18 januari
Van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.
Ezechiël 36:25
Waar geen kruis, verzoekingen of oefeningen zijn, daar is een mens gewis de drekgoden nagewandeld. Het doet er niet toe welke ondervinding hij heeft gehad, of moeite of troost, kommer of blijdschap; wanneer hij niet meer gekweld en geoefend wordt, dan zal hij zijn huisgoden in de binnenste kamers zijner verbeelding oprichten. Genoegen, zelfbehagen of zelfbevrediging zal gewis in de een of andere vorm zijn gedachten geheel innemen en zijn hart veroveren. Ook is er niets te gering of te onbeduidend, wat hem niet als drekgod dienen kan. Wat boven God geacht of begeerd wordt, ons meer belang inboezemt, ons meer vergenoegt, onze uren die wij wakker zijn in beslag neemt, het meest in onze gedachten zweeft, wordt een drekgod, een brouwsel van zonden.
Het is niet zozeer de grootte van de afgod, maar zijn bestaan als voorwerp der verering, dat de afgodendienst uitmaakt. Ik heb enige Burmese afgoden gezien, niet groter dan mijn hand; ook heb ik Egyptische afgoden gezien, die vele tonnen wogen. Maar beide waren zij afgoden, en de grootte bij vergelijking bleef buiten beschouwing. Zo is het ook in geestelijk opzicht; de afgod moet niet geschat worden naar zijn grootte, naar belang of minder belang. Een schone roos kan voor iemand evengoed een afgod zijn als dit voor een ander een kist vol goud is. Indien gij op uw hart let, dan zult gij gewaar worden dat zich de gehele dag door afgoden openbaren, bijna zo veelvuldig als er sterren aan de hemel zijn.
Welnu, beproevingen, bekommeringen, verzoekingen, benauwingen, verliezen, verdrukkingen, deze alle worden ons toegezonden om de afgoden terneder te werpen, of liever, om ons hart ervan af te trekken. Zij brengen ons af van ons vleselijk gemak en beletten ons neder te zitten, tevreden met een naam dat wij leven, terwijl wij dood zijn. Zij doen ons om genade smeken, nemen al onze verrotte kussens van onder onze oksels weg, jagen ons uit onze valse toevluchtsoorden en ontdoen ons van onze ijdele hoop en bedrieglijke verwachtingen. Wij leren onszelf niet bloot als zondaren kennen door het lezen in de Bijbel. Het moet in ons gewerkt worden, laat mij zeggen: in ons gebrand worden.
Niet één zal oprecht en geestelijk om genade roepen, om verzoening en vergeving door de toepassing van het verzoenend bloed, tenzij de zonde in haar ellende, in haar heerschappij, in haar schuld, in haar verstrikking, in haar list en verlokkingen, in haar vuilheid en besmetting, in haar verdoemende kracht, geestelijk gevoeld en gekend wordt. Waar de Heilige Geest werkt, daar verwekt Hij zuchtingen, gekreun, smekingen, worstelingen en het pleiten om Christus te mogen kennen, om Zijn liefde te mogen proeven en de kracht van Zijn verzoenend bloed, om Hem te mogen omhelzen als onze volkomen zaligheid en al onze begeerte. En ofschoon er veel onvruchtbaarheid en hardheid moge zijn – en zonder twijfel zal dit er ook straks veel zijn, en er zal ook menigmaal een dodigheid en zorgeloosheid worden waargenomen – niettegenstaande dit zal de hemelse Leermeester Zijn werk verlevendigen, echter niet zelden door pijnlijke middelen. Toch zal Hij de levend gemaakte ziel niet ontbloot laten van een persoonlijke en bevindelijke blijdschap in Christus en van Zijn heerlijke zaligheid.
Aan de lezer…
Misschien, lezer, begrijpt u niet waarom de Heere u zoveel kruis, verlies en benauwdheid toezendt. Maar zie eens eerlijk in uw eigen hart: wat neemt daar uw gedachten in beslag? Wat begeert u meer dan God? Het kan iets kleins zijn, zo gering als een roos, en toch een afgod. Als het stil en gemakkelijk wordt, richten wij zo snel onze huisgoden op.
Daarom neemt de Heere de verrotte kussens weg en jaagt Hij ons uit onze valse toevluchten. Het is pijnlijk, maar het is liefde. Hij belooft: „Van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.” Laat uw beproeving u dan tot smeken drijven, om Christus te mogen kennen en de kracht van Zijn verzoenend bloed te proeven. Hij Die door pijnlijke middelen werkt, zal de levend gemaakte ziel niet zonder blijdschap in Christus laten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.
Ezechiël 36:25
Waar geen kruis, verzoekingen of oefeningen zijn, daar is een mens zeker achter de drekgoden aangegaan. Het maakt niet uit welke ervaring hij heeft gehad, moeite of troost, zorg of blijdschap; wanneer hij niet meer gekweld en geoefend wordt, zal hij zijn huisgoden oprichten in de binnenste kamers van zijn verbeelding. Genoegen, zelfbehagen of zelfbevrediging zal zeker in een of andere vorm zijn gedachten helemaal innemen en zijn hart veroveren. Er is ook niets te gering of te onbeduidend om hem niet als drekgod te kunnen dienen. Wat boven God gewaardeerd of begeerd wordt, wat ons meer bezighoudt, ons meer voldoening geeft, onze wakkere uren in beslag neemt en het meest door onze gedachten zweeft, wordt een drekgod, een brouwsel van zonden.
Het is niet zozeer de grootte van de afgod, maar het feit dat hij als voorwerp van verering bestaat, dat de afgodendienst uitmaakt. Ik heb enkele Birmese afgoden gezien, niet groter dan mijn hand; ook heb ik Egyptische afgoden gezien die vele tonnen wogen. Maar beide waren afgoden, en hun onderlinge grootte deed daarbij niet ter zake. Zo is het ook in geestelijk opzicht: de afgod moet niet geschat worden naar zijn grootte, naar meer of minder belang. Een mooie roos kan voor de een evengoed een afgod zijn als voor een ander een kist vol goud. Als u op uw hart let, zult u merken dat zich de hele dag door afgoden vertonen, bijna zo talrijk als er sterren aan de hemel zijn.
Welnu, beproevingen, zorgen, verzoekingen, benauwdheden, verliezen, verdrukkingen: die worden ons allemaal toegezonden om de afgoden neer te werpen, of liever, om ons hart ervan los te trekken. Zij halen ons weg uit ons vleselijk gemak en verhinderen ons om neer te zitten, tevreden met de naam dat wij leven, terwijl wij dood zijn. Zij doen ons om genade smeken, nemen al onze verrotte kussens onder onze oksels weg, jagen ons uit onze valse toevluchtsoorden en ontnemen ons onze ijdele hoop en bedrieglijke verwachtingen. Wij leren onszelf niet als naakte zondaren kennen door het lezen van de Bijbel. Het moet in ons gewerkt worden, ik zou zeggen: in ons gebrand worden.
Niemand zal oprecht en geestelijk om genade roepen, om verzoening en vergeving door de toepassing van het verzoenend bloed, tenzij de zonde geestelijk gevoeld en gekend wordt in haar ellende, in haar heerschappij, in haar schuld, in haar verstrikking, in haar list en verlokkingen, in haar vuilheid en besmetting en in haar verdoemende kracht. Waar de Heilige Geest werkt, daar wekt Hij zuchten, kreunen, smeken, worstelen en pleiten om Christus te mogen kennen, om Zijn liefde en de kracht van Zijn verzoenend bloed te mogen proeven, en om Hem te mogen omhelzen als onze volkomen zaligheid en al onze begeerte. En hoewel er veel onvruchtbaarheid en hardheid mag zijn – en ongetwijfeld zal die er later ook veel zijn, en er zal ook vaak doodsheid en zorgeloosheid worden opgemerkt – toch zal de hemelse Leermeester Zijn werk verlevendigen, al gebeurt dat niet zelden door pijnlijke middelen. Toch zal Hij de levend gemaakte ziel niet beroofd laten van een persoonlijke en bevindelijke blijdschap in Christus en in Zijn heerlijke zaligheid.
Aan de lezer…
Misschien, lezer, begrijpt u niet waarom de Heere u zoveel kruis, verlies en benauwdheid toezendt. Maar kijk eens eerlijk in uw eigen hart: wat neemt daar uw gedachten in beslag? Wat begeert u meer dan God? Het kan iets kleins zijn, zo gering als een roos, en toch een afgod. Als het stil en gemakkelijk wordt, richten wij zo snel onze huisgoden op.
Daarom neemt de Heere de verrotte kussens weg en jaagt Hij ons uit onze valse toevluchten. Het is pijnlijk, maar het is liefde. Hij belooft: „Van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.” Laat uw beproeving u dan tot smeken drijven, om Christus te mogen kennen en de kracht van Zijn verzoenend bloed te proeven. Hij Die door pijnlijke middelen werkt, zal de levend gemaakte ziel niet zonder blijdschap in Christus laten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Then will I sprinkle clean water upon you, and ye shall be clean: from all your filthiness, and from all your idols, will I cleanse you.
Ezekiel 36:25
When there are no crosses, temptations, or exercises, a man is sure to go out after and cleave to idols. It matters not what experience he has had, whether of trouble or consolation, distress or enjoyment; if once he ceases to be plagued and exercised, he will be setting up his household gods in the secret chambers of imagery. Profit or pleasure, self-indulgence or self-gratification will surely, in one form or another, engross his thoughts, and steal away his heart.
Nor is there anything too trifling or insignificant to become an idol. Whatever is meditated on preferably to God, whatever is desired more than He, whatever more interests us, pleases us, occupies our waking hours, or is more constantly in our mind, becomes an idol and a source of sin.
It is not the magnitude of the idol, but its existence as an object of worship, that constitutes idolatry. I have seen some Burmese idols not much larger than my hand, and I have seen some Egyptian idols weighing many tons. But both were equally idols, and the comparative size had nothing to do with the question. So spiritually, the idol is not to be measured by its size, its relative importance or non-importance. A flower may be as much an idol to one man as a chest full of gold to another. If you watch your heart, you will see idols rising and setting all day long, nearly as thickly as the stars by night.
Now exercises, difficulties, temptations, besetments, losses, trials, afflictions, are all sent to pull down these idols, or rather to pull away our hearts from them. They pull us out of fleshly ease, and prevent us from sitting down contented with a name to live while dead. They make us cry for mercy, pull down all rotten props, hunt us out of false refuges, and strip us of vain hopes and delusive expectations.
We do not learn that we are sinners merely by reading it in the Bible. It must be wrought, I might say, burnt into us. Nor will any one sincerely and spiritually cry for mercy, a sense of pardon and reconciliation by the application of atoning blood, until sin in its misery, in its dominion, in its guilt, in its entanglements, in its wiles and allurements, in its filth and pollution, and in its condemnation, is spiritually felt and known.
Where the Holy Spirit works, He kindles sighs, groans, supplications, wrestlings, and pleadings to know Christ, feel His love, taste the efficacy of His atoning blood, and embrace Him as all our salvation and all our desire. And though there may, and doubtless will be, much barrenness, hardness, deadness, and apparent carelessness often felt, still that heavenly Teacher will revive His work, though often by painful methods; nor will He let the quickened soul rest short of a personal and experimental enjoyment of Christ and His glorious salvation.
To the reader…
Perhaps, dear reader, you do not understand why the Lord sends you so many crosses, losses and distresses. But look honestly into your own heart: what occupies your thoughts there? What do you desire more than God? It may be something small, as slight as a rose, and yet an idol. When things become quiet and easy, how quickly we set up our household gods.
That is why the Lord takes away the rotten props and hunts us out of our false refuges. It is painful, but it is love. He promises, “From all your idols will I cleanse you.” Let your trial, then, drive you to supplication, that you may know Christ and taste the power of His atoning blood. He Who works by painful means will not leave the quickened soul without joy in Christ.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y esparciré sobre vosotros agua limpia, y seréis limpiados de todas vuestras inmundicias; y de todos vuestros ídolos os limpiaré.
Ezequiel 36:25
Cuando no hay cruces, tentaciones ni ejercicios, el hombre con seguridad saldrá en pos de los ídolos y se apegará a ellos. No importa qué experiencia haya tenido, sea de angustia o de consuelo, de aflicción o de gozo; si una vez deja de ser atribulado y ejercitado, estará levantando sus dioses domésticos en las cámaras secretas de sus imágenes. El provecho o el placer, la complacencia propia o la propia satisfacción, de una forma u otra, ocuparán con seguridad sus pensamientos y le robarán el corazón.
Y no hay nada demasiado trivial o insignificante para convertirse en un ídolo. Todo aquello en que se medita con preferencia a Dios, todo lo que se desea más que a Él, todo lo que más nos interesa, nos agrada, ocupa nuestras horas de vigilia o está más constantemente en nuestra mente, se convierte en un ídolo y en una fuente de pecado.
No es el tamaño del ídolo, sino su existencia como objeto de adoración, lo que constituye la idolatría. He visto algunos ídolos birmanos no mucho más grandes que mi mano, y he visto algunos ídolos egipcios que pesaban muchas toneladas. Pero ambos eran igualmente ídolos, y el tamaño comparativo no tenía nada que ver con la cuestión. Así también espiritualmente, el ídolo no ha de medirse por su tamaño, por su importancia relativa o falta de ella. Una flor puede ser tanto un ídolo para un hombre como un cofre lleno de oro para otro. Si vigila su corazón, verá ídolos salir y ponerse todo el día, casi tan numerosos como las estrellas de noche.
Ahora bien, los ejercicios, las dificultades, las tentaciones, los asedios, las pérdidas, las pruebas y las aflicciones son enviados para derribar estos ídolos, o más bien para apartar de ellos nuestro corazón. Nos sacan de la comodidad carnal y nos impiden sentarnos contentos con tener nombre de que vivimos estando muertos. Nos hacen clamar por misericordia, derriban todos los puntales podridos, nos echan de los refugios falsos y nos despojan de vanas esperanzas y expectativas engañosas.
No aprendemos que somos pecadores simplemente leyéndolo en la Biblia. Tiene que ser obrado, podría decir grabado a fuego, en nosotros. Y nadie clamará sincera y espiritualmente por misericordia, por el sentir del perdón y la reconciliación mediante la aplicación de la sangre expiatoria, hasta que el pecado en su miseria, en su dominio, en su culpa, en sus enredos, en sus artimañas y seducciones, en su suciedad y contaminación, y en su condenación, sea sentido y conocido espiritualmente.
Donde obra el Espíritu Santo, enciende suspiros, gemidos, súplicas, luchas y ruegos por conocer a Cristo, sentir Su amor, gustar la eficacia de Su sangre expiatoria y abrazarle como toda nuestra salvación y todo nuestro deseo. Y aunque pueda haber, y sin duda habrá, mucha esterilidad, dureza, muerte y aparente descuido sentidos a menudo, aun así ese Maestro celestial avivará Su obra, aunque muchas veces por medios dolorosos; y no dejará al alma vivificada descansar hasta que goce personal y experimentalmente de Cristo y de Su gloriosa salvación.
Al lector…
Quizá, querido lector, usted no entiende por qué el Señor le envía tantas cruces, pérdidas y aflicciones. Pero mire con sinceridad en su propio corazón: ¿qué ocupa allí sus pensamientos? ¿Qué desea más que a Dios? Puede ser algo pequeño, tan leve como una rosa, y sin embargo un ídolo. Cuando las cosas se vuelven tranquilas y cómodas, ¡con qué rapidez levantamos nuestros dioses domésticos!
Por eso el Señor quita los puntales podridos y nos echa de nuestros refugios falsos. Es doloroso, pero es amor. Él promete: “De todos vuestros ídolos os limpiaré.” Deje, pues, que su prueba le lleve a la súplica, para que conozca a Cristo y guste el poder de Su sangre expiatoria. Aquel que obra por medios dolorosos no dejará al alma vivificada sin gozo en Cristo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl