op het kruis? Was niet de menselijke natuur van Christus klaarblijkelijk met de Geest vervuld, en blonk niet iedere genade in Hem meer uit in Gethsémané en op Golgotha dan toen Hij op de berg der verheerlijking was?
Zo blinkt de genade in het hart van een kind van God dat onder beproeving en verzoeking zeggen kan: „Uw wil geschiede”, en dat zichzelf de kastijdende roede zijns hemelsen Vaders onderwerpt, meer uit dan wanneer hij zich baadt in de volle stralen van de Zon der gerechtigheid. Hoe menigmaal tasten wij in dit opzicht mis, waar wij verlangen naar genieting, in plaats van te beseffen dat de ware genade ons onderworpen doet zijn aan de wil van God, hetzij wij in de vallei of op de berg verkeren!
Aan de lezer…
Hoe donker kan het worden wanneer u meent dat de genade in u dood is, omdat u geen zoete genietingen meer kent en uw weg door het dal gaat! Verlangt u naar de berg, en tast u dagelijks in het donker? Zie dan naar Hem in Wie de genade het heerlijkst schitterde: niet het meest op de berg der verheerlijking, maar in Gethsémané en op Golgotha, waar Hij Zich onderwierp aan de wil van Zijn Vader.
Zo kan het ook in uw ziel zijn. Waar de Geest des Heeren het werk der lijdzaamheid wrocht, daar blinkt de genade misschien meer uit dan in de dagen van overvloed. Kunt u onder de kastijdende roede, al is het met tranen, stamelen: „Uw wil geschiede”? Dan is daar Gods eigen werk in u, en wat Hij begonnen heeft, rijpt Hij. Wie alles in Christus heeft, mag arm zijn in zichzelf en toch in geen ding gebrekkelijk.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk.
Jacobus 1:4
Het woord „volmaakt”, zoals het in de Schrift voorkomt, betekent, toegepast op een kind van God, niet een staat die beantwoordt aan het begrip volmaaktheid, alsof het kind van God zonder vlek en zonder rimpel of heilig zou zijn. Het wil zeggen dat zo’n kind van God gerijpt is of rijp geworden in het leven van God, zodat hij geen kind meer is, maar een volwassen man is geworden. Zoals een boom die tot volle wasdom gekomen is. Zo is het ook: wanneer de Geest van de Heere het werk van de lijdzaamheid in uw ziel gewerkt heeft, dan bent u met betrekking tot dat werk volmaakt, want het is Gods werk in u; en in zoverre bent u ook „geheel oprecht”, dat wil zeggen: u bezit alles wat de genade geven kan en u hebt aan niets gebrek van wat die genade kan meedelen.
Geheel onderworpen zijn aan de wil van God en daarmee geheel instemmen, is het hoogtepunt van de volmaaktheid van de christen hier beneden, en wie dat beleeft, heeft niets nodig, want hij heeft alle dingen in Christus. Wat is dan de hoogste trap van genade waartoe een ziel kan opklimmen? Waar schitterde de genade zo verheven als in de Heere Jezus Christus? En waar openbaarde de genade zich meer dan in de donkere hof en aan het kruis? Was de menselijke natuur van Christus niet duidelijk met de Geest vervuld, en blonk niet elke genade in Hem meer uit in Gethsémané en op Golgotha dan toen Hij op de berg van de verheerlijking was?
Zo blinkt ook de genade in het hart van een kind van God, dat onder beproeving en verzoeking kan zeggen: „Uw wil geschiede”, en dat zich onderwerpt aan de kastijdende roede van zijn hemelse Vader, meer uit dan wanneer hij zich baadt in de volle stralen van de Zon van de gerechtigheid. Hoe vaak vergissen wij ons hierin, wanneer wij verlangen naar genieten, in plaats van te beseffen dat de ware genade ons onderworpen maakt aan de wil van God, of wij nu in het dal of op de berg zijn!
Aan de lezer…
Hoe donker kan het worden wanneer u meent dat de genade in u dood is, omdat u geen zoete genietingen meer kent en uw weg door het dal gaat! Verlangt u naar de berg, en tast u dagelijks in het donker? Zie dan naar Hem in Wie de genade het heerlijkst schitterde: niet het meest op de berg van de verheerlijking, maar in Gethsémané en op Golgotha, waar Hij Zich onderwierp aan de wil van Zijn Vader.
Zo kan het ook in uw ziel zijn. Waar de Geest van de Heere het werk van de lijdzaamheid werkte, daar blinkt de genade misschien meer uit dan in de dagen van overvloed. Kunt u onder de kastijdende roede, al is het met tranen, stamelen: „Uw wil geschiede”? Dan is daar Gods eigen werk in u, en wat Hij begonnen heeft, laat Hij rijpen. Wie alles in Christus heeft, mag arm zijn in zichzelf en toch in geen ding gebrekkelijk.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“That ye may be perfect and entire, wanting nothing.”
James 1:4
The word “perfect” in the Scripture does not mean, as applied to a saint of God, anything approaching to the usual idea of perfection, as implying spotless, sinless holiness, but one who is ‘matured’ and ripened in the life of God, no longer a child but a grown man. As a tree grown to its full stature is said to have attained perfection; so when the Lord the Spirit has brought forth the work of patience in your soul, as far as regards that work you are perfect, for it is God’s work in you; and so far you are “entire,” that is, possessing all which that grace gives, and “lacking nothing” which that grace can communicate.
To submit wholly to the will of God, and be lost and swallowed up in conformity to it, is the height of Christian perfection here below; and he that has that, lacks nothing, for he has all things in Christ. What, then, is the greatest height of grace to which the soul can arrive? Where did grace shine forth so conspicuously as in the Lord Jesus Christ? and where did grace manifest itself more than in the gloomy garden and on the suffering cross? Was not the human nature of Jesus more manifestly filled with the Spirit, and did not every grace shine forth in Him more conspicuously in Gethsemane and on Calvary than when enraptured upon the Mount of Transfiguration?
So there is more manifested grace in the heart of a saint of God who, under trial and temptation, can say, “Your will be done,” and submit himself to the chastening rod of his heavenly Father, than when he is basking in the full beams of the Sun of righteousness. How often we are mistaken in this matter; longing for enjoyment, instead of seeing that true grace makes us submit to the will of God, whether in the valley or upon the mount!
To the reader…
How dark it can become when you think the grace in you is dead, because you no longer know sweet enjoyments and your way goes through the valley! Do you long for the mount, and do you grope in the dark day by day? Then look to Him in Whom grace shone most gloriously: not most on the Mount of Transfiguration, but in Gethsemane and on Golgotha, where He submitted to His Father’s will.
So it may be in your soul too. Where the Spirit of the Lord has worked the work of patience, grace may shine more brightly there than in the days of abundance. Can you, under the chastening rod, even with tears, stammer, “Thy will be done”? Then God’s own work is there in you, and what He has begun, He will ripen. Whoever has all things in Christ may be poor in himself and yet want for nothing.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Para que seáis perfectos y cabales, sin faltar en alguna cosa.”
Santiago 1:4
La palabra “perfecto” en la Escritura, aplicada a un santo de Dios, no significa nada que se acerque a la idea usual de perfección, como si implicara una santidad sin mancha y sin pecado, sino uno que ha “madurado” y se ha sazonado en la vida de Dios, que ya no es un niño sino un hombre hecho. Así como de un árbol que ha alcanzado su plena estatura se dice que ha llegado a la perfección, así, cuando el Señor el Espíritu ha producido la obra de la paciencia en su alma, en lo que toca a esa obra usted es perfecto, porque es obra de Dios en usted; y en esa medida es “cabal”, es decir, posee todo lo que esa gracia da, y “no le falta nada” de lo que esa gracia puede comunicar.
Someterse por entero a la voluntad de Dios, y perderse y quedar absorbido en la conformidad con ella, es la cumbre de la perfección cristiana aquí abajo; y el que tiene eso, nada le falta, porque tiene todas las cosas en Cristo. ¿Cuál es, pues, la mayor altura de gracia a la que el alma puede llegar? ¿Dónde resplandeció la gracia tan notablemente como en el Señor Jesucristo? ¿Y dónde se manifestó la gracia más que en el sombrío huerto y en la cruz del sufrimiento? ¿No estaba la naturaleza humana de Jesús más manifiestamente llena del Espíritu, y no resplandecía toda gracia en Él más notablemente en Getsemaní y en el Calvario que cuando estaba arrebatado en el monte de la Transfiguración?
Así hay más gracia manifestada en el corazón de un santo de Dios que, bajo la prueba y la tentación, puede decir: “Hágase Tu voluntad”, y se somete a la vara de corrección de su Padre celestial, que cuando se recrea en los plenos rayos del Sol de justicia. ¡Cuán a menudo nos equivocamos en esto, anhelando el gozo en lugar de ver que la verdadera gracia nos hace someternos a la voluntad de Dios, sea en el valle o sobre el monte!
Al lector…
¡Qué oscuro puede volverse todo cuando usted piensa que la gracia en usted está muerta, porque ya no conoce dulces gozos y su camino pasa por el valle! ¿Anhela el monte, y anda a tientas en la oscuridad día tras día? Entonces mire a Aquel en Quien la gracia resplandeció más gloriosamente: no tanto en el monte de la Transfiguración, sino en Getsemaní y en el Gólgota, donde se sometió a la voluntad de Su Padre.
Así puede ser también en su alma. Donde el Espíritu del Señor ha obrado la obra de la paciencia, la gracia puede resplandecer allí con más brillo que en los días de abundancia. ¿Puede usted, bajo la vara de corrección, aun con lágrimas, balbucear: “Hágase Tu voluntad”? Entonces la obra misma de Dios está ahí en usted, y lo que Él ha comenzado, lo hará madurar. Quien tiene todas las cosas en Cristo puede ser pobre en sí mismo y, sin embargo, no carecer de nada.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl