16 augustus
En gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrij maken.
Johannes 8:32
De waarheden van het Evangelie, ofschoon zij voor een verlicht oog als met een straal van licht door het gehele Woord schijnen, zijn toch voor het merendeel als in verborgen aderen opgelegd. „Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten. Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware. Haar stenen zijn de plaats van de saffier, en zij heeft stofjes van goud” (Job 28:5, 6). Doch waar is de plaats van de saffier? En waar zijn de stofjes van goud? In het pad dat geen roofvogel, geen onkuise belijder kent, en hetwelk het oog der kraai, scherp als het uitziet naar het dode aas der wereld, niet heeft gezien.
Maar voor een geestelijk gemoed is het een zoete en zichzelf belonende taak, indien het een taak genoemd kan worden, het Woord na te speuren als naar verborgen schatten. Geen zoeter, geen beter werkzaamheid kan hart en hand bezighouden, dan in de geest des gebeds en der meditatie, die der afzondering van de wereld, van een heilige vrees, van een begeren om de wil van God te kennen en te betrachten, in de geest van nederigheid, eenvoudigheid en goddelijke oprechtheid, te zoeken in te gaan in deze hemelse verborgenheden, die in de Schriften zijn opgelegd. En dit niet om het hoofd met kennis te verrijken, doch om de ziel te vullen met het brood des levens.
De waarheid in haar kracht en liefde te ontvangen, onderricht en bevestigt het oordeel, vernedert het hart en doet het smelten, verwarmt de genegenheden en trekt ze naar omhoog; zij maakt en houdt de consciëntie levendig en teder; zij is voedsel voor het geloof, de kracht der hoop en de hoofdader der liefde. De waarheid te kennen is een waar discipel te zijn en daardoor te zijn vrijgemaakt. Vrij van dwaling en van de vuile ketterij, waarvan het overal wemelt; vrij van onbeschaamdheid en eigengerechtigheid. Vrij van de vloek en de dienstbaarheid der wet en de veroordeling van een schuldige consciëntie. Vrij van slaafse vrees en het oordeel der mensen en de verachting en hoon van de wereld en wereldse belijders.
Vrij van de menigte te volgen in het kwaad doen; vrij van de omgang met degenen die een naam hebben dat zij leven, maar dood zijn. Maar ook vrij om de Heere en Zijn volk te beminnen; vrij om goed van Zijn Naam te spreken; vrij om Hem te verheerlijken met lichaam en ziel, die Hem toebehoren. Vrij in het toegaan tot een troon der genade en tot een met bloed besprengde genadestoel; vrij tot elk goed woord en werk. Vrij om te oefenen al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt.
Aan de lezer…
Bent u, waarde lezer, gebonden en weet u het? Gebonden door de veroordeling van een schuldige consciëntie, door slaafse vrees, door het oordeel der mensen, of door een hart dat telkens weer met de menigte meegaat? Dan spreekt de Heere hier een woord dat goud waard is: „De waarheid zal u vrij maken.” Niet de waarheid in het hoofd alleen, maar de waarheid in haar kracht en liefde ontvangen, die het hart vernedert en doet smelten.
Zoek haar dan, zoals men naar verborgen schatten zoekt, in de geest des gebeds en met een begeren om Gods wil te kennen. De weg erheen is verborgen voor het oog dat alleen naar het aas der wereld uitziet, maar niet voor de arme die om het brood des levens roept. Laat het u niet ontmoedigen dat de aderen diep liggen. Wie door die waarheid vrijgemaakt wordt, mag vrij toegaan tot de troon der genade en de met bloed besprengde genadestoel, en daar vindt hij al wat zijn ziel nodig heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrij maken.
Johannes 8:32
De waarheden van het Evangelie schijnen voor een verlicht oog als een lichtstraal door het hele Woord, maar toch liggen zij grotendeels als in verborgen aderen opgeslagen. „Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten. Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware. Haar stenen zijn de plaats van de saffier, en zij heeft stofjes van goud” (Job 28:5, 6). Maar waar is de plaats van de saffier? En waar zijn de stofjes van goud? Op het pad dat geen roofvogel, geen onkuise belijder kent, en dat het oog van de kraai niet heeft gezien, hoe scherp het ook uitziet naar het dode aas van de wereld.
Maar voor een geestelijk gezind hart is het een zoete taak, die zichzelf beloont – als het al een taak genoemd kan worden – om het Woord te doorzoeken als naar verborgen schatten. Er is geen zoeter en geen beter bezigheid voor hart en hand dan te proberen in te gaan in deze hemelse verborgenheden, die in de Schriften zijn opgeslagen. Dat gebeurt in de geest van gebed en overdenking, in de geest van afzondering van de wereld, van een heilige vrees en van een verlangen om de wil van God te kennen en te doen, in de geest van nederigheid, eenvoud en Goddelijke oprechtheid. En dat niet om het hoofd met kennis te verrijken, maar om de ziel te vullen met het brood des levens.
De waarheid ontvangen in haar kracht en liefde onderwijst en bevestigt het oordeel, vernedert het hart en doet het smelten, verwarmt de genegenheden en trekt ze omhoog. Zij maakt en houdt het geweten levend en teder; zij is voedsel voor het geloof, de kracht van de hoop en de hoofdader van de liefde. De waarheid kennen is een waar discipel zijn en daardoor vrijgemaakt zijn. Vrij van dwaling en van de vuile ketterij, waarvan het overal wemelt; vrij van onbeschaamdheid en eigengerechtigheid. Vrij van de vloek en de dienstbaarheid van de wet en van de veroordeling van een schuldig geweten. Vrij van slaafse vrees, van het oordeel van mensen en van de verachting en hoon van de wereld en van wereldse belijders.
Vrij van het volgen van de menigte in het kwaaddoen; vrij van de omgang met hen die de naam hebben dat zij leven, maar dood zijn. Maar ook vrij om de Heere en Zijn volk lief te hebben; vrij om goed te spreken van Zijn Naam; vrij om Hem te verheerlijken met lichaam en ziel, die van Hem zijn. Vrij in het naderen tot een troon van genade en tot een met bloed besprengde genadetroon; vrij tot elk goed woord en werk. Vrij om te doen al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt.
Aan de lezer…
Bent u gebonden, en weet u het? Gebonden door de veroordeling van een schuldig geweten, door slaafse vrees, door het oordeel van mensen, of door een hart dat telkens weer met de menigte meegaat? Dan spreekt de Heere hier een woord dat goud waard is: „De waarheid zal u vrij maken.” Niet de waarheid alleen in het hoofd, maar de waarheid ontvangen in haar kracht en liefde, die het hart vernedert en doet smelten.
Zoek haar dan, zoals men naar verborgen schatten zoekt, in de geest van gebed en met een verlangen om Gods wil te kennen. De weg erheen is verborgen voor het oog dat alleen naar het aas van de wereld uitziet, maar niet voor de arme die om het brood des levens roept. Laat het u niet ontmoedigen dat de aderen diep liggen. Wie door die waarheid vrijgemaakt wordt, mag vrij naderen tot de troon van genade en de met bloed besprengde genadetroon, en daar vindt hij alles wat zijn ziel nodig heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And ye shall know the truth, and the truth shall make you free.”
John 8:32
“The earth, from which food comes,
is transformed below as by fire;
sapphires come from its rocks,
and its dust contains nuggets of gold.
No bird of prey knows that hidden path,
no vulture’s eye has seen it.
Proud beasts do not set foot on it,
and no lion prowls there.”
Job 28:5-8
The truths of the gospel, though to an enlightened eye they shine as with a ray of light all through the Word, yet are they, for the most part, laid up as in deep veins—“Surely there is a vein for the silver, and a place where gold is refined.” “The earth, from which food comes, is transformed below as by fire; sapphires come from its rocks, and its dust contains nuggets of gold.” (Job 28:5-6).
But where is “the place of sapphires?” and where these “nuggets of gold?” “In the path which no bird of prey,” no unclean professor, “knows, and which the vulture’s eye,” keen though it be after this world’s carrion, “has not seen.”
But to a spiritual mind sweet and self-rewarding is the task, if task it can be called, of searching the Word as for hidden treasure. No sweeter, no better employment can engage heart and hands than, in the spirit of prayer and meditation, of separation from the world, of holy fear, of a desire to know the will of God and do it, of humility, simplicity, and godly sincerity, to seek to enter into those heavenly mysteries which are stored up in the Scriptures; and this, not to furnish the head with notions, but to feed the soul with the bread of life.
Truth, received in the love and power of it, informs and establishes the judgment, softens and melts the heart, warms and draws upward the affections, makes and keeps the conscience alive and tender, is the food of faith, the strength of hope, and the mainspring of love.
To know the truth is to be “a disciple indeed,” and to be made blessedly free; free from error, and the vile heresies which everywhere abound; free from presumption and self-righteousness; free from the curse and bondage of the law and the condemnation of a guilty conscience; free from a slavish fear of the opinion of men and the contempt and scorn of the world and worldly professors; free from following a multitude to do evil; free from companionship with those who have a name to live but are dead. But free to love the Lord and His dear people; free to speak well of His Name; free to glorify Him with our body and soul, which are His; free to a throne of grace and to a blood-besprinkled mercy-seat; free to every good word and work; free to “whatever things are good, whatever things are honest, whatever things are just, whatever things are pure, whatever things are lovely, whatever things are of good report.”
To the reader…
Are you in bondage, and do you know it? Bound by the condemnation of a guilty conscience, by slavish fear, by the opinion of men, or by a heart that keeps going along with the multitude? Then the Lord speaks a word here that is worth gold: “The truth shall make you free.” Not the truth only in the head, but the truth received in its power and love, which humbles the heart and makes it melt.
Seek it, then, as one searches for hidden treasure, in the spirit of prayer and with a desire to know God’s will. The way to it is hidden from the eye that looks only for the carrion of the world, but not from the poor one who cries for the bread of life. Do not let it discourage you that the veins lie deep. Whoever is made free by that truth may draw near freely to the throne of grace and the blood-besprinkled mercy-seat, and there he finds everything his soul needs.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y conoceréis la verdad, y la verdad os libertará.
Juan 8:32
“De la tierra nacía el pan,
y debajo de ella estaba como convertida en fuego.
Lugar hay cuyas piedras son zafiro,
y sus polvos de oro.
Senda que nunca la conoció ave,
ni ojo de buitre la vio:
nunca la pisaron animales fieros,
ni león pasó por ella.”
Job 28:5-8
Las verdades del evangelio, aunque para un ojo iluminado brillan como con un rayo de luz a lo largo de toda la Palabra, están, sin embargo, en su mayor parte guardadas como en vetas profundas: “Ciertamente la plata tiene sus veneros, y el oro lugar donde se forma.” “De la tierra nacía el pan, y debajo de ella estaba como convertida en fuego. Lugar hay cuyas piedras son zafiro, y sus polvos de oro” (Job 28:5-6).
Pero ¿dónde está “el lugar” cuyas piedras son “zafiro”? ¿Y dónde estos “polvos de oro”? En la “senda que nunca la conoció ave”, ningún profesante inmundo, “ni ojo de buitre la vio”, por agudo que sea tras la carroña de este mundo.
Pero para una mente espiritual es dulce y trae en sí misma su recompensa la tarea, si tarea puede llamarse, de escudriñar la Palabra como quien busca un tesoro escondido. Ninguna ocupación más dulce ni mejor puede ocupar el corazón y las manos que procurar entrar, con espíritu de oración y meditación, de separación del mundo, de santo temor, de deseo de conocer la voluntad de Dios y hacerla, de humildad, sencillez y sinceridad piadosa, en aquellos misterios celestiales que están atesorados en las Escrituras; y esto, no para llenar la cabeza de nociones, sino para alimentar el alma con el pan de vida.
La verdad, recibida en su amor y su poder, instruye y afirma el juicio, ablanda y derrite el corazón, calienta y atrae hacia arriba los afectos, hace y mantiene viva y tierna la conciencia; es el alimento de la fe, la fuerza de la esperanza y el resorte principal del amor.
Conocer la verdad es ser “verdaderamente discípulo”, y ser hecho bienaventuradamente libre: libre del error y de las viles herejías que abundan por doquier; libre de la presunción y de la justicia propia; libre de la maldición y la servidumbre de la ley y de la condenación de una conciencia culpable; libre de un temor servil a la opinión de los hombres y al desprecio y escarnio del mundo y de los profesantes mundanos; libre de seguir a la multitud para hacer el mal; libre de la compañía de quienes tienen nombre de que viven, pero están muertos. Pero libre para amar al Señor y a Su pueblo amado; libre para hablar bien de Su Nombre; libre para glorificarle en nuestro cuerpo y en nuestra alma, que son Suyos; libre para acudir a un trono de gracia y a un propiciatorio rociado con sangre; libre para toda buena palabra y obra; libre para “todo lo que es verdadero, todo lo honesto, todo lo justo, todo lo puro, todo lo amable, todo lo que es de buen nombre”.
Al lector…
¿Está usted en servidumbre, y lo sabe? ¿Atado por la condenación de una conciencia culpable, por un temor servil, por la opinión de los hombres, o por un corazón que sigue yendo con la multitud? Entonces el Señor dice aquí una palabra que vale oro: “La verdad os libertará.” No la verdad solo en la cabeza, sino la verdad recibida en su poder y amor, que humilla el corazón y lo hace derretirse.
Búsquela, pues, como quien busca un tesoro escondido, con espíritu de oración y con deseo de conocer la voluntad de Dios. El camino hacia ella está oculto al ojo que solo busca la carroña del mundo, pero no al pobre que clama por el pan de vida. No deje que le desanime que las vetas estén hondas. Quien es hecho libre por esa verdad puede acercarse libremente al trono de gracia y al propiciatorio rociado con sangre, y allí halla todo lo que su alma necesita.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl