18 oktober
Jezus antwoordde en zeide tot hem: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, Die Hij gezonden heeft.
Johannes 6:29
O, hoe menig kind van God is er dat wenst in Jezus te geloven en in Zijn heilige Naam te vertrouwen, en toch kan hij het niet, geplaagd en gekweld als hij is door de opwellingen van het inwendig ongeloof. Hij weet dat hij niet zodanig in Hem gelooft dat hij zich de verlossing kan toe-eigenen, want hij heeft een inwendig getuigenis in zijn consciëntie dat, zo hij door de kracht des Heiligen Geestes in de Heere Jezus geloofde, dit de liefde Gods in zijn hart zou brengen, de prikkel des doods zou wegnemen en hem zou vervullen met blijdschap en vrede. Doch zolang hij zich veroordeeld gevoelt door de wet en zijn eigen schuldige consciëntie, heeft hij een inwendig getuigenis in zich dat hij alsnog het levend geloof in Christus mist, hetwelk hem, naar zijn overtuiging, ontheffen zou van al zijn schuldige vrees en sombere overleggingen. Daarom jaagt hij naar dit bijzondere, uitmuntende geloof in de Heere Jezus, opdat hij het verkrijgen moge, of liever, dat de Heere het hem naar Zijn oneindige barmhartigheid wilde schenken.
Hier is dan de voornaamste werkzaamheid des geloofs: te geloven in Jezus Christus, om vergeving, vrede en verlossing te mogen bekomen. Menige ziel werkt hier hard, en evenwel met een diepe en aanwassende overtuiging dat het een werk is hetwelk zij niet volvoeren kan dan alleen door de onmiddellijke kracht Gods. Zulk een krachtige vijand is het ongeloof, dat zij in weerwil van al haar pogingen gewaar wordt het niet te kunnen onderwerpen, en dat zij geen korreltje van het ware geloof, waardoor Christus bevindelijk in het hart gebracht wordt, kan opwekken. Doch deze strijd of tegenstand toont klaar dat er leven van binnen is, een werk Gods in de ziel; want uit kracht van de bewegingen Zijner genade en de tegenstand van zijn vleselijk gemoed wordt deze strijd veroorzaakt.
Wanneer dan op Zijn tijd de gezegende Geest Christus voor zijn oog en hart ontdekt, Zijn verzoenend bloed op zijn consciëntie sprengt, Zijn gerechtigheid voortbrengt en hem daarmede bekleedt, en de liefde Gods in zijn hart uitstort, dan verwekt Hij dit bijzondere geloof in de Heere Jezus, waardoor de ziel op Hem gaat leunen en, als ik deze uitdrukking eens mag gebruiken, zich vasthaakt aan Zijn Persoon als de Godmens. Hij vertrouwt op het bloed dat reinigt van alle zonden; op Zijn gerechtigheid, die volkomen rechtvaardigt; op Zijn genade, als te boven gaande al het overvloedige kwaad; op Zijn stervende liefde, als een balsemende hartsterking tegen alle smart en droefheid waarmede hij was bezet. Dit wil het zeggen: te geloven in de Zoon van God; te geloven in Jezus Christus tot zaligheid der ziel.
Aan de lezer…
Wanneer u in Jezus wenst te geloven en het toch niet kunt zoals u zou willen, is dat een zware strijd. Voelt u zich nog veroordeeld door de wet en door uw eigen schuldige consciëntie, en blijven al uw pogingen tegen het ongeloof vergeefs? Denk dan niet dat de strijd een teken is dat er niets in u is. Juist deze tegenstand toont dat er leven van binnen is; want een dode ziel strijdt niet, en zij jaagt ook niet naar het geloof in de Zoon van God.
U kunt dat geloof niet in uzelf opwekken; het is het werk Gods. Maar Hij kan, op Zijn tijd, Christus voor uw oog en hart ontdekken, Zijn bloed op uw consciëntie sprengen en Zijn liefde in uw hart uitstorten. Wacht dan op Hem, en blijf vragen. Wanneer Hij dat doet, zal uw ziel op Hem leunen en zich vasthaken aan Zijn Persoon, en dan zult u ondervinden dat Zijn genade al uw overvloedig kwaad te boven gaat.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Jezus antwoordde en zeide tot hem: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, Die Hij gezonden heeft.
Johannes 6:29
O, hoeveel kinderen van God zijn er niet die wensen in Jezus te geloven en op Zijn heilige Naam te vertrouwen, en het toch niet kunnen, geplaagd en gekweld als zij worden door het opwellen van het inwendig ongeloof. Zo iemand weet dat hij niet zó in Hem gelooft dat hij zich de verlossing kan toe-eigenen. Hij heeft namelijk een inwendig getuigenis in zijn geweten dat, als hij door de kracht van de Heilige Geest in de Heere Jezus geloofde, dit de liefde van God in zijn hart zou brengen, de prikkel van de dood zou wegnemen en hem zou vervullen met blijdschap en vrede. Maar zolang hij zich veroordeeld voelt door de wet en zijn eigen schuldig geweten, heeft hij een inwendig getuigenis dat hij nog steeds het levend geloof in Christus mist, dat hem naar zijn overtuiging zou bevrijden van al zijn schuldige vrees en sombere overleggingen. Daarom jaagt hij naar dit bijzondere, uitnemende geloof in de Heere Jezus, om het te verkrijgen, of liever, dat de Heere het hem in Zijn oneindige barmhartigheid zou willen schenken.
Hier ligt dan de voornaamste werkzaamheid van het geloof: geloven in Jezus Christus, om vergeving, vrede en verlossing te mogen ontvangen. Menige ziel werkt hier hard aan, en toch met een diepe en groeiende overtuiging dat het een werk is dat zij niet kan volbrengen dan alleen door de onmiddellijke kracht van God. Het ongeloof is zo’n machtige vijand, dat zij ondanks al haar pogingen merkt dat zij het niet kan onderwerpen. Zij kan geen korreltje opwekken van het ware geloof waardoor Christus bevindelijk in het hart gebracht wordt. Maar deze strijd of tegenstand toont duidelijk dat er leven van binnen is, een werk van God in de ziel; want deze strijd ontstaat door de bewegingen van Zijn genade en de tegenstand van het vleselijk gemoed.
Wanneer de gezegende Geest dan op Zijn tijd Christus aan zijn oog en hart ontdekt, Zijn verzoenend bloed op zijn geweten sprenkelt, Zijn gerechtigheid tevoorschijn brengt en hem daarmee bekleedt, en de liefde van God in zijn hart uitstort, dan werkt Hij dit bijzondere geloof in de Heere Jezus. Daardoor gaat de ziel op Hem leunen en, als ik deze uitdrukking eens mag gebruiken, haakt zij zich vast aan Zijn Persoon als de Godmens. Hij vertrouwt op het bloed dat reinigt van alle zonden; op Zijn gerechtigheid, die volkomen rechtvaardigt; op Zijn genade, die al het overvloedige kwaad te boven gaat; op Zijn stervende liefde, als een verzachtend hartversterkend middel tegen alle smart en droefheid waardoor hij was omringd. Dat betekent het: geloven in de Zoon van God; geloven in Jezus Christus tot zaligheid van de ziel.
Aan de lezer…
Wanneer u in Jezus wenst te geloven en het toch niet kunt zoals u zou willen, is dat een zware strijd. Voelt u zich nog veroordeeld door de wet en door uw eigen schuldig geweten, en blijven al uw pogingen tegen het ongeloof vergeefs? Denk dan niet dat de strijd een teken is dat er niets in u is. Juist deze tegenstand laat zien dat er leven van binnen is; want een dode ziel strijdt niet, en zij jaagt ook niet naar het geloof in de Zoon van God.
U kunt dat geloof niet in uzelf opwekken; het is het werk van God. Maar Hij kan op Zijn tijd Christus aan uw oog en hart ontdekken, Zijn bloed op uw geweten sprenkelen en Zijn liefde in uw hart uitstorten. Wacht dan op Hem, en blijf vragen. Wanneer Hij dat doet, zal uw ziel op Hem leunen en zich vasthaken aan Zijn Persoon, en dan zult u ervaren dat Zijn genade al uw overvloedig kwaad te boven gaat.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Jesus answered and said unto them, This is the work of God, that ye believe on Him Whom He hath sent.
John 6:29
Oh! how many a living saint is there who wants to believe in Jesus, who longs to trust in His holy Name; and yet he cannot, so plagued, so pestered is he by the risings of inward unbelief. He knows that he does not yet so believe in Him as to obtain deliverance; for he has an inward testimony in his conscience, that if he believed in the Lord Jesus by the power of the Holy Spirit, it would bring the love of God into his heart, extract the sting of death, and fill him with joy and peace. But as long as he feels condemned by the law and his own guilty conscience, he has an inward testimony that he has not as yet that living faith in Christ which, he is persuaded, would save and deliver him from all his guilty fears and dismal apprehensions. Therefore he labors after this special, this peculiar faith in the Lord Jesus, that he may attain unto it, or rather that God would, of His infinite mercy, bestow it upon him.
Here, then, is the main labor of faith, to believe in Jesus Christ so as to obtain pardon, peace, and deliverance. Many a poor soul is laboring hard at this work, yet with a deep and increasing conviction that it is a work which he cannot perform except by the immediate power of God. So powerful an antagonist is unbelief, that, with all his attempts, he feels that he cannot subdue it, nor raise up one grain of that true faith whereby Christ is experimentally brought into the heart. But this very struggle plainly shows that there is life within, a work of God on his soul; for, from the movements of His grace, and the opposition of his carnal mind to them, all this conflict proceeds.
When, then, in due time, the blessed Spirit brings Christ near to his eyes and heart, reveals Him within, takes of His atoning blood, and sprinkles it on his conscience, brings forth His righteousness and puts it upon him, and sheds abroad the love of God, then He raises up that special faith in the Lord Jesus, whereby the soul hangs, and if I may use the expression, hooks itself upon His Person, as God-man, upon His blood as cleansing from all sin, upon His righteousness as perfectly justifying, upon His grace as super-abounding over all the aboundings of evil, and upon His dying love as a balmy cordial against all the woes and sorrows by which it is distressed. This is believing in the Son of God; believing in Jesus Christ to the salvation of the soul.
To the reader…
When you long to believe in Jesus and yet cannot do so as you would wish, that is a heavy conflict. Do you still feel condemned by the law and by your own guilty conscience, and do all your efforts against unbelief remain in vain? Then do not think that the struggle is a sign that there is nothing in you. This very opposition shows that there is life within; for a dead soul does not struggle, nor does it press after faith in the Son of God.
You cannot raise up that faith in yourself; it is the work of God. But He can, in His own time, reveal Christ to your eye and heart, sprinkle His blood on your conscience and shed abroad His love in your heart. Wait, then, for Him, and keep asking. When He does that, your soul will lean upon Him and hook itself upon His Person, and then you will find that His grace super-abounds over all your abounding evil.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Respondió Jesús, y díjoles: Esta es la obra de Dios, que creáis en el que Él ha enviado.
Juan 6:29
¡Oh, cuántos santos vivientes hay que quieren creer en Jesús, que anhelan confiar en Su santo Nombre, y sin embargo no pueden, tan acosados y tan molestados están por los levantamientos de la incredulidad interior! Saben que todavía no creen en Él de tal manera que obtengan liberación; porque tienen en su conciencia un testimonio interior de que, si creyeran en el Señor Jesús por el poder del Espíritu Santo, ello traería el amor de Dios a su corazón, quitaría el aguijón de la muerte y los llenaría de gozo y paz. Pero mientras el hombre se siente condenado por la ley y por su propia conciencia culpable, tiene un testimonio interior de que todavía no posee esa fe viva en Cristo que, según está persuadido, le salvaría y libraría de todos sus temores culpables y sombríos presentimientos. Por eso se esfuerza por alcanzar esta fe especial, esta fe peculiar en el Señor Jesús, o más bien para que Dios, por Su infinita misericordia, se la conceda.
Este es, pues, el principal trabajo de la fe: creer en Jesucristo de tal modo que se obtenga perdón, paz y liberación. Más de un alma pobre trabaja duramente en esta obra, y sin embargo con una profunda y creciente convicción de que es una obra que no puede realizar sino por el poder inmediato de Dios. Tan poderoso adversario es la incredulidad que, con todos sus intentos, siente que no puede vencerla, ni levantar un solo grano de aquella fe verdadera por la cual Cristo es traído experimentalmente al corazón. Pero esta misma lucha muestra claramente que hay vida dentro, una obra de Dios en su alma; porque de los movimientos de Su gracia, y de la oposición de su mente carnal a ellos, procede todo este conflicto.
Cuando, pues, a su debido tiempo, el bendito Espíritu acerca a Cristo a sus ojos y a su corazón, le revela dentro, toma de Su sangre expiatoria y la rocía sobre su conciencia, saca Su justicia y la pone sobre él, y derrama el amor de Dios, entonces levanta aquella fe especial en el Señor Jesús por la cual el alma se cuelga y, si se me permite la expresión, se engancha de Su Persona como Dios-hombre, de Su sangre como la que limpia de todo pecado, de Su justicia como la que justifica perfectamente, de Su gracia como la que sobreabunda por encima de todas las abundancias del mal, y de Su amor agonizante como un cordial balsámico contra todos los ayes y dolores que la afligen. Esto es creer en el Hijo de Dios; creer en Jesucristo para la salvación del alma.
Al lector…
Cuando usted anhela creer en Jesús y sin embargo no puede hacerlo como quisiera, ese es un conflicto pesado. ¿Se siente todavía condenado por la ley y por su propia conciencia culpable, y quedan en vano todos sus esfuerzos contra la incredulidad? Entonces no piense que la lucha es señal de que no hay nada en usted. Esta misma oposición muestra que hay vida dentro; porque un alma muerta no lucha, ni se esfuerza por alcanzar la fe en el Hijo de Dios.
Usted no puede levantar esa fe en sí mismo; es la obra de Dios. Pero Él puede, a Su tiempo, revelar a Cristo a sus ojos y a su corazón, rociar Su sangre sobre su conciencia y derramar Su amor en su corazón. Espérele, pues, y siga pidiendo. Cuando Él lo haga, su alma se apoyará en Él y se enganchará de Su Persona, y entonces hallará que Su gracia sobreabunda por encima de todo su mal abundante.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl