16 oktober
Want uw leven is met Christus verborgen in God.
Colossenzen 3:3
Er is niets zo diep, niets zo verborgen als het leven Gods in de ziel. Het schijnt heilig bewaard te worden in de benedenste kamer van des mensen hart. Het drijft niet aan de oppervlakte, gelijk een kurk op het water, maar zinkt diep, diep op de bodem der ziel. Daarom is het ook verborgen voor de ogen van de belijdende wereld, en wat meer is, somtijds voor de ziel zelf. Een kind van God kan dikwijls zijn eigen geloof niet zien, noch het leven onderscheiden dat opborrelt en opspringt in zijn eigen ziel.
Het is geen meer dat zich uitspreidt in de middagzonneschijn en dat ieders oog aantrekt; ook is het geen beek die kabbelend over keistenen heen vloeit; maar het is een bron of fontein. „Het water, dat Ik hem geven zal, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.” Derhalve is het voor het gezicht verborgen. Het beste deel van onze godsdienst is hetgeen het minst zichtbaar is. De verborgen zuchtingen, tranen, belijdenissen, smekingen en uitademingen naar God openbaren zich meestal niet naar buiten; de twijfelmoedigheid, de krankheid des harten, beproevingen, kwellingen en krachtige verzoekingen, waarmede menig kind van God bezocht wordt, blijven in het verborgene; zo is het ook met zijn vrezen, zijn inzinkingen, zijn schuld en zelfveroordeling.
Ja, het beste gedeelte van zijn godsdienst is voor het gezicht van anderen verborgen, want wat het zwaarst weegt, zinkt het diepst weg. En gelijk het is met de werkzaamheden zijner ziel tegenover God, zo is het ook met Gods handelingen tegenover zijn ziel; zij maken en houden zijn consciëntie teder, verlevendigen de vreze Gods, halen het hart uit in gebed en meditatie, bewateren zijn geest en bedauwen hem met de verborgen dauw en de regen van Zijn genade. Zo is het beste deel van zijn godsdienst, omdat het geestelijk is, voor de ogen van allen verborgen, behalve de vruchten die eruit voortkomen; deze zijn openbaar.
Neemt eens plaats op gindse heuvel en ziet die groene draad zich kronkelen door de woeste vlakte. Vanwaar komt die groene strook die gij ziet? Daalt naar beneden en stelt een onderzoek in, en gij ontdekt een beekje dat zijn weg vindt door de woestenij. Het is dit beekje dat de wortelen van het gras bevochtigt en het groen kleurt; en toch is het beekje zelf verborgen, totdat het oog er dichtbij gebracht is. Wij zien de vruchten, het groen door het beekje veroorzaakt, maar het beekje zelf, het leven en de genade Gods in het binnenste der ziel, is verborgen, verborgen met Christus in God.
En het is niet zonder meer verborgen, maar het is verborgen met Christus in God. O, wat een onschendbaar, wat een heilig, wat een waar, goddelijk leven moet dit zijn! Indien dit een geestelijke godsdienst is, dat zij woont met Christus Zelf in de boezem van God, wat een goddelijk iets, wat een hemelse bezitting! Hoe vol van een eeuwige gelukzaligheid moet de godsdienst van een kind van God dan wel zijn! Hij ligt opgesloten in twee onderscheiden plaatsen en is toch met elkaar verenigd, uit kracht van Christus’ mensheid en het geloof dat Hem omhelst.
Mag ik het zo eens uitdrukken? Het ene eind daarvan ligt in de boezem van God, en het andere eind in de ziel van de gelovige! Vergelijk nu de armzalige, armoedige godsdienst van de mens met dit bovennatuurlijke leven van God in de ziel: Christus Zelf geformeerd in het hart als de hoop der heerlijkheid. Hier ontbreken woorden om het eeuwige onderscheid tussen beide uit te drukken.
Het woord „verborgen” heeft nog een andere betekenis. Het wil zeggen: „buiten bereik”, opgesloten, derhalve veilig. Wat zou er van het leven Gods in de ziel geworden zijn, indien het kon worden geroofd of verloren? Doch dit is onmogelijk, want het ligt opgesloten in de Persoon des Zoons Gods. Het is derhalve buiten het bereik van satan, zonde, dood en hel; veilig in Christus’ bewaring, weggesloten in Zijn eeuwige boezem.
Ware dit niet zo, waar zouden gij en ik reeds overlang geweest zijn? Waar zou onze godsdienst gebleven zijn, zo wij geen reden hadden om te geloven dat hij door de kracht Gods ontstoken was en onderhouden werd door dezelfde kracht die hem deed geboren worden? Dit is de grote vertroosting van een kind van God, wanneer hij geloven kan dat hij het leven Gods in zijn ziel heeft, en hij dagelijks mag ontwaren dat Hij, Die het leven schonk, het ook onderhoudt in een krachtige en levendige oefening.
Aan de lezer…
Kunt u, bekommerde ziel, uw eigen geloof soms niet zien? Zoekt u aan de oppervlakte naar het leven Gods en vindt u er niets dan uw vrezen, uw inzinkingen en uw schuld? Weet dan dat het beste deel van de godsdienst juist het minst zichtbare is. De verborgen zuchtingen, de tranen die niemand ziet, het hijgen naar God in de stilte: dat zijn geen tekenen van dood, maar van een bron die diep in de ziel opspringt, ook al ziet u het water zelf niet.
En is het verborgen, het is verborgen met Christus in God. Daar kan satan het niet roven, daar kan de zonde het niet verstikken en de dood het niet wegnemen. U zou het allang verloren hebben, als het in uw eigen hand lag; maar Hij, Die het leven schonk, houdt het ook in stand. Zie dan niet zozeer naar uw eigen hart, maar naar Hem in Wiens boezem uw leven veilig is weggesloten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want uw leven is met Christus verborgen in God.
Colossenzen 3:3
Er is niets zo diep, niets zo verborgen als het leven van God in de ziel. Het lijkt heilig bewaard te worden in de onderste kamer van het menselijk hart. Het drijft niet aan de oppervlakte, zoals een kurk op het water, maar zinkt diep, diep weg naar de bodem van de ziel. Daarom is het ook verborgen voor de ogen van de belijdende wereld, en wat meer is, soms voor de ziel zelf. Een kind van God kan vaak zijn eigen geloof niet zien, en het leven niet onderscheiden dat in zijn eigen ziel opborrelt en opspringt.
Het is geen meer dat zich uitspreidt in de middagzon en ieders oog trekt. Het is ook geen beek die kabbelend over keien stroomt. Het is een bron of fontein. „Het water, dat Ik hem geven zal, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.” Daarom is het voor het oog verborgen. Het beste deel van onze godsdienst is wat het minst zichtbaar is. De verborgen zuchten, tranen, belijdenissen, smekingen en uitademingen naar God komen meestal niet naar buiten. De twijfelmoedigheid, de krankheid van het hart, de beproevingen, kwellingen en krachtige verzoekingen waarmee menig kind van God bezocht wordt, blijven in het verborgene; zo is het ook met zijn vrezen, zijn inzinkingen, zijn schuld en zelfveroordeling.
Ja, het beste deel van zijn godsdienst is voor het oog van anderen verborgen, want wat het zwaarst weegt, zinkt het diepst weg. En zoals het is met de werkzaamheden van zijn ziel tegenover God, zo is het ook met Gods handelingen met zijn ziel. Zij maken en houden zijn geweten teder, verlevendigen de vreze Gods, trekken het hart uit in gebed en overdenking, bewateren zijn geest en bedauwen hem met de verborgen dauw en de regen van Zijn genade. Zo is het beste deel van zijn godsdienst, omdat het geestelijk is, voor de ogen van allen verborgen, behalve de vruchten die eruit voortkomen; die zijn openbaar.
Ga eens op die heuvel daarginds staan en kijk naar die groene draad die zich door de woeste vlakte kronkelt. Waar komt die groene strook die u ziet vandaan? Daal af en onderzoek het, en u ontdekt een beekje dat zijn weg zoekt door de woestenij. Dit beekje bevochtigt de wortels van het gras en kleurt het groen; en toch is het beekje zelf verborgen, totdat het oog er dichtbij komt. Wij zien de vruchten, het groen dat door het beekje ontstaat, maar het beekje zelf, het leven en de genade van God in het binnenste van de ziel, is verborgen, verborgen met Christus in God.
En het is niet zomaar verborgen, maar het is verborgen met Christus in God. O, wat een onschendbaar, wat een heilig, wat een waar, goddelijk leven moet dit zijn! Als dit een geestelijke godsdienst is, dat hij met Christus Zelf in de boezem van God woont, wat een goddelijk iets, wat een hemels bezit! Hoe vol eeuwige gelukzaligheid moet de godsdienst van een kind van God dan zijn! Hij ligt opgesloten op twee verschillende plaatsen en is toch één, door de kracht van Christus’ mensheid en het geloof dat Hem omhelst.
Mag ik het eens zo zeggen? Het ene eind ervan ligt in de boezem van God, en het andere eind in de ziel van de gelovige! Vergelijk nu de armzalige, armoedige godsdienst van de mens met dit bovennatuurlijke leven van God in de ziel: Christus Zelf in het hart gevormd als de hoop der heerlijkheid. Hier schieten woorden tekort om het eeuwige verschil tussen die twee uit te drukken.
Het woord „verborgen” heeft nog een andere betekenis. Het wil zeggen: „buiten bereik”, opgesloten, en daarom veilig. Wat zou er van het leven van God in de ziel geworden zijn als het geroofd of verloren kon worden? Maar dat is onmogelijk, want het ligt opgesloten in de Persoon van de Zoon van God. Daarom is het buiten het bereik van satan, zonde, dood en hel; veilig in Christus’ bewaring, weggesloten in Zijn eeuwige boezem.
Als dit niet zo was, waar zouden u en ik dan al lang geweest zijn? Waar zou onze godsdienst gebleven zijn als wij geen reden hadden om te geloven dat hij door de kracht van God was ontstoken en onderhouden werd door dezelfde kracht die hem had doen ontstaan? Dit is de grote vertroosting van een kind van God: wanneer hij kan geloven dat hij het leven van God in zijn ziel heeft, en dagelijks mag merken dat Hij Die het leven schonk, het ook onderhoudt in een krachtige en levendige oefening.
Aan de lezer…
Kunt u, bekommerde ziel, uw eigen geloof soms niet zien? Zoekt u aan de oppervlakte naar het leven van God en vindt u er niets dan uw vrezen, uw inzinkingen en uw schuld? Weet dan dat het beste deel van de godsdienst juist het minst zichtbare is. De verborgen zuchten, de tranen die niemand ziet, het hijgen naar God in de stilte: dat zijn geen tekenen van dood, maar van een bron die diep in de ziel opspringt, ook al ziet u het water zelf niet.
En is het verborgen, dan is het verborgen met Christus in God. Daar kan satan het niet roven, daar kan de zonde het niet verstikken en de dood het niet wegnemen. U zou het allang verloren hebben als het in uw eigen hand lag; maar Hij Die het leven schonk, houdt het ook in stand. Kijk dan niet zozeer naar uw eigen hart, maar naar Hem in Wiens boezem uw leven veilig is weggesloten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Your life is hid with Christ in God.
Colossians 3:3
There is nothing so deep, nothing so hidden, as the life of God in the soul. It seems to be enshrined in the lowest depths of a man’s heart. It does not float upon the surface, like a cork upon the water, but sinks deep, very deep, into the very bottom of the soul. Therefore is it hidden from the eyes of a profane world; hidden from the professing world; and what is more, sometimes hidden from the subject of it himself. A child of God often cannot see his own faith, nor can he discern the life that is bubbling and streaming up in his own bosom. It is not a lake, spread abroad in the meridian sunshine to attract every eye; nor is it a brook that flows babbling on over the clear pebbles; but it is a well. “The water that I shall give him shall be in him a well of water, springing up into everlasting life.” Therefore it is hidden from view.
The best part of our religion is that which is least seen. The secret cries, groans, tears, confessions, supplications, and breathings after God do not for the most part come abroad; the despondency, heart sickness, trials, perplexities, and powerful temptations with which many a dear saint of God is exercised do not come to view. No; nor his fears, sinkings, guilt, misery, and self-condemnation. Yes, the best part of his religion is hidden from view, for the weightiest ever sinks the deepest.
And as it is with the dealings of his soul with God, so it is with the dealings of God with his soul, making and keeping his conscience tender, reviving the fear of God, drawing the heart upward into prayer and meditation, watering his spirit and bedewing it with the secret dew and rain of His grace. Thus, the best part, because the spiritual part of a man’s religion, is hidden from the eyes of all, except as the fruits thereof are manifest.
Take your stand upon yon hill, and see that thread of verdure spreading itself through the barren plain. Whence comes that green strip which you see? Coming down to examine it, you find a little brooklet threading its way through the barren plain. It is this brooklet that, watering the roots of the grass, gives it that verdure; yet the brooklet itself is hidden until the eye is brought close to it. So it is with the life of God in the soul. We see the effects, the verdure produced by the brooklet; but the brooklet itself, the life and grace of God in the innermost soul is hidden, “hidden with Christ in God.”
And if not merely hidden, but hidden with Christ in God, what a sacred, what a holy, what a truly divine life it must be! If this be spiritual religion, that it dwells with Christ Himself in the bosom of God, what a divine thing, what a heavenly possession! how full of eternal blessedness must the religion of a child of God be! It is locked up in two distinct places, yet united with each other by virtue of the humanity of Christ, and the faith that embraces it. If I may use the expression, one end is in the bosom of God, and the other in the believer’s breast! Compare man’s paltry, beggarly religion with this supernatural life of God in the soul, Christ Himself formed in the heart the hope of glory. Words would fail to express the eternal distinction between them.
But the word “hidden” will carry another idea, out of reach, treasured up, therefore SAFE. What would have become long ago of the life of God in the soul, if it could have been robbed, trodden out, or lost? But this it never can be, for it is locked up in the Person of the Son of God. It is, therefore, out of the reach of Satan, sin, death, and hell; safe in Christ’s keeping, locked up in His eternal bosom. Were it otherwise, where should you and I long ago have been? Where would our religion have gone to, unless we had reason to believe that it had been kindled by the power of God, and was maintained by the same power which first gave it birth? This is the grand consolation of a child of God—to believe that he has the life of God in his soul; and to feel, day by day, that He Who gave that life maintains it in firm and living exercise.
To the reader…
Anxious soul, can you sometimes not see your own faith? Do you search on the surface for the life of God and find nothing there but your fears, your sinkings and your guilt? Know, then, that the best part of religion is the very part that is least seen. The secret sighs, the tears no one sees, the panting after God in the silence: these are no signs of death, but of a spring welling up deep in the soul, even if you cannot see the water itself.
And if it is hidden, it is hidden with Christ in God. There Satan cannot rob it, sin cannot stifle it and death cannot take it away. You would have lost it long ago if it lay in your own hand; but He Who gave the life also upholds it. So do not look so much at your own heart, but at Him in Whose bosom your life is safely locked away.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Vuestra vida está escondida con Cristo en Dios.
Colosenses 3:3
No hay nada tan profundo, nada tan escondido, como la vida de Dios en el alma. Parece estar guardada como en un santuario en lo más hondo del corazón del hombre. No flota en la superficie, como un corcho sobre el agua, sino que se hunde hondo, muy hondo, hasta el mismo fondo del alma. Por eso está escondida a los ojos del mundo profano; escondida al mundo profesante; y, lo que es más, a veces escondida aun a aquel mismo en quien está. Un hijo de Dios a menudo no puede ver su propia fe, ni puede discernir la vida que bulle y brota en su propio pecho. No es un lago extendido bajo el sol del mediodía para atraer todas las miradas; ni es un arroyo que corre murmurando sobre los guijarros claros; sino que es una fuente. “El agua que Yo le daré, será en él una fuente de agua que salte para vida eterna.” Por eso está escondida a la vista.
La mejor parte de nuestra religión es la que menos se ve. Los clamores secretos, los gemidos, las lágrimas, las confesiones, las súplicas y los suspiros tras Dios, en su mayor parte no salen a la luz; el desaliento, el desfallecimiento del corazón, las pruebas, las perplejidades y las fuertes tentaciones con que es ejercitado más de un amado santo de Dios no se dejan ver. No; tampoco sus temores, sus desfallecimientos, su culpa, su miseria y su condenación de sí mismo. Sí, la mejor parte de su religión está escondida a la vista, porque lo más pesado siempre se hunde más hondo.
Y como sucede con el trato de su alma con Dios, así sucede con el trato de Dios con su alma: haciendo y conservando tierna su conciencia, reavivando el temor de Dios, atrayendo el corazón hacia arriba en oración y meditación, regando su espíritu y rociándolo con el rocío y la lluvia secretos de Su gracia. Así, la mejor parte de la religión de un hombre, por ser la parte espiritual, está escondida a los ojos de todos, salvo en cuanto se manifiestan sus frutos.
Póngase en aquel cerro y mire ese hilo de verdor que se extiende por la llanura estéril. ¿De dónde viene esa franja verde que usted ve? Bajando a examinarla, halla un pequeño arroyuelo que se abre camino por la llanura estéril. Es este arroyuelo el que, regando las raíces de la hierba, le da ese verdor; y sin embargo el arroyuelo mismo está escondido hasta que el ojo se acerca a él. Así sucede con la vida de Dios en el alma. Vemos los efectos, el verdor producido por el arroyuelo; pero el arroyuelo mismo, la vida y la gracia de Dios en lo más íntimo del alma, está escondido, “escondido con Cristo en Dios.”
Y si no solo está escondida, sino escondida con Cristo en Dios, ¡qué vida tan sagrada, tan santa, tan verdaderamente divina ha de ser! Si esta es la religión espiritual, que mora con Cristo mismo en el seno de Dios, ¡qué cosa tan divina, qué posesión tan celestial! ¡Cuán llena de bienaventuranza eterna ha de ser la religión de un hijo de Dios! Está guardada bajo llave en dos lugares distintos, y sin embargo unidos entre sí en virtud de la humanidad de Cristo y de la fe que la abraza. Si se me permite la expresión, ¡un extremo está en el seno de Dios, y el otro en el pecho del creyente! Compare la mezquina y miserable religión del hombre con esta vida sobrenatural de Dios en el alma, Cristo mismo formado en el corazón, la esperanza de gloria. Faltarían palabras para expresar la distinción eterna entre ambas.
Pero la palabra “escondida” encierra otra idea: fuera del alcance, atesorada, y por tanto SEGURA. ¿Qué habría sido hace mucho de la vida de Dios en el alma, si hubiera podido ser robada, pisoteada o perdida? Pero esto nunca puede ser, porque está guardada bajo llave en la Persona del Hijo de Dios. Está, pues, fuera del alcance de Satanás, del pecado, de la muerte y del infierno; segura bajo la custodia de Cristo, guardada en Su seno eterno. Si fuera de otro modo, ¿dónde estaríamos usted y yo hace mucho tiempo? ¿Adónde habría ido a parar nuestra religión, si no tuviéramos razón para creer que fue encendida por el poder de Dios, y que es mantenida por el mismo poder que le dio el ser? Este es el gran consuelo de un hijo de Dios: creer que tiene la vida de Dios en su alma; y sentir, día tras día, que Aquel que dio esa vida la mantiene en un ejercicio firme y vivo.
Al lector…
Alma ansiosa, ¿a veces no puede ver su propia fe? ¿Busca en la superficie la vida de Dios y no halla allí más que sus temores, sus desfallecimientos y su culpa? Sepa, pues, que la mejor parte de la religión es precisamente la que menos se ve. Los suspiros secretos, las lágrimas que nadie ve, el anhelo de Dios en el silencio: no son señales de muerte, sino de una fuente que brota en lo hondo del alma, aunque usted no pueda ver el agua misma.
Y si está escondida, está escondida con Cristo en Dios. Allí Satanás no puede robarla, el pecado no puede ahogarla y la muerte no puede quitarla. Usted la habría perdido hace mucho si estuviera en su propia mano; pero Aquel que dio la vida también la sostiene. No mire, pues, tanto a su propio corazón, sino a Aquel en cuyo seno su vida está guardada con seguridad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl