17 oktober
Genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
1 Petrus 1:2
Wanneer wij zien en gevoelen dat wij elk ogenblik van ons leven genade nodig hebben, dan bemerken wij dadelijk een schoonheid in hetgeen waarom wij vragen; een buitengewone schoonheid. Wij kunnen de lengte van een straat niet afleggen zonder te zondigen. Ons vleselijk gemoed, onze ijdele inbeeldingen staan op de uitkijk om kwaad te doen. Alle toegangen van ons hart staan ervoor open, en wij loeren, als een Arabier in de woestijn of gelijk een op roof uitzijnde nachtdief, op elke gelegenheid om in het openbaar of in het geheim te plunderen. Inderdaad, met onze gevallen natuur zondigen wij bij elke ademtocht, tenzij wij weerhouden en beïnvloed worden door genade.
Wij hebben derhalve genade voor genade nodig, of, volgens de woorden van onze tekst, dat de genade vermenigvuldigd worde in verhouding tot ons zondigen. Moet ik zeggen: in verhouding? Neen, zelfs indien de zonde de overhand neemt, gelijk wij tot onze schaamte en smart weten, hebben wij nodig dat de genade meer overvloedig worde. Wanneer het water laag afebt, komen de modder en het slijk boven; evenzo is het in het geestelijk leven: dan komt het vuil der zonde openbaar, en dan hebben wij het springtij der genade nodig, opdat het slijk en vuil verdreven worde in de diepte van de oceaan, en de zonde, gezocht zijnde, niet meer gevonden worde.
Zo behoeven wij genade, vrije genade, dagelijkse genade, genade des morgens en elk ogenblik, in het toekomende en al onze dagen; genezende, verlevendigende, herstellende, reddende, heiligende genade. Wij hebben vermenigvuldigende genade nodig tegenover al onze ellende, zonde en onophoudelijke afwijkingen. Wij hebben genade nodig om te geloven, genade om te hopen, genade om lief te hebben, genade om te strijden en genade om te overwinnen; genade om staande te blijven, genade om te leven en genade om te sterven. Elk ogenblik van ons leven hebben wij onderhoudende, bewarende en wederhoudende genade nodig; want het is zoals een goed man eens zei: „Indien de Heere ons voor een ogenblik loslaat, laat Hij ons voor dat ogenblik te lang los.”
Maar bij de genade voegt de apostel „vrede”. De zonde verbreekt onze vrede en brengt onze ziel op een afstand van God. Ook beproevingen en verzoekingen, zonden en smarten komen ons elke dag tegen om onze rust te verstoren. Wij hebben dan evenzeer nodig dat de vrede vermenigvuldigd worde als de genade. Vrede gelijk een rivier die altijd stroomt; vrede gelijk de zee, waarvan het getij, alhoewel het ebt, nochtans hoger klimt dan het valt.
Wij hebben ook de vrede nodig om onze harten in de waarheid en in de liefde daarvan te bevestigen, opdat wij bewaard zouden worden van met allerlei wind van leer te worden omgevoerd. Wij worden menigmaal gevangen in de listige strikken des duivels, en wij hebben nodig dat de vrede in onze ziel hersteld worde. Wanneer zij dan treurig verbroken ligt en de zonde ons met schuld en verwarring vervult, dan behoeven wij de vrede om al deze wonden te helen en onze zielen krachtiglijk te bevestigen in het Evangelie des vredes. En wanneer wij geroepen zullen worden om de donkere vallei van de schaduw des doods in te treden, hoezeer zullen wij dan nodig hebben dat de vrede vermenigvuldigd worde, opdat wij geen kwaad zouden behoeven te vrezen en ondervinden dat de vertroostende stok en de ondersteunende staf ons geschonken zijn!
Zo kunnen wij dus nooit te veel genade en te veel vrede hebben. Hoe meer wij van de zonde kennen, hoe meer wij de genade zullen behoeven; en hoe meer wij kennen van kommer en verdriet, hoe meer wij de vrede zullen nodig hebben en waarderen.
Aan de lezer…
Het kan gebeuren dat u geen straat kunt doorgaan zonder te zondigen. Komt bij laag water het slijk van uw hart weer boven, zodat u zich schaamt voor wat u in uzelf ziet? Laat dat u niet van de genade wegdrijven, maar er juist naar doen hongeren. Hoe meer u van de zonde kent, hoe meer u de genade zult behoeven; en daarom wordt u toegebeden dat zij vermenigvuldigd worde: genade voor genade, genade des morgens en elk ogenblik.
Ligt uw vrede treurig verbroken, en vervult de schuld u met verwarring? Dan behoeft u niet een vrede die u zelf maakt, maar die als een rivier uit Hem toestroomt en de wonden heelt. Vraag er dan om, telkens opnieuw, voor vandaag en voor de dag dat u de donkere vallei moet ingaan. U kunt nooit te veel genade en te veel vrede hebben; vraag dan niet karig, maar vraag dat zij u vermenigvuldigd worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
1 Petrus 1:2
Wanneer wij zien en voelen dat wij elk ogenblik van ons leven genade nodig hebben, dan merken wij meteen een schoonheid op in datgene waarom wij vragen, een buitengewone schoonheid. Wij kunnen nog niet de lengte van een straat afleggen zonder te zondigen. Ons vleselijk gemoed en onze ijdele verbeelding staan op de uitkijk om kwaad te doen. Alle toegangen van ons hart staan ervoor open, en als een Arabier in de woestijn of als een nachtdief op rooftocht loeren wij op elke gelegenheid om openlijk of in het geheim te plunderen. Inderdaad, met onze gevallen natuur zondigen wij bij elke ademtocht, tenzij wij door genade worden weerhouden en beïnvloed.
Daarom hebben wij genade voor genade nodig, of, met de woorden van onze tekst, dat de genade vermenigvuldigd wordt in verhouding tot ons zondigen. Moet ik zeggen: in verhouding? Nee, zelfs wanneer de zonde de overhand krijgt, zoals wij tot onze schaamte en smart weten, hebben wij nodig dat de genade overvloediger wordt. Wanneer het water ver terugtrekt bij eb, komen de modder en het slijk boven. Zo is het ook in het geestelijk leven: dan wordt het vuil van de zonde zichtbaar, en dan hebben wij het springtij van de genade nodig, zodat het slijk en vuil weggevoerd wordt naar de diepte van de oceaan, en de zonde, als zij gezocht wordt, niet meer gevonden wordt.
Zo hebben wij genade nodig, vrije genade, dagelijkse genade, genade in de morgen en elk ogenblik, in de toekomst en al onze dagen: genezende, verlevendigende, herstellende, reddende, heiligende genade. Wij hebben vermenigvuldigde genade nodig tegenover al onze ellende, zonde en onophoudelijke afdwalingen. Wij hebben genade nodig om te geloven, genade om te hopen, genade om lief te hebben, genade om te strijden en genade om te overwinnen; genade om staande te blijven, genade om te leven en genade om te sterven. Elk ogenblik van ons leven hebben wij onderhoudende, bewarende en weerhoudende genade nodig. Want het is zoals een goed man eens zei: „Indien de Heere ons voor een ogenblik loslaat, laat Hij ons voor dat ogenblik te lang los.”
Maar bij de genade voegt de apostel „vrede”. De zonde verbreekt onze vrede en brengt onze ziel op afstand van God. Ook beproevingen en verzoekingen, zonden en smarten komen elke dag op ons af om onze rust te verstoren. Wij hebben het dus evenzeer nodig dat de vrede vermenigvuldigd wordt als de genade. Vrede als een rivier die altijd stroomt; vrede als de zee, waarvan het getij, hoewel het ebt, toch hoger stijgt dan het zakt.
Wij hebben de vrede ook nodig om onze harten te bevestigen in de waarheid en in de liefde tot de waarheid, zodat wij bewaard worden voor het omgevoerd worden met allerlei wind van leer. Wij raken vaak verstrikt in de listige strikken van de duivel, en dan hebben wij nodig dat de vrede in onze ziel hersteld wordt. Wanneer die vrede droevig verbroken ligt en de zonde ons met schuld en verwarring vervult, dan hebben wij de vrede nodig om al deze wonden te helen en onze zielen krachtig te bevestigen in het Evangelie van de vrede. En wanneer wij geroepen worden om het donkere dal van de schaduw des doods binnen te gaan, hoezeer zullen wij dan nodig hebben dat de vrede vermenigvuldigd wordt, zodat wij geen kwaad hoeven te vrezen en ervaren dat de troostende stok en de ondersteunende staf ons geschonken zijn!
Zo kunnen wij dus nooit te veel genade en te veel vrede hebben. Hoe meer wij van de zonde kennen, hoe meer wij de genade nodig zullen hebben; en hoe meer wij kennen van zorg en verdriet, hoe meer wij de vrede nodig zullen hebben en waarderen.
Aan de lezer…
Het kan gebeuren dat u geen straat kunt doorlopen zonder te zondigen. Komt bij laag water het slijk van uw hart weer boven, zodat u zich schaamt voor wat u in uzelf ziet? Laat dat u niet van de genade wegdrijven, maar u er juist naar doen hongeren. Hoe meer u van de zonde kent, hoe meer u de genade nodig zult hebben; en daarom wordt u toegebeden dat zij vermenigvuldigd wordt: genade voor genade, genade in de morgen en elk ogenblik.
Ligt uw vrede droevig verbroken, en vervult de schuld u met verwarring? Dan hebt u niet een vrede nodig die u zelf maakt, maar een vrede die als een rivier uit Hem toestroomt en de wonden heelt. Vraag er dan om, telkens opnieuw, voor vandaag en voor de dag dat u het donkere dal moet ingaan. U kunt nooit te veel genade en te veel vrede hebben; vraag dan niet karig, maar vraag dat zij u vermenigvuldigd worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Grace unto you, and peace, be multiplied.
1 Peter 1:2
When we see and feel how we need GRACE every moment of our lives, we at once perceive a beauty in the blessing thus asked for in an abundant, overflowing measure. We cannot walk the length of the street without sin. Our carnal minds, our vain imaginations, are all on the lookout for evil. Sin presents itself at every avenue, and lurks like the Arab in the wilderness, or the prowling night thief for every opportunity of open or secret plunder. In fact, in ourselves, in our fallen nature, except as restrained and influenced by grace, we sin with well-nigh every breath that we draw.
We need, therefore, grace upon grace, or, in the words of the text, grace to be “multiplied” in proportion to our sins. Shall I say in proportion? No, if sin abounds, as to our shame and sorrow we know it does, we need grace to much more abound. When the deep tide of sin flows in with the mud and mire, we need the spring tide of grace to flow higher still, to carry out the slime and filth into the depths of the ocean, so that when sought for they may no more be found.
Thus we need grace, free grace; grace today, grace tomorrow, grace this moment, grace the next, grace all the day long; healing, reviving, restoring, saving, sanctifying; and all this multiplied by all our needs and woes, sins, slips and falls, unceasing and aggravated backslidings. We need grace to believe, grace to hope, grace to love, grace to fight, and grace to conquer; grace to stand, grace to live, and grace to die. Every moment of our lives we need keeping, supporting, holding, and withholding grace; for, as a good man has said, “If the Lord leaves us for one moment, He leaves us that one moment too long.”
But to “grace” the Apostle adds “PEACE.” Sin breaks our peace, and sets our souls at a distance from God; trials, also, and temptations, sins and sorrows, occur every day to mar our rest; so we need peace to be multiplied as well as grace. Peace like a river, of which the stream is ever flowing; peace like the sea, of which the tides, if they do ebb, yet rise higher than they fall. We need peace, also, to establish our hearts in the truth, and in the love of it, so as to prevent our being carried about with every wind of doctrine. We are often entangled in the wily snares of Satan, and we need peace to be restored to our soul. When it is thus sadly broken, and sin has filled us with guilt and terror, we need peace to come and heal all those wounds, and establish our souls firmly in the gospel of peace.
And when we shall be called upon to enter the dark valley of the shadow of death, how then we shall need “peace to be multiplied,” that we may fear no evil, but find the comforting staff and supporting rod. Thus we never can have too much grace or too much peace. The more we know of sin the more shall we need grace, and the more we know of sorrow the more we shall need peace.
To the reader…
It can happen that you cannot walk the length of a street without sinning. When the tide is low, does the mire of your heart come up again, so that you are ashamed of what you see in yourself? Do not let that drive you away from grace, but rather make you hunger for it. The more you know of sin, the more you will need grace; and that is why the prayer is made for you that it may be multiplied: grace upon grace, grace in the morning and every moment.
Is your peace sadly broken, and does guilt fill you with confusion? Then you do not need a peace you make yourself, but a peace that flows to you like a river from Him and heals the wounds. Ask for it, then, again and again, for today and for the day you must enter the dark valley. You can never have too much grace or too much peace; so do not ask sparingly, but ask that they may be multiplied to you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Gracia y paz os sea multiplicada.
1 Pedro 1:2
Cuando vemos y sentimos cuánto necesitamos la GRACIA en cada momento de nuestra vida, percibimos enseguida una belleza en la bendición que aquí se pide en medida abundante y rebosante. No podemos recorrer el largo de una calle sin pecar. Nuestras mentes carnales, nuestras vanas imaginaciones, están todas al acecho del mal. El pecado se presenta en cada camino, y acecha como el árabe en el desierto, o como el ladrón nocturno que merodea, en busca de toda ocasión de saqueo abierto o secreto. De hecho, en nosotros mismos, en nuestra naturaleza caída, salvo en cuanto somos refrenados e influidos por la gracia, pecamos casi con cada aliento que tomamos.
Necesitamos, pues, gracia sobre gracia; o, en las palabras del texto, que la gracia sea “multiplicada” en proporción a nuestros pecados. ¿Diré en proporción? No; si el pecado abunda, como para nuestra vergüenza y dolor sabemos que abunda, necesitamos que la gracia sobreabunde mucho más. Cuando la honda marea del pecado entra con el lodo y el cieno, necesitamos que la marea viva de la gracia suba más alto todavía, para llevarse el fango y la inmundicia a las profundidades del océano, de modo que, cuando se busquen, no se hallen más.
Así necesitamos gracia, gracia gratuita; gracia hoy, gracia mañana, gracia en este momento, gracia en el siguiente, gracia todo el día; gracia que sana, que reaviva, que restaura, que salva, que santifica; y todo esto multiplicado por todas nuestras necesidades y ayes, pecados, tropiezos y caídas, por nuestras incesantes y agravadas rebeliones. Necesitamos gracia para creer, gracia para esperar, gracia para amar, gracia para pelear y gracia para vencer; gracia para estar firmes, gracia para vivir y gracia para morir. En cada momento de nuestra vida necesitamos gracia que nos guarde, nos sostenga, nos retenga y nos refrene; porque, como dijo un hombre piadoso: “Si el Señor nos deja un solo momento, nos deja ese momento demasiado tiempo.”
Pero a la “gracia” el Apóstol añade “PAZ.” El pecado rompe nuestra paz y aleja nuestras almas de Dios; también las pruebas y las tentaciones, los pecados y los dolores, se presentan cada día para estropear nuestro reposo; así que necesitamos que la paz sea multiplicada tanto como la gracia. Paz como un río, cuya corriente siempre fluye; paz como el mar, cuyas mareas, aunque bajen, suben más alto de lo que bajan. Necesitamos paz también para afirmar nuestros corazones en la verdad y en el amor de ella, para no ser llevados por doquiera de todo viento de doctrina. A menudo nos enredamos en los astutos lazos de Satanás, y necesitamos que la paz sea restaurada a nuestra alma. Cuando está así tristemente rota, y el pecado nos ha llenado de culpa y terror, necesitamos que la paz venga a sanar todas esas heridas y a afirmar nuestras almas firmemente en el evangelio de la paz.
Y cuando seamos llamados a entrar en el oscuro valle de sombra de muerte, ¡cómo necesitaremos entonces que “la paz sea multiplicada,” para no temer mal alguno, sino hallar el cayado que consuela y la vara que sostiene! Así nunca podemos tener demasiada gracia ni demasiada paz. Cuanto más conozcamos del pecado, más necesitaremos la gracia; y cuanto más conozcamos del dolor, más necesitaremos la paz.
Al lector…
Puede suceder que usted no pueda recorrer el largo de una calle sin pecar. Cuando baja la marea, ¿vuelve a aparecer el cieno de su corazón, de modo que se avergüenza de lo que ve en sí mismo? No deje que eso le aparte de la gracia, sino más bien que le haga tener hambre de ella. Cuanto más conozca del pecado, más necesitará la gracia; y por eso se ora por usted para que le sea multiplicada: gracia sobre gracia, gracia por la mañana y en cada momento.
¿Está su paz tristemente rota, y le llena la culpa de confusión? Entonces no necesita una paz que usted mismo fabrique, sino una paz que fluya hacia usted como un río desde Él y sane las heridas. Pídala, pues, una y otra vez, para hoy y para el día en que tenga que entrar en el oscuro valle. Nunca puede tener demasiada gracia ni demasiada paz; así que no pida con escasez, sino pida que le sean multiplicadas.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl