17 juli
Alle gebed, alle smeking, die van enig mens of van al Uw volk Israël geschieden zal; als zij erkennen een ieder zijn plaag en zijn smart, en een ieder zijn handen in dit huis uitbreiden zal.
2 Kronieken 6:29
Salomo komt tot de ondervinding; hij legt zijn hand op de rechte plaats. Dat wil zeggen: het is zijn eigen plaag en zijn eigen smart te kennen. Men kan eens andermans smart kennen, maar dit kan ons niet ten voordeel zijn. Men kan van ondervinding lezen in boeken, gaarne onderwerpelijke leraars horen, zelfs zó dat men geen anderen horen wil, en toch zijn eigen plaag en eigen smart niet kennen. Evenals een dokter, die misschien de verschijnselen van elke ziekte kent, en toch zelf niet ziek is.
Zo kan men de verschijnselen van alle ziekten horen beschrijven, en toch door niet één worden aangetast. Maar de mens voor wie Salomo bidt, is iemand die smartelijk zijn eigen plaag en gemis kent, wiens hart erover is aangedaan, wiens zonden hem zwaar wegen. Hoe smartelijk kan deze plaag zijn! Nacht en dag drukt zij hem. Hij is vol zweren en etterbuilen, en hoe vreest hij dat het onderzoek niet te best zal uitvallen.
De meesten van Gods kinderen hebben een wond; ieder van hen heeft een gevoelige plaats, iets wat misschien God en zij alleen kennen, dat de oorzaak is van hun grootste smart. Het kan zijn dat zij een misstap begaan hebben die niet openbaar is; dat zij enige zonden bedreven, enig woord gesproken, enig kwaad gedaan hebben. Zij zijn gevangen en verstrikt en terneergeslagen. En dit is hun grootste smart en dit zijn hun wonden, die zij bij ogenblikken voor Gods aangezicht ten zeerste betreuren.
Voor dezulken bidt Salomo hier; hij werpt het net aan de rechterzijde van het schip en zegt: „Hoor Gij dan uit de hemel, de vaste plaats Uwer woning, en vergeef, en geef een iegelijk naar al zijn wegen, gelijk Gij zijn hart kent; want Gij alleen kent het hart van de kinderen der mensen.” Ja, God alleen kent het hart; Hij kent het volkomen; Hij ziet op de bodem des harten.
Aan de lezer…
Hoe vaak draagt u een wond die misschien alleen God en u kent: een misstap die niet openbaar is, een woord dat u niet meer kunt terugnemen, een zonde die u nacht en dag drukt! Het is iets anders van ondervinding te lezen of te horen, dan zelf zijn eigen plaag en zijn eigen smart te kennen. Maar wie zo zijn plaag kent, is juist de mens voor wie Salomo bad.
Breid dan uw handen uit en verberg uw smart niet voor Gods aangezicht. U vreest misschien dat het onderzoek niet te best zal uitvallen; maar Hij kent uw hart al volkomen, tot op de bodem toe. Er is niets in u wat Hem verrast. En Hij, Die het hart kent, is het ook Die hoort uit de hemel, de vaste plaats Zijner woning, en vergeeft. Breng uw wond tot Hem, want bij Hem is zij in goede handen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Alle gebed, alle smeking, die van enig mens of van al Uw volk Israël geschieden zal; als zij erkennen een ieder zijn plaag en zijn smart, en een ieder zijn handen in dit huis uitbreiden zal.
2 Kronieken 6:29
Salomo komt bij de bevinding; hij legt zijn hand op de juiste plek. Dat wil zeggen: het gaat erom zijn eigen plaag en zijn eigen smart te kennen. Men kan wel eens de smart van een ander kennen, maar dat kan ons niet tot voordeel zijn. Men kan over bevinding lezen in boeken, graag bevindelijke leraars horen, zelfs zo dat men geen anderen wil horen, en toch zijn eigen plaag en eigen smart niet kennen. Net als een dokter, die misschien de verschijnselen van elke ziekte kent, en toch zelf niet ziek is.
Zo kan men de verschijnselen van alle ziekten horen beschrijven, en toch door geen enige worden aangetast. Maar de mens voor wie Salomo bidt, is iemand die op een smartelijke manier zijn eigen plaag en gebrek kent, wiens hart erdoor geraakt is en wiens zonden hem zwaar wegen. Hoe smartelijk kan deze plaag zijn! Nacht en dag drukt zij hem. Hij is vol zweren en etterbuilen, en wat vreest hij dat het onderzoek niet al te best zal uitvallen.
De meeste kinderen van God hebben een wond. Ieder van hen heeft een gevoelige plek, iets wat misschien alleen God en zij kennen, en dat de oorzaak is van hun grootste smart. Het kan zijn dat zij een misstap begaan hebben die niet openbaar is; dat zij een zonde bedreven, een woord gesproken of een kwaad gedaan hebben. Zij zijn gevangen, verstrikt en terneergeslagen. Dat is hun grootste smart, en dat zijn hun wonden, die zij op sommige ogenblikken voor Gods aangezicht diep betreuren.
Voor zulke mensen bidt Salomo hier. Hij werpt het net uit aan de rechterzijde van het schip en zegt: „Hoor Gij dan uit de hemel, de vaste plaats Uwer woning, en vergeef, en geef een iegelijk naar al zijn wegen, gelijk Gij zijn hart kent; want Gij alleen kent het hart van de kinderen der mensen.” Ja, alleen God kent het hart. Hij kent het volkomen; Hij ziet tot op de bodem van het hart.
Aan de lezer…
Hoe vaak draagt u een wond die misschien alleen God en u kennen: een misstap die niet openbaar is, een woord dat u niet meer kunt terugnemen, een zonde die u nacht en dag drukt! Het is iets anders om over bevinding te lezen of te horen, dan zelf zijn eigen plaag en zijn eigen smart te kennen. Maar wie zijn plaag zo kent, is juist de mens voor wie Salomo bad.
Breid dan uw handen uit en verberg uw smart niet voor Gods aangezicht. Misschien vreest u dat het onderzoek niet al te best zal uitvallen; maar Hij kent uw hart al volkomen, tot op de bodem toe. Er is niets in u wat Hem verrast. En Hij Die het hart kent, is ook Degene Die hoort uit de hemel, de vaste plaats van Zijn woning, en vergeeft. Breng uw wond bij Hem, want bij Hem is zij in goede handen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Then what prayer or what supplication soever shall be made of any man, or of all thy people Israel, when every one shall know his own sore and his own grief, and shall spread forth his hands in this house.”
2 Chronicles 6:29
Solomon comes to experience; he puts his hand upon the right spot. It is knowing his “own sore” and his “own grief.” You may know another man’s; that will not profit you. You may read of experience in books, love to hear experimental ministers, and will hear no others; and yet not know your “own sore,” your “own grief.” Like a physician who may know the symptoms of every malady, and yet not have one malady of his own; so you may hear described every symptom of every disease, and yet be untouched by one.
But the man for whom Solomon’s prayer is, he that knows and feels, painfully feels, his “own sore” and his “own grief,” whose heart is indeed a grief to him, whose sins do indeed trouble him. How painful this sore often is! how it runs night and day! how full of ulcerous matter, and how it shrinks from the probe! Most of the Lord’s family have a “sore,” each some tender spot, something perhaps known to himself and to God alone, the cause of his greatest grief. It may be some secret slip he has made, some sin he has committed, some word he has spoken, or some evil thing he has done.
He has been entangled, and entrapped, and cast down; and this is his grief and his sore which he feels, and that at times deeply before God. For such Solomon prays—he casts his net upon the right side of the ship; and says, “Then hear from heaven Your dwelling-place, and forgive, and render unto every man according unto all his ways, whose heart You know; for You only know the hearts of the children of men.” Yes; God alone knows the heart; He knows it completely, and sees to its very bottom.
To the reader…
How often do you carry a wound that perhaps only God and you know: a slip that is not public, a word you can no longer take back, a sin that presses on you night and day! It is one thing to read or hear about experience, and another to know one’s own sore and one’s own grief. But whoever knows his sore in this way is precisely the one for whom Solomon prayed.
Spread forth your hands, then, and do not hide your grief from God’s face. Perhaps you fear that the searching will not turn out too well; but He already knows your heart completely, to its very bottom. There is nothing in you that takes Him by surprise. And He Who knows the heart is also the One Who hears from heaven, His settled dwelling-place, and forgives. Bring your wound to Him, for with Him it is in good hands.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Toda oración y todo ruego que hiciere cualquier hombre, o todo tu pueblo Israel, cualquiera que conociere su llaga y su dolor en su corazón, si extendiere sus manos á esta casa.”
2 Crónicas 6:29
Salomón llega a la experiencia; pone la mano en el lugar exacto. Se trata de conocer su “llaga” y su “dolor” propios. Usted puede conocer los de otro hombre; eso no le aprovechará. Puede leer acerca de la experiencia en libros, gustar de oír a ministros experimentales, y no querer oír a ningún otro; y sin embargo no conocer su “propia llaga”, su “propio dolor”. Como un médico que puede conocer los síntomas de toda enfermedad y sin embargo no tener él mismo ninguna, así puede usted oír describir cada síntoma de cada enfermedad y sin embargo no estar tocado por ninguna.
Pero el hombre por quien es la oración de Salomón es aquel que conoce y siente, siente dolorosamente, su “propia llaga” y su “propio dolor”; cuyo corazón le es de veras un dolor, cuyos pecados de veras le turban. ¡Qué dolorosa es a menudo esta llaga! ¡Cómo supura noche y día! ¡Qué llena de materia ulcerosa, y cómo se encoge ante la sonda! La mayoría de la familia del Señor tiene una “llaga”, cada uno algún punto sensible, algo conocido quizá solo por él y por Dios, la causa de su mayor dolor. Puede ser algún tropiezo secreto que ha tenido, algún pecado que ha cometido, alguna palabra que ha dicho, o alguna cosa mala que ha hecho.
Ha sido enredado, atrapado y abatido; y este es su dolor y su llaga, que él siente, y a veces profundamente, delante de Dios. Por tales ora Salomón —echa su red a la derecha del barco— y dice: “Tú oirás desde los cielos, desde el lugar de tu habitación, y perdonarás, y darás á cada uno conforme á sus caminos, habiendo conocido su corazón; (porque sólo tú conoces el corazón de los hijos de los hombres).” Sí; solo Dios conoce el corazón; lo conoce por completo, y lo ve hasta el fondo.
Al lector…
¡Cuántas veces lleva usted una herida que quizá solo Dios y usted conocen: un tropiezo que no es público, una palabra que ya no puede retirar, un pecado que le oprime noche y día! Una cosa es leer u oír acerca de la experiencia, y otra conocer la propia llaga y el propio dolor. Pero quien conoce así su llaga es precisamente aquel por quien oró Salomón.
Extienda, pues, sus manos, y no esconda su dolor del rostro de Dios. Quizá teme que el escudriñamiento no salga muy bien; pero Él ya conoce su corazón por completo, hasta el fondo. No hay nada en usted que Le tome por sorpresa. Y Aquel Que conoce el corazón es también Quien oye desde los cielos, Su morada establecida, y perdona. Lleve su herida a Él, porque con Él está en buenas manos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl