19 september
Want de Zoon des Mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Lukas 19:10
De Zoon des Mensen is gekomen. Welk een gezegend komen! De Heere Jezus schijnt die heerlijke titel „Zoon des Mensen” voor Zich te hebben aangenomen met de tederste nederbuiging tot onze behoeften. Hij was de Zone Gods, en dat van alle heerlijkheid; maar het behaagt Hem Zich Zoon des Mensen te noemen. Wij hebben Enen nodig, ons gelijk, Die dezelfde natuur, Die in Zijn boezem hetzelfde menselijke hart draagt; Enen Die in alles verzocht is geweest, gelijk wij, maar zonder zonde, en Die daarom in staat is medelijden te hebben met en te helpen degenen die verzocht zijn.
Een zondaar, een mens, al is hij zich zijn bedorvenheid en schuld bewust, kan niet tot God naderen in Zijn innerlijke, werkelijke majesteit en heiligheid. Beschouwd als het grote en heerlijke Wezen Dat de eeuwigheid vervult, is Jehovah te groot, te bovenmate heilig, te vreselijk volmaakt voor hem om tot Hem te naderen. Daartoe moet hij een Middelaar hebben, en wel een Middelaar Die dat ten volle is: een God-mens, „Immanuël”, God met ons. De diepte dezer verborgenheid kan de eeuwigheid zelf niet omvatten. Maar de barmhartigheid Gods, Die zulk een Middelaar aanwees, en de wonderbare nederbuigende liefde van de Zoon om de „Zoon des Mensen” te worden, zijn zaken des geloofs, niet der rede; zij moeten geloofd, niet begrepen worden.
Aldus ontvangen, wordt de mensheid van de Zoon van God een toegangsweg tot de Vader. Wij kunnen tot de Zoon des Mensen spreken, tot Hem naderen, onze harten voor Hem uitstorten. Zijn tedere boezem, Zijn medelijdend hart, schijnt de begeerten en de gevoelens van ons hart tot Zich te trekken. God durven wij niet te naderen in Zijn wrekende majesteit; Hij is een „verterend vuur”, en de ziel beeft voor Hem. Maar wanneer Jezus Zich in het Evangelie vertoont als „de Middelaar tussen God en de mensen”, en als „een Scheidsman”, waarvan Job spreekt, „om Zijn hand op ons beiden te leggen” (Job 9:33), hoe schijnt dit in de diepte van het menselijk hart door te dringen! Hoe opent dit een weg voor de arme, schuldige, onreine, veroordeelde en verloren zondaar, om tot die grote God te naderen met Wie hij te doen heeft!
Ps. 29:6
Aan de lezer…
Durft u, waarde lezer, niet tot God te naderen, omdat u uw bedorvenheid en schuld kent en weet dat Hij een verterend vuur is? Beeft uw ziel bij de gedachte aan Zijn heiligheid? Dat is niet zonder reden: Hij is te groot en te heilig voor een zondaar om zó tot Hem te komen. Maar de Zoon des Mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was, en Hij heeft het niet beneden Zich geacht Zich zo te noemen.
Tot Hem kunt u spreken. Hij draagt hetzelfde menselijke hart, Hij is in alles verzocht geweest, en Hij heeft medelijden met degenen die verzocht zijn. Stort uw hart dan voor Hem uit, juist zoals u bent: schuldig, onrein en verloren. Hij is de Scheidsman Die Zijn hand op beiden legt, en door Hem is er een weg geopend tot die grote God met Wie u te doen hebt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want de Zoon des Mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Lukas 19:10
De Zoon des mensen is gekomen. Wat een gezegend komen! De Heere Jezus lijkt die heerlijke titel „Zoon des mensen” te hebben aangenomen uit de tederste neerbuigende zorg voor wat wij nodig hebben. Hij was de Zoon van God, en wel in alle heerlijkheid; maar het behaagt Hem Zich de Zoon des mensen te noemen. Wij hebben Iemand nodig Die aan ons gelijk is, Die dezelfde natuur heeft en in Zijn borst hetzelfde menselijke hart draagt. Wij hebben Iemand nodig Die in alles verzocht is geweest zoals wij, maar zonder zonde, en Die daarom in staat is medelijden te hebben met hen die verzocht worden en hen te helpen.
Een zondaar, een mens die zich bewust is van zijn verdorvenheid en schuld, kan niet tot God naderen in Zijn innerlijke, werkelijke majesteit en heiligheid. Gezien als het grote en heerlijke Wezen Dat de eeuwigheid vervult, is Jehovah voor hem te groot, te verheven heilig en te ontzagwekkend volmaakt om tot Hem te naderen. Daarvoor moet hij een Middelaar hebben, en wel een Middelaar Die dat volkomen is: een God-mens, „Immanuël”, God met ons. De diepte van deze verborgenheid kan de eeuwigheid zelf niet omvatten. Maar de barmhartigheid van God, Die zo’n Middelaar aanwees, en de wonderbare neerbuigende liefde van de Zoon om de „Zoon des mensen” te worden, zijn zaken van het geloof, niet van het verstand; zij moeten geloofd worden, niet begrepen.
Wanneer zij zo worden aangenomen, wordt de mensheid van de Zoon van God een toegangsweg tot de Vader. Wij kunnen tot de Zoon des mensen spreken, tot Hem naderen en ons hart voor Hem uitstorten. Zijn tedere borst, Zijn medelijdend hart, lijkt de verlangens en gevoelens van ons hart naar Zich toe te trekken. God durven wij niet te naderen in Zijn wrekende majesteit; Hij is een „verterend vuur”, en de ziel beeft voor Hem. Maar wanneer Jezus Zich in het Evangelie laat zien als „de Middelaar tussen God en de mensen”, en als „een Scheidsman”, waarover Job spreekt, „om Zijn hand op ons beiden te leggen” (Job 9:33), hoe lijkt dat dan door te dringen tot in de diepte van het menselijk hart! Hoe opent dat een weg voor de arme, schuldige, onreine, veroordeelde en verloren zondaar om te naderen tot die grote God met Wie hij te doen heeft!
Ps. 29:6
Aan de lezer…
Durft u niet tot God te naderen, omdat u uw verdorvenheid en schuld kent en weet dat Hij een verterend vuur is? Beeft uw ziel bij de gedachte aan Zijn heiligheid? Dat is niet zonder reden: Hij is te groot en te heilig voor een zondaar om zó tot Hem te komen. Maar de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was, en Hij heeft het niet beneden Zich geacht Zich zo te noemen.
Tot Hem kunt u spreken. Hij draagt hetzelfde menselijke hart, Hij is in alles verzocht geweest, en Hij heeft medelijden met hen die verzocht worden. Stort uw hart dan voor Hem uit, zoals u bent: schuldig, onrein en verloren. Hij is de Scheidsman Die Zijn hand op beiden legt, en door Hem is er een weg geopend tot die grote God met Wie u te doen hebt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For the Son of man is come to seek and to save that which was lost.
Luke 19:10
“The Son of man has come.” What a blessed coming! The Lord Jesus seems to have taken to Himself, with the tenderest condescension to our needs, that gracious title, “the Son of man.” He was the Son of God, and that from all eternity; but He delights to call Himself the Son of man. We need One like ourselves, wearing the same nature; carrying in His bosom the same human heart; One Who has been, “in all points, tempted like as we are, yet without sin;” and therefore able to sympathize with and to support those who are tempted.
A sinner like man, when made sensible of his pollution and guilt, cannot draw near unto God in His intrinsic, essential majesty and holiness. Viewed as the great and glorious Being that fills eternity, Jehovah is too great, too transcendently holy, too formidably perfect for man to approach. He must therefore have a Mediator; and that Mediator One Who is a Mediator indeed, a God-man, “Immanuel, God with us.” The depth of this mystery, eternity itself will not fathom.
But the tender mercy of God in appointing such a Mediator, and the wondrous condescension of the Son of God in becoming “the Son of man,” are matters of faith, not of reason; are to be believed, not understood. When thus received, the humanity of the Son of God becomes a way of access unto the Father. We can talk to, we can approach, we can pour out our hearts before “the Son of man.” His tender bosom, His sympathizing heart, seem to draw forth the feelings and desires of our own.
God, as beheld in His wrathful majesty, we dare not approach; He is a “consuming fire;” and the soul trembles before Him. But when Jesus appears in the gospel as “the Mediator between God and man,” and “an Arbitrator,” as Job speaks, “to lay His hand upon us both” (Job 9:33), how this seems to penetrate into the depths of the human heart! How this opens a way for the poor, guilty, filthy, condemned, and ruined sinner to draw near to that great God with Whom he has to do! How this, when experimentally realized, draws forth faith to look unto Him, hope to anchor in Him, and love tenderly and affectionately to embrace Him!
To the reader…
Do you dare not draw near to God, because you know your corruption and guilt and know that He is a consuming fire? Does your soul tremble at the thought of His holiness? That is not without reason: He is too great and too holy for a sinner to come to Him like that. But the Son of man is come to seek and to save that which was lost, and He did not think it beneath Himself to call Himself by that name.
To Him you can speak. He carries the same human heart, He was in all points tempted like as we are, and He has compassion on those who are tempted. Pour out your heart before Him, then, just as you are: guilty, unclean, and lost. He is the Daysman Who lays His hand upon us both, and through Him a way has been opened to that great God with Whom you have to do.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque el Hijo del hombre vino á buscar y á salvar lo que se había perdido.
Lucas 19:10
“El Hijo del hombre vino.” ¡Qué venida tan bienaventurada! El Señor Jesús parece haber tomado para Sí, con la más tierna condescendencia hacia nuestras necesidades, aquel título lleno de gracia: “el Hijo del hombre.” Él era el Hijo de Dios, y eso desde toda la eternidad; pero se deleita en llamarse a Sí mismo el Hijo del hombre. Necesitamos a Uno como nosotros, que lleve la misma naturaleza; que lleve en Su pecho el mismo corazón humano; a Uno que haya sido “tentado en todo según nuestra semejanza, pero sin pecado”; y por tanto capaz de compadecerse de los que son tentados y de sostenerlos.
Un pecador como el hombre, cuando se le hace sentir su contaminación y su culpa, no puede acercarse a Dios en Su majestad y santidad intrínsecas y esenciales. Considerado como el Ser grande y glorioso que llena la eternidad, Jehová es demasiado grande, demasiado trascendentemente santo, demasiado temiblemente perfecto para que el hombre se acerque a Él. Tiene, pues, que tener un Mediador; y ese Mediador, Uno que sea verdaderamente Mediador, un Dios-Hombre, “Emmanuel, Dios con nosotros.” La profundidad de este misterio, la eternidad misma no la sondeará.
Pero la tierna misericordia de Dios al designar tal Mediador, y la maravillosa condescendencia del Hijo de Dios al hacerse “el Hijo del hombre”, son asuntos de fe, no de razón; han de ser creídos, no entendidos. Cuando se reciben así, la humanidad del Hijo de Dios se convierte en un camino de acceso al Padre. Podemos hablar con “el Hijo del hombre”, podemos acercarnos a Él, podemos derramar nuestro corazón delante de Él. Su tierno pecho, Su corazón compasivo, parecen hacer brotar los sentimientos y deseos del nuestro.
A Dios, contemplado en Su majestad airada, no nos atrevemos a acercarnos; Él es “fuego consumidor”, y el alma tiembla delante de Él. Pero cuando Jesús aparece en el evangelio como “el Mediador entre Dios y los hombres”, y como “árbitro”, como dice Job, “que ponga su mano sobre nosotros ambos” (Job 9:33), ¡cómo parece esto penetrar hasta lo profundo del corazón humano! ¡Cómo abre esto un camino para que el pobre pecador, culpable, inmundo, condenado y arruinado, se acerque a aquel gran Dios con quien tiene que ver! ¡Cómo, cuando se experimenta, hace brotar la fe para mirar a Él, la esperanza para anclarse en Él, y el amor para abrazarle tierna y afectuosamente!
Al lector…
¿No se atreve usted a acercarse a Dios, porque conoce su corrupción y su culpa y sabe que Él es fuego consumidor? ¿Tiembla su alma al pensar en Su santidad? No es sin razón: Él es demasiado grande y demasiado santo para que un pecador venga a Él así. Pero el Hijo del hombre vino a buscar y a salvar lo que se había perdido, y no tuvo por indigno de Sí llamarse con ese nombre.
Con Él puede usted hablar. Lleva el mismo corazón humano, fue tentado en todo según nuestra semejanza, y se compadece de los que son tentados. Derrame, pues, su corazón delante de Él, tal como es: culpable, inmundo y perdido. Él es el Árbitro que pone Su mano sobre nosotros ambos, y por Él se ha abierto un camino hacia aquel gran Dios con Quien usted tiene que ver.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl