19 juli
Dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen.
Psalm 55:20
De ware godsdienst is gewis de zwaarste en toch de meest verborgen zaak waarmede wij in deze wereld te doen gehad of te doen kunnen hebben. En ik zal u zeggen dat zij u vertroosten of bedroeven zal. Zij zal uw gemoed beproeven, uw ziel moeite veroorzaken, uw geest neerdrukken en u waarlijk ellendig maken; anderszins zal zij u de bron van aangename vertroosting en van uw grootste blijdschap zijn. Uit de godsdienst spruit onze diepste smart en hoogste vergenoeging, de grootste onrust en de zoetste vrede. Er is in de ware godsdienst dit bijzondere kenmerk, dat zij in de grootste voorspoed de oorzaak kan zijn van onze grootste droefheid, of in de grootste tegenspoed de oorzaak van de reinste vreugde.
Wat is rijkdom of gezondheid, rang of titel en iedere vertroosting die de wereld kan verschaffen, voor een gewonde geest? Wat is armoede, ziekte, vervolging, verachting, een vliering of een gevangenis, voor een ziel die zich koestert in de toelachingen van eeuwige liefde? De godsdienst doet zich gevoelen waar zij leeft en zal getuigenis afleggen door haar kracht en tegenwoordigheid. Indien gij dan deel hebt aan de ware godsdienst, wie, waar en wat gij moogt zijn, dan kunt gij niet behoren tot de gerusten te Sion, want er zal zich altijd iets in uw eigen hart voordoen, of ook van een andere kant, dat u ongerust doet zijn.
Job was eenmaal op zijn gemak, maar hem werd niet toegelaten in zijn nest de geest te geven. Daarom zegt hij: „Ik was gerust, maar Hij heeft mij verbroken en bij mijn nek gegrepen; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht.” En toch, met deze onverwachte en naar het scheen wrede behandeling kon hij nog zeggen: „Ook nu, zie, in de hemel is mijn Getuige, en mijn Getuige in de hoogte.” Ofschoon zo zeer beproefd en benauwd dat hij moest uitroepen: „Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees, en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden. Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij mijn vrienden, want de hand Gods heeft mij aangeraakt”, toch kon hij, begerig dat zijn woorden niet mochten verloren gaan, er in geloofsvertrouwen aan toevoegen:
„Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden! Och, of zij in een boek wierden opgetekend! Dat zij met een ijzeren griffel en lood voor eeuwig in een rots gehouwen wierden! Want ik weet: mijn Verlosser leeft; en Hij zal de laatste over het stof opstaan. En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; Dewelke ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.”
Aan de lezer…
Lezer, maakt uw godsdienst u soms ongerust en ellendig? Is er altijd iets in uw eigen hart, of van een andere kant, dat u verhindert rustig in uw nest te zitten? Vrees dan niet dat het daarom slecht met u staat. Juist zij bij wie gans geen verandering is, vrezen God niet; maar de ware godsdienst doet zich gevoelen waar zij leeft, in smart zowel als in vreugde.
Zie op Job, die verbroken en bij de nek gegrepen werd, en wiens gebeente aan zijn huid kleefde. Toch kon hij zeggen: „Ook nu, zie, in de hemel is mijn Getuige.” En uit die diepte klonk zijn geloofsvertrouwen: „Ik weet: mijn Verlosser leeft.” Zo kan ook uw onrust de weg zijn waarlangs u de zoetste vrede leert kennen. Wat is alle wereldse vertroosting voor een gewonde geest? En wat is een vliering of een gevangenis voor een ziel die zich koestert in de toelachingen van eeuwige liefde?
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen.
Psalm 55:20
De ware godsdienst is zeker de zwaarste en toch de meest verborgen zaak waarmee wij in deze wereld te maken hebben gehad of kunnen hebben. En ik zeg u dat hij u zal vertroosten of bedroeven. Hij zal uw gemoed beproeven, uw ziel moeite bezorgen, uw geest neerdrukken en u werkelijk ellendig maken; of anders zal hij voor u de bron zijn van aangename vertroosting en van uw grootste blijdschap. Uit de godsdienst komen onze diepste smart en ons hoogste genoegen voort, de grootste onrust en de zoetste vrede. De ware godsdienst heeft dit bijzondere kenmerk, dat hij in de grootste voorspoed de oorzaak kan zijn van onze grootste droefheid, of in de grootste tegenspoed de oorzaak van de zuiverste vreugde.
Wat zijn rijkdom of gezondheid, rang of titel en iedere vertroosting die de wereld kan geven, voor een gewonde geest? Wat zijn armoede, ziekte, vervolging, verachting, een zolderkamertje of een gevangenis, voor een ziel die zich koestert in de glimlach van eeuwige liefde? De godsdienst laat zich voelen waar hij leeft, en zal getuigenis afleggen door zijn kracht en tegenwoordigheid. Als u dan deel hebt aan de ware godsdienst, wie, waar en wat u ook bent, dan kunt u niet tot de gerusten in Sion behoren. Want er zal altijd iets zijn, in uw eigen hart of van een andere kant, dat u onrustig maakt.
Job was eens op zijn gemak, maar het werd hem niet toegestaan in zijn nest de geest te geven. Daarom zegt hij: „Ik was gerust, maar Hij heeft mij verbroken en bij mijn nek gegrepen; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht.” En toch kon hij, bij deze onverwachte en schijnbaar wrede behandeling, nog zeggen: „Ook nu, zie, in de hemel is mijn Getuige, en mijn Getuige in de hoogte.” Hij was zo zwaar beproefd en benauwd dat hij moest uitroepen: „Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees, en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden. Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij mijn vrienden, want de hand Gods heeft mij aangeraakt.” Toch kon hij, verlangend dat zijn woorden niet verloren zouden gaan, er in geloofsvertrouwen aan toevoegen:
„Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden! Och, of zij in een boek wierden opgetekend! Dat zij met een ijzeren griffel en lood voor eeuwig in een rots gehouwen wierden! Want ik weet: mijn Verlosser leeft; en Hij zal de laatste over het stof opstaan. En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; Dewelke ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.”
Aan de lezer…
Lezer, maakt uw godsdienst u soms onrustig en ellendig? Is er altijd iets in uw eigen hart, of van een andere kant, dat u verhindert rustig in uw nest te zitten? Vrees dan niet dat het daarom slecht met u staat. Juist zij bij wie gans geen verandering is, vrezen God niet; maar de ware godsdienst laat zich voelen waar hij leeft, in smart en in vreugde.
Zie op Job, die verbroken en bij de nek gegrepen werd, en wiens gebeente aan zijn huid kleefde. Toch kon hij zeggen: „Ook nu, zie, in de hemel is mijn Getuige.” En uit die diepte klonk zijn geloofsvertrouwen: „Ik weet: mijn Verlosser leeft.” Zo kan ook uw onrust de weg zijn waarlangs u de zoetste vrede leert kennen. Wat is alle wereldse vertroosting voor een gewonde geest? En wat is een zolderkamertje of een gevangenis voor een ziel die zich koestert in de glimlach van eeuwige liefde?
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Because they have no changes, therefore they fear not God.”
Psalm 55:19
True religion is certainly the most weighty, and yet the most mysterious matter that we ever have had or can have to do with in this world. And I will tell you this, that it will either comfort you, or it will distress you. It will either exercise your mind, trouble your soul, cast down your spirit, and make you truly miserable, or else be the source of your choicest comfort and your greatest happiness. From religion come our deepest sorrows and highest joys, the greatest uneasiness and the sweetest peace.
There is this peculiar feature about true religion, that in the greatest prosperity it may be the cause to us of the chief trouble, or in the greatest adversity be to us the cause of the purest joy. What are wealth or health, rank or titles, and every comfort the world can afford to a wounded spirit? What are poverty, sickness, persecution, contempt, a garret or a prison to a soul basking in the smiles of eternal love?
Religion will surely make itself felt wherever it exists, and will testify by its power to its presence. If, then, you are a partaker of true religion, be you who, where, or what you may, you cannot be at ease in Zion, for there will be ever something working up out of your own heart or arising from some other quarter to make you uneasy.
Job was once at ease, but he was not allowed to die in his soft nest. He therefore says, “I was at ease, but He has broken me asunder—He has also taken me by my neck, and shaken me to pieces, and set me up for His mark.” And yet with all this unexpected and apparently cruel treatment, he could still say, “Behold, my witness is in heaven, and my record is on high.” And though so exercised and distressed that he had to cry out, “I have been reduced to skin and bones and have escaped death by the skin of my teeth. Have mercy on me, my friends, have mercy, for the hand of God has struck me.”
Yet he could add, in all the confidence of faith, as desirous that his words might stand forever upon record—“Oh, that my words could be written. Oh, that they could be inscribed on a monument, carved with an iron chisel and filled with lead, engraved forever in the rock. But as for me, I know that my Redeemer lives, and that He will stand upon the earth at last. And after my body has decayed, yet in my body I will see God! I will see Him for myself. Yes, I will see Him with my own eyes. I am overwhelmed at the thought!” Job 19:23-27
To the reader…
Reader, does your religion sometimes make you uneasy and miserable? Is there always something in your own heart, or from some other quarter, that keeps you from sitting at ease in your nest? Then do not fear that it is therefore ill with you. It is precisely those who have no changes that fear not God; but true religion makes itself felt where it lives, in sorrow and in joy.
Look at Job, who was broken asunder and taken by the neck, and whose bone cleaved to his skin. Yet he could say, “Also now, behold, my witness is in heaven.” And out of that depth rang his confidence of faith: “I know that my Redeemer liveth.” So your uneasiness, too, may be the way by which you come to know the sweetest peace. What is all worldly comfort to a wounded spirit? And what is a garret or a prison to a soul basking in the smiles of eternal love?
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Por cuanto no se mudan, ni temen á Dios.”
Salmo 55:19
La verdadera religión es sin duda el asunto más grave, y a la vez el más misterioso, con que jamás hemos tenido o podemos tener que ver en este mundo. Y le diré esto: o le consolará, o le angustiará. O ejercitará su mente, turbará su alma, abatirá su espíritu y le hará verdaderamente desdichado, o bien será la fuente de su consuelo más escogido y de su mayor felicidad. De la religión vienen nuestros dolores más hondos y nuestros gozos más altos, la mayor inquietud y la paz más dulce.
Tiene la verdadera religión este rasgo peculiar: que en la mayor prosperidad puede ser para nosotros la causa de la principal aflicción, o en la mayor adversidad ser para nosotros la causa del gozo más puro. ¿Qué son la riqueza o la salud, el rango o los títulos, y todo consuelo que el mundo puede ofrecer, para un espíritu herido? ¿Qué son la pobreza, la enfermedad, la persecución, el desprecio, una buhardilla o una cárcel, para un alma que se goza en las sonrisas del amor eterno?
La religión se hará sentir sin duda dondequiera que exista, y por su poder dará testimonio de su presencia. Si, pues, usted es partícipe de la verdadera religión, sea quien sea, esté donde esté o sea lo que sea, no puede estar reposado en Sión, porque siempre habrá algo que suba de su propio corazón o que surja de algún otro lado para inquietarle.
Job estuvo una vez en reposo, pero no se le permitió morir en su blando nido. Por eso dice: “Próspero estaba, y desmenuzóme: y arrebatóme por la cerviz, y despedazóme, y púsome por blanco suyo.” Y sin embargo, con todo este trato inesperado y en apariencia cruel, aún podía decir: “He aquí que en los cielos está mi testigo, y mi testimonio en las alturas.” Y aunque estaba tan ejercitado y angustiado que tuvo que clamar: “Mi cuero y mi carne se pegaron á mis huesos; y he escapado con la piel de mis dientes. ¡Oh vosotros mis amigos, tened compasión de mí, tened compasión de mí! porque la mano de Dios me ha tocado.”
Con todo, podía añadir, con toda la confianza de la fe, como deseando que sus palabras quedaran para siempre registradas: “¡Quién diese ahora que mis palabras fuesen escritas! ¡quién diese que se escribieran en un libro! ¡Que con cincel de hierro y con plomo fuesen en piedra esculpidas para siempre! Yo sé que mi Redentor vive, y al fin se levantará sobre el polvo: y después de deshecha esta mi piel, aun he de ver en mi carne á Dios; al cual yo tengo de ver por mí, y mis ojos lo verán, y no otro, aunque mis riñones se consuman dentro de mí.” Job 19:23-27
Al lector…
Lector, ¿le hace a veces su religión sentirse inquieto y desdichado? ¿Hay siempre algo en su propio corazón, o de algún otro lado, que le impide sentarse reposado en su nido? Entonces no tema que por eso le vaya mal. Son precisamente los que no se mudan los que no temen a Dios; pero la verdadera religión se hace sentir donde vive, en el dolor y en el gozo.
Mire a Job, que fue desmenuzado y arrebatado por la cerviz, y cuyos huesos se pegaron a su piel. Sin embargo pudo decir: “Mas he aquí que en los cielos está mi testigo.” Y desde aquella profundidad resonó su confianza de fe: “Yo sé que mi Redentor vive.” Así también su inquietud puede ser el camino por el que llegue a conocer la paz más dulce. ¿Qué es todo consuelo del mundo para un espíritu herido? ¿Y qué es una buhardilla o una cárcel para un alma que se goza en las sonrisas del amor eterno?
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl