17 januari
De Heere verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede.
Numeri 6:26
Wanneer wij iemand beledigen, dan ziet hij ons aan met een ander gezicht dan voorheen. Het was zo bij Laban tegenover Jakob; en zo wij in enig opzicht het ongenoegen van een vriend of van iemand die boven ons gesteld is op de hals halen, dan slaan wij nauwkeurig zijn gelaat gade. Staat het goed of kwaad? Is het stuurs of ligt er een lachje op? Zien zij op ons met een oog van toegenegenheid of van afkerigheid? Wij kunnen dit in een ogenblik aan het gelaat zien.
Zo drukt de zegen zich uit: „De Heere verheffe Zijn aangezicht over u,” evenals een vriendelijk en toegenegen ouder op een gehoorzaam kind, en als een liefdevol echtgenoot op zijn beminde vrouw ziet. Want zodanig is God voor Zijn kinderen: beide Vader en Man. En geven wij niet dikwijls als kinderen aanleiding dat Hij ons aanziet met een streng aangezicht, of liever, dat Hij ons in het geheel niet aanschouwt, maar dat Hij Zijn aangezicht verbergt, gelijk wij lezen: „Hij ziet ons niet”? Daarom is het gebed: „De Heere verheffe Zijn aangezicht over u”: met welgevallen, vrij, open, vergevend, barmhartig, vriendelijk, opdat gij Hem daarin moogt genieten.
Wanneer een ongehoorzaam kind thuiskomt en bemerkt dat het aangezicht van zijn vader niet zo is als tevoren, dan trekt het zich terug. Het heeft geen zin om op de knie te zitten, noch om de armpjes rond de hals van vader te slaan en een kus te krijgen; maar er is een zekere afkeer, door schuld en schaamte veroorzaakt. Zo is het in de zaak van God. Wanneer de consciëntie ons zegt dat wij bij deze en die gelegenheid ongehoorzaam en ondeugend zijn geweest, overtreden hebben en kwaad hebben gedaan, dan is er, als wij tot God naderen, een terughoudendheid, een zich afkeren uit vrees dat wij geen toegang zullen vinden.
Maar o, welk een verandering in het kind, als het fronsen verandert in een vriendelijk toelachen, wanneer de kleine eens in de armen genomen wordt en de tranen worden weggekust. Hoeveel te meer in de zaak Gods, wanneer Hij de tranen van Zijn ongehoorzaam kind wegkust, gelijk in het geval van de verloren zoon. Er zijn geen kussen gelijk de kussen van vergeving, barmhartigheid en vernieuwende genade. „En geve u vrede.” O, welk een zegen! Gelijk Hart zegt:
Ik leg mij neer en slaap gerust,
Want ik heb vree met God.
Dit is het dat de peluw in dit leven zacht maakt, en hij alleen maakt de peluw zacht bij de dood: vrede met God door Jezus Christus, vrede door verzoening, vrede door het bloed der besprenging; de vrede die alle verstand te boven gaat. Velen staan naar grote dingen, naar hoge dingen. Maar wat zegt de Heere tot Baruch? „Zoudt gij u grote dingen zoeken? Zoek ze niet.” De predikanten begeren dikwijls grote gaven, welsprekendheid, een uitgebreide kennis van verborgenheden, grote opkomsten in de gemeente, de gunst van het volk en invloed. Zij handelen verkeerd in het zoeken van deze zogenaamde grote dingen. Laat hen liever werkelijke dingen zoeken, zakelijke dingen, waarin hun zielen de zegen wegdragen, hier en hiernamaals.
De zegen waarnaar de begenadigde ziel zich inzonderheid uitstrekt, is de vrede, want dit is de zoetste honingdrop in Gods beker. Het is waar, hij doet het hart niet van vreugde overvloeien, niet opspringen met gejuich, zoals in het eerste gloren van de stralen der hoop; ook doet hij het hart niet smelten, zoals wanneer de Heere bezoekt met Zijn liefde; maar in sommige opzichten is hij zoeter dan al deze, omdat hij de ziel in een zoete verzekering brengt. De vrede is de verwezenlijking van de Zaligmaker Zelf; want Hij is onze Vrede, en derhalve mag hij genaamd worden de kroon der zegeningen.
Aan de lezer…
Wie ongehoorzaam is geweest, kent het gevoel van een kind dat niet meer durft op te zien naar het gelaat van zijn vader. Kent u het ook? Uw geweten zegt u dat u gezondigd hebt, en nu houdt u zich terug van de Heere, uit vrees dat u geen toegang zult vinden. Wees eerlijk: die schuld en schaamte zijn verdiend. Maar laat ze u niet verder van Hem afdrijven.
Want Hij is een Vader Die het verloren kind tegemoetkomt en de tranen wegkust. Er zijn geen kussen gelijk de kussen van vergeving en vernieuwende genade. Zoek dan geen grote dingen, maar vraag om dit ene: dat de Heere Zijn aangezicht over u verheft en u vrede geeft, vrede met God door het bloed der besprenging. Die vrede maakt de peluw zacht in het leven en in het sterven, want Christus Zelf is onze Vrede.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De Heere verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede.
Numeri 6:26
Wanneer wij iemand beledigen, dan kijkt hij ons met een ander gezicht aan dan voorheen. Zo was het bij Laban tegenover Jakob. En als wij op enige manier het ongenoegen van een vriend of van iemand die boven ons gesteld is op de hals halen, dan letten wij nauwkeurig op zijn gezicht. Staat het goed of kwaad? Is het stuurs of ligt er een glimlach op? Kijken zij ons aan met een oog van genegenheid of van afkeer? Wij kunnen dat in een ogenblik aan het gezicht zien.
Zo spreekt de zegen: „De Heere verheffe Zijn aangezicht over u,” zoals een vriendelijke en liefhebbende ouder naar een gehoorzaam kind kijkt, en een liefdevolle echtgenoot naar zijn geliefde vrouw. Want zo is God voor Zijn kinderen: zowel Vader als Man. En geven wij als kinderen niet vaak aanleiding dat Hij ons met een streng aangezicht aanziet, of liever, dat Hij ons helemaal niet aanziet, maar Zijn aangezicht verbergt, zoals wij lezen: „Hij ziet ons niet”? Daarom luidt het gebed: „De Heere verheffe Zijn aangezicht over u”: met welgevallen, vrij, open, vergevend, barmhartig, vriendelijk, zodat u Hem daarin mag genieten.
Wanneer een ongehoorzaam kind thuiskomt en merkt dat het gezicht van zijn vader niet meer is zoals vroeger, dan trekt het zich terug. Het heeft geen zin om op zijn knie te zitten, of om de armpjes om de hals van vader te slaan en een kus te krijgen; er is een zekere afkeer, veroorzaakt door schuld en schaamte. Zo is het ook in de zaak van God. Wanneer het geweten ons zegt dat wij bij deze of die gelegenheid ongehoorzaam en ondeugend zijn geweest, overtreden en kwaad gedaan hebben, dan is er, als wij tot God naderen, een terughoudendheid, een zich afwenden uit vrees dat wij geen toegang zullen vinden.
Maar o, wat een verandering in het kind, wanneer de frons verandert in een vriendelijke glimlach, wanneer het kleintje in de armen genomen wordt en de tranen worden weggekust. Hoeveel te meer in de zaak van God, wanneer Hij de tranen van Zijn ongehoorzaam kind wegkust, zoals bij de verloren zoon. Er zijn geen kussen zoals de kussen van vergeving, barmhartigheid en vernieuwende genade. „En geve u vrede.” O, wat een zegen! Zoals Hart zegt:
Ik leg mij neer en slaap gerust,
Want ik heb vree met God.
Dat is wat het kussen in dit leven zacht maakt, en alleen dat maakt het kussen zacht in de dood: vrede met God door Jezus Christus, vrede door verzoening, vrede door het bloed der besprenging; de vrede die alle verstand te boven gaat. Velen streven naar grote dingen, naar hoge dingen. Maar wat zegt de Heere tot Baruch? „Zoudt gij u grote dingen zoeken? Zoek ze niet.” Predikanten begeren vaak grote gaven, welsprekendheid, een uitgebreide kennis van verborgenheden, een grote opkomst in de gemeente, de gunst van het volk en invloed. Zij doen verkeerd door deze zogenaamde grote dingen te zoeken. Laten zij liever wezenlijke dingen zoeken, dingen met inhoud, waarin hun zielen de zegen ontvangen, hier en hiernamaals.
De zegen waarnaar de begenadigde ziel zich vooral uitstrekt, is de vrede, want dat is de zoetste honingdruppel in Gods beker. Het is waar, de vrede doet het hart niet overvloeien van vreugde en niet opspringen van gejuich, zoals bij het eerste gloren van de stralen van de hoop. Hij doet het hart ook niet smelten, zoals wanneer de Heere met Zijn liefde bezoekt. Maar in sommige opzichten is hij zoeter dan dat alles, omdat hij de ziel in een zoete zekerheid brengt. De vrede is het werkelijk bezitten van de Zaligmaker Zelf, want Hij is onze Vrede, en daarom mag de vrede de kroon van de zegeningen genoemd worden.
Aan de lezer…
Wie ongehoorzaam is geweest, kent het gevoel van een kind dat niet meer durft op te kijken naar het gezicht van zijn vader. Kent u het ook? Uw geweten zegt u dat u gezondigd hebt, en nu houdt u zich terug van de Heere, uit vrees dat u geen toegang zult vinden. Wees eerlijk: die schuld en schaamte zijn verdiend. Maar laat ze u niet verder van Hem afdrijven.
Want Hij is een Vader Die het verloren kind tegemoetkomt en de tranen wegkust. Er zijn geen kussen zoals de kussen van vergeving en vernieuwende genade. Zoek dan geen grote dingen, maar vraag om dit ene: dat de Heere Zijn aangezicht over u verheft en u vrede geeft, vrede met God door het bloed der besprenging. Die vrede maakt het kussen zacht in het leven en in het sterven, want Christus Zelf is onze Vrede.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD lift up his countenance upon thee, and give thee peace.
Numbers 6:26
When we offend a person, his face is not toward us as at other times. It was so with Laban towards Jacob; and if we have in any way incurred a friend’s or superior’s displeasure, we watch instinctively his countenance. Is it down or up? Does it wear a frown or a smile? Is it looking upon us with the eye of affection, or are the eyes averted? We can tell in a moment if we know the countenance. Thus is the blessing asked, “The Lord lift up His countenance upon you,” as a kind and affectionate parent upon an obedient child, as a fond husband upon a loving, devoted wife; for such is God to His children—Father and Husband.
And do we not, as children, often provoke Him to look upon us with frowning brow, or rather, not to look upon us at all, to “hide His face,” as we read, “that we cannot see Him?” The prayer then is, “The Lord lift up His countenance upon you,” with a smile upon it; free, open, forgiving, merciful, and mild, that you may advance to Him. When a disobedient child comes home and sees its father’s face not towards it as before, it shrinks away; there is no pressing forward to get upon the knee, no throwing the little arms round the neck and snatching a kiss, but a shrinking away through guilt and shame. So it is in the things of God. When conscience tells us how in this and that instance we have disobeyed, been inconsistent, transgressed, and done amiss, when we go into God’s presence there is a hanging back, a shrinking away, through fear of an ill reception.
But oh, the change in the child when the frown disappears and the smile comes; when the little one is taken once more into the arms and the tears are kissed away! How much more so in the things of God when He kisses away the tears of the disobedient child, as in the case of the returning prodigal! There are no kisses like those kisses of forgiveness, of mercy, and of restoring grace.
“And give you peace.” Oh, what a blessing! As Deer says, “I’ll lay me down and sweetly sleep, for I have peace with God.” It is this that makes the pillow easy in life, and will alone make that pillow easy in death—peace with God through Jesus Christ, peace through the reconciliation, peace through the blood of sprinkling, “the peace of God which passes all understanding.”
Many covet great things, high things. But what said the Lord to Baruch? “Do you seek you great things for yourself? seek them not.” Ministers often seek great gifts, great eloquence, great knowledge of mysteries, great congregations, great popularity and influence. They are wrong in seeking these so-called great things. Let them rather seek real things, gracious things, things that will make their souls blessed here and hereafter.
The blessing that the gracious soul most earnestly covets is peace; for this is the sweetest honey-drop in God’s cup. It is true that it does not make the heart overflow like joy, nor to dance with exultation like the first beaming in of the rays of hope, nor melt it down like the visits of love; but it is in some respects sweeter than all, because it so settles down the soul into sweet assurance; it is the realization of the Savior Himself, for “He is our peace,” and may thus be called the crowning blessing.
To the reader…
Whoever has been disobedient knows the feeling of a child that no longer dares to look up into his father’s face. Do you know it too? Your conscience tells you that you have sinned, and now you hold back from the Lord, fearing that you will find no access. Be honest: that guilt and shame are deserved. But do not let them drive you further away from Him.
For He is a Father Who comes out to meet the lost child and kisses away the tears. There are no kisses like the kisses of forgiveness and restoring grace. Do not seek great things, then, but ask for this one thing: that the Lord would lift up His countenance upon you and give you peace, peace with God through the blood of sprinkling. That peace makes the pillow easy in life and in death, for Christ Himself is our Peace.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Jehová alce a ti Su rostro, y ponga en ti paz.
Números 6:26
Cuando ofendemos a alguien, su rostro no está hacia nosotros como en otros tiempos. Así fue con Labán hacia Jacob; y si de algún modo hemos incurrido en el desagrado de un amigo o de un superior, observamos instintivamente su semblante. ¿Está bajo o alzado? ¿Muestra un ceño fruncido o una sonrisa? ¿Nos mira con ojos de afecto, o aparta la mirada? Lo sabemos en un momento si conocemos el semblante. Así se pide la bendición: “Jehová alce a ti Su rostro”, como un padre bondadoso y afectuoso hacia un hijo obediente, como un esposo tierno hacia una esposa amante y entregada; porque tal es Dios para Sus hijos: Padre y Esposo.
¿Y no le provocamos nosotros, como hijos, muchas veces a mirarnos con el ceño fruncido, o más bien a no mirarnos en absoluto, a “esconder Su rostro”, como leemos, “de modo que no podemos verle”? La oración es, pues: “Jehová alce a ti Su rostro”, con una sonrisa en él; libre, abierto, perdonador, misericordioso y apacible, para que usted pueda acercarse a Él. Cuando un hijo desobediente vuelve a casa y ve que el rostro de su padre no está hacia él como antes, se retrae; no se apresura a subirse a sus rodillas, no le echa los bracitos al cuello para robarle un beso, sino que se retrae por la culpa y la vergüenza. Así es en las cosas de Dios. Cuando la conciencia nos dice cómo en tal y cual caso hemos desobedecido, hemos sido inconsecuentes, hemos transgredido y obrado mal, al entrar en la presencia de Dios hay un quedarse atrás, un retraerse, por temor a una mala acogida.
¡Pero oh, el cambio en el niño cuando desaparece el ceño y viene la sonrisa; cuando el pequeño es tomado otra vez en brazos y sus lágrimas son quitadas con besos! ¡Cuánto más en las cosas de Dios, cuando Él quita con besos las lágrimas del hijo desobediente, como en el caso del pródigo que volvía! No hay besos como esos besos de perdón, de misericordia y de gracia restauradora.
“Y ponga en ti paz.” ¡Oh, qué bendición! Como dice Deer: “Me acostaré y dormiré dulcemente, porque tengo paz con Dios.” Es esto lo que hace blanda la almohada en la vida, y lo único que hará blanda esa almohada en la muerte: paz con Dios por medio de Jesucristo, paz por la reconciliación, paz por la sangre del esparcimiento, “la paz de Dios, que sobrepuja todo entendimiento”.
Muchos codician cosas grandes, cosas altas. Pero ¿qué dijo el Señor a Baruc? “¿Y tú buscas para ti grandezas? No busques.” Los ministros a menudo buscan grandes dones, gran elocuencia, gran conocimiento de misterios, grandes congregaciones, gran popularidad e influencia. Se equivocan al buscar estas llamadas grandes cosas. Busquen más bien cosas reales, cosas de la gracia, cosas que harán bienaventuradas sus almas aquí y en el más allá.
La bendición que el alma llena de gracia codicia con más fervor es la paz; porque esta es la gota de miel más dulce de la copa de Dios. Es cierto que no hace rebosar el corazón como el gozo, ni lo hace danzar de júbilo como los primeros rayos de la esperanza, ni lo derrite como las visitas del amor; pero en algunos aspectos es más dulce que todo eso, porque asienta el alma en una dulce seguridad; es la realización del Salvador mismo, porque “Él es nuestra paz”, y así puede llamarse la bendición que corona a las demás.
Al lector…
Quien ha sido desobediente conoce el sentimiento de un hijo que ya no se atreve a mirar el rostro de su padre. ¿Lo conoce usted también? Su conciencia le dice que ha pecado, y ahora se queda atrás ante el Señor, temiendo no hallar acceso. Sea sincero: esa culpa y esa vergüenza son merecidas. Pero no deje que le alejen aún más de Él.
Porque Él es un Padre que sale al encuentro del hijo perdido y le quita las lágrimas con besos. No hay besos como los besos del perdón y de la gracia restauradora. No busque, pues, grandezas, sino pida esta sola cosa: que el Señor alce a usted Su rostro y ponga en usted paz, paz con Dios por la sangre del esparcimiento. Esa paz hace blanda la almohada en la vida y en la muerte, porque Cristo mismo es nuestra Paz.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl