Nieuw verschenenHet woord van Gods genadePreken · 6 dagen geleden
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Door Baca’s vallei

16 januari

Vandaag

4 min. lezen

En Hij zij u genadig.
Numeri 6:25

Hoe zoet is het Evangelie! Maar wat maakt het Evangelie zoet? Dit ene woord, dat een geur over het geheel uitgiet: genade. Haal de genade uit het Evangelie en u doet het teniet en werpt het omver; het is geen Evangelie meer. Genade strekt zich uit over elk deel van het Evangelie; zij is het leven van het Evangelie; in één woord: zij is het Evangelie zelf.

„Zij u genadig.” Waarin is God dan genadig? In een verbroken wet? Wat weet die van genade? In overtuiging die tot verbetering leidt, in het werk van het schepsel, in menselijke gerechtigheid? Kan of zal de Heere Zich in deze dingen genadig tonen? Ik heb gelezen over een plan om uit komkommers zonnestralen te winnen. Wij zouden net zo goed kunnen verwachten genade uit de wet te verkrijgen als zonnestralen uit komkommers; zij is zo koud als komkommers, er zit geen zon in.

Genade moet, om genadig te zijn, uit het Evangelie komen; en zij komt met uitsluiting van alle gerechtigheid van de mens, zij dooft alle menselijke verdiensten uit. En de apostel redeneert: „En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken, anderszins is de genade geen genade meer. En indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer, anderszins is het werk geen werk meer” (Rom. 11:6).

„De Heere zij u genadig.” Maar op welke manier is de Heere genadig? Misschien hebt u in de loop van uw leven eens contact gehad met iemand die in het maatschappelijk leven een hogere rang had dan uzelf, en ging u schroomvallig, zenuwachtig en met vrees naar zo iemand toe. Maar u kreeg wat men een genadige ontvangst noemt. En maakte dat het u niet mogelijk om te spreken en uw verzoek voor te leggen? Zo is het ook tegenover God. Een besef van onze geringheid en onwaardigheid kan ons, en doet ons meestal, vrezen en schroomvallig zijn voor het aangezicht van de Allerhoogste. Maar wanneer Hij ons in Zijn tegenwoordigheid toelaat, zoals koning Ahasveros de bevreesde Esther ontving en haar de gouden scepter van de genade toereikte, dan legt de ziel vrijmoedig haar verzoek aan Zijn voeten neer. Alleen dit kan dat bewerken.

Maar u voelt zich zo vaak beschaamd en zegt ook: „Ik ben het zo onwaardig.” Zou u anders willen zijn? Wanneer hoopt u waardig te zijn? Wanneer denkt u waardig te zijn? Als u het morgen waardig zou kunnen zijn, waar is dan uw waardigheid op dit ogenblik? Is de oude schuld betaald? Als u het zou wagen op grond van uw waardigheid, dan moet de oude rekening uitgewist zijn voordat u een nieuwe aangaat.

Waardigheid! Waar is die te vinden? In de mens? Sinds de dag dat Adam viel niet meer. De gerechtigheid viel in het paradijs toen Adam zijn hand uitstak naar de verboden vrucht; toen viel de waardigheid op de grond, en sindsdien heeft zij nooit meer haar hoofd kunnen opheffen. Ik moet dus niet tot God gaan op grond van waardigheid. Mag ik dan gaan op grond van mijn onwaardigheid?

Ik lees over iemand die dat deed, en met een goede afloop. „Heere,” zei hij, „ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zou inkomen; maar spreek alleen één woord en mijn knecht zal genezen worden.” En welk getuigenis gaf de Heere van deze man? Dat Hij zo’n groot geloof niet had gevonden, zelfs in Israël niet. En wat was ook de belijdenis van de terugkerende verloren zoon? „Ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden.” Maar juist die belijdenis bracht het beste kleed tevoorschijn, en de ring aan de hand en de schoenen aan de voeten.

Waarom? Het geloof gaat samen met een besef van onwaardigheid; zij zijn boezemvrienden, en het geloof woont in geen andere dan in onwaardige zielen. Voelt u zich geestelijk onwaardig, dan bent u geestelijk gelovig, want het is het geloof dat een besef van onwaardigheid voortbrengt. U gelooft dat u onwaardig bent; door hetzelfde geloof waarmee u uw onwaardigheid gelooft, gelooft u in de genade van God. „Hij zij u genadig.” Dit doet het hart smelten, waar de wet en verschrikkingen het verharden. Het is de genade die vertedert, die doet smelten en bedwingt; genade die heilige gehoorzaamheid met zich meebrengt.

Aan de lezer…

Hoe vaak zegt u niet: „Ik ben het zo onwaardig”! Wanneer hoopt u dan waardig te zijn? Is de oude schuld al betaald? Wie op zijn waardigheid wil wachten voordat hij tot God gaat, zal nooit komen. Maar wie als onwaardige komt, vindt de scepter van de genade uitgestoken. „Heere, ik ben niet waardig,” zei eens een man, en de Heere roemde zijn geloof. „Ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden,” zei de verloren zoon, en hij ontving het beste kleed.

Voelt u zich dus geestelijk onwaardig, laat dat u dan niet wegdrijven. Het geloof en een besef van onwaardigheid zijn boezemvrienden. Datzelfde geloof dat u uw onwaardigheid laat zien, mag ook de genade van God omhelzen. Kom dan zoals u bent, met uw schaamte en uw schuld, en laat de Heere u genadig zijn. Dat is het Evangelie zelf.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl