16 januari
En Hij zij u genadig.
Numeri 6:25
Hoe zoet is het Evangelie! Maar wat maakt het Evangelie zoet? Dit ene woord, dat een geur over het geheel uitgiet: genade. Neem genade uit het Evangelie en gij maakt het teniet en stoot het omver; het is geen Evangelie meer. Genade strekt zich uit over elk deel van het Evangelie; zij is het leven van het Evangelie; in één woord: zij is het Evangelie zelf.
„Zij u genadig.” Waarin dan is God genadig? In een verbroken wet? Wat kent zij van genade? In overtuiging tot verbetering in het werk van het schepsel, in menselijke rechtvaardigheid? Kan of zal de Heere Zich in deze dingen genadig betonen? Ik heb gelezen van een ontwerp om uit komkommers zonnestralen te produceren. Wij konden even goed verwachten uit de wet genade te verkrijgen als zonnestralen uit komkommers; zij is zo koud als komkommers, er is geen zon in aanwezig.
Genade, om genadig te zijn, moet uit het Evangelie komen; en zij komt met uitsluiting van al des mensen gerechtigheid, zij dooft alle menselijke verdiensten uit. En de apostel redeneert: „En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken, anderszins is de genade geen genade meer. En indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer, anderszins is het werk geen werk meer” (Rom. 11:6).
„De Heere zij u genadig.” Maar op welke wijze is de Heere genadig? Misschien hebt gij in de loop van uw leven de gelegenheid gehad met iemand in contact te komen die in het maatschappelijke leven een hogere rang bekleedde dan uzelf, en gij gingt schroomvallig, zenuwachtig en met vrees naar zo iemand toe. Maar gij kreegt wat men noemt een genadige ontvangst. En stelde dit u niet in staat om te spreken en uw verzoek voor te dragen? Zo is het ook tegenover God. Een gevoel van onze geringheid en onwaardigheid kan ons doen, en het doet ons veelal, vrezen en schroomachtig zijn voor het aangezicht van de Allerhoogste. Maar wanneer Hij ons in Zijn tegenwoordigheid toelaat, evenals de koning Ahasverus de bevreesde Esther ontving en haar de genadescepter toereikte, dan legt de ziel vrijmoedig haar verzoek aan Zijn voeten neer. Alleen dit kan het doen.
Maar gij voelt u zo menigmaal beschaamd en zegt het ook: „Ik ben het zo onwaardig.” Zoudt gij anders willen zijn? Wanneer hoopt gij waardig te zijn? Wanneer denkt gij waardig te zijn? Zo gij het morgen waardig zoudt kunnen zijn, waar is uw waardigheid voor het ogenblik? Is de oude schuld betaald? Indien gij het wagen zoudt op grond van uw waardigheid, dan moet de oude rekening uitgewist zijn als gij een nieuwe aanvaardt.
Waardigheid! Waar wordt zij gevonden? In de mens? Sedert de dag toen Adam viel, niet. Rechtvaardigheid viel in het Paradijs, toen Adam zijn hand uitstak naar de verboden vrucht; toen viel de waardigheid op de grond en sindsdien heeft zij nooit haar hoofd kunnen oprichten. Dus moet ik niet tot God gaan op grond van waardigheid. Mag ik dan gaan op grond van mijn onwaardigheid?
Ik lees van iemand die dit deed, en met een goede uitslag. „Heere,” zeide hij, „ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zou inkomen; maar spreek alleen één woord en mijn knecht zal genezen worden.” En welk getuigenis gaf de Heere van deze man? Dat Hij zo’n groot geloof niet had gevonden, zelfs in Israël niet. En wat was ook de belijdenis van de terugkerende verloren zoon? „Ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden.” Maar juist deze belijdenis bracht het beste kleed naar voren, en de ring aan de hand en de schoenen aan de voeten.
Waarom? Het geloof gaat gepaard met een besef van onwaardigheid; zij zijn boezemvrienden, het huist in geen andere dan in onwaardige zielen. Gevoelt gij u geestelijk onwaardig, dan zijt gij geestelijk gelovig, want het is het geloof dat een besef van onwaardigheid voortbrengt. Gij gelooft dat gij onwaardig zijt; door hetzelfde geloof waarin gij uw onwaardigheid gelooft, gelooft gij aan de genade Gods. „Hij zij u genadig.” Dit doet het hart smelten, waar de wet en verschrikkingen het doen verharden. Het is de genade die vertedert, die doet smelten en bedwingt; genade die heilige gehoorzaamheid met zich voert.
Aan de lezer…
Hoe dikwijls zegt u niet: „Ik ben het zo onwaardig”! Wanneer hoopt u dan waardig te zijn? Is de oude schuld al betaald? Wie op zijn waardigheid wil wachten voordat hij tot God gaat, zal nooit komen. Maar wie als onwaardige komt, vindt de genadescepter uitgestoken. „Heere, ik ben niet waardig,” zei eens een man, en de Heere roemde zijn geloof. „Ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden,” zei de verloren zoon, en hij ontving het beste kleed.
Gevoelt u zich dus geestelijk onwaardig, laat dat u dan niet wegdrijven. Het geloof en een besef van onwaardigheid zijn boezemvrienden. Datzelfde geloof dat u uw onwaardigheid doet zien, mag ook de genade Gods omhelzen. Kom dan zoals u bent, met uw schaamte en uw schuld, en laat de Heere u genadig zijn. Dat is het Evangelie zelf.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Hij zij u genadig.
Numeri 6:25
Hoe zoet is het Evangelie! Maar wat maakt het Evangelie zoet? Dit ene woord, dat een geur over het geheel uitgiet: genade. Haal de genade uit het Evangelie en u doet het teniet en werpt het omver; het is geen Evangelie meer. Genade strekt zich uit over elk deel van het Evangelie; zij is het leven van het Evangelie; in één woord: zij is het Evangelie zelf.
„Zij u genadig.” Waarin is God dan genadig? In een verbroken wet? Wat weet die van genade? In overtuiging die tot verbetering leidt, in het werk van het schepsel, in menselijke gerechtigheid? Kan of zal de Heere Zich in deze dingen genadig tonen? Ik heb gelezen over een plan om uit komkommers zonnestralen te winnen. Wij zouden net zo goed kunnen verwachten genade uit de wet te verkrijgen als zonnestralen uit komkommers; zij is zo koud als komkommers, er zit geen zon in.
Genade moet, om genadig te zijn, uit het Evangelie komen; en zij komt met uitsluiting van alle gerechtigheid van de mens, zij dooft alle menselijke verdiensten uit. En de apostel redeneert: „En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken, anderszins is de genade geen genade meer. En indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer, anderszins is het werk geen werk meer” (Rom. 11:6).
„De Heere zij u genadig.” Maar op welke manier is de Heere genadig? Misschien hebt u in de loop van uw leven eens contact gehad met iemand die in het maatschappelijk leven een hogere rang had dan uzelf, en ging u schroomvallig, zenuwachtig en met vrees naar zo iemand toe. Maar u kreeg wat men een genadige ontvangst noemt. En maakte dat het u niet mogelijk om te spreken en uw verzoek voor te leggen? Zo is het ook tegenover God. Een besef van onze geringheid en onwaardigheid kan ons, en doet ons meestal, vrezen en schroomvallig zijn voor het aangezicht van de Allerhoogste. Maar wanneer Hij ons in Zijn tegenwoordigheid toelaat, zoals koning Ahasveros de bevreesde Esther ontving en haar de gouden scepter van de genade toereikte, dan legt de ziel vrijmoedig haar verzoek aan Zijn voeten neer. Alleen dit kan dat bewerken.
Maar u voelt zich zo vaak beschaamd en zegt ook: „Ik ben het zo onwaardig.” Zou u anders willen zijn? Wanneer hoopt u waardig te zijn? Wanneer denkt u waardig te zijn? Als u het morgen waardig zou kunnen zijn, waar is dan uw waardigheid op dit ogenblik? Is de oude schuld betaald? Als u het zou wagen op grond van uw waardigheid, dan moet de oude rekening uitgewist zijn voordat u een nieuwe aangaat.
Waardigheid! Waar is die te vinden? In de mens? Sinds de dag dat Adam viel niet meer. De gerechtigheid viel in het paradijs toen Adam zijn hand uitstak naar de verboden vrucht; toen viel de waardigheid op de grond, en sindsdien heeft zij nooit meer haar hoofd kunnen opheffen. Ik moet dus niet tot God gaan op grond van waardigheid. Mag ik dan gaan op grond van mijn onwaardigheid?
Ik lees over iemand die dat deed, en met een goede afloop. „Heere,” zei hij, „ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zou inkomen; maar spreek alleen één woord en mijn knecht zal genezen worden.” En welk getuigenis gaf de Heere van deze man? Dat Hij zo’n groot geloof niet had gevonden, zelfs in Israël niet. En wat was ook de belijdenis van de terugkerende verloren zoon? „Ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden.” Maar juist die belijdenis bracht het beste kleed tevoorschijn, en de ring aan de hand en de schoenen aan de voeten.
Waarom? Het geloof gaat samen met een besef van onwaardigheid; zij zijn boezemvrienden, en het geloof woont in geen andere dan in onwaardige zielen. Voelt u zich geestelijk onwaardig, dan bent u geestelijk gelovig, want het is het geloof dat een besef van onwaardigheid voortbrengt. U gelooft dat u onwaardig bent; door hetzelfde geloof waarmee u uw onwaardigheid gelooft, gelooft u in de genade van God. „Hij zij u genadig.” Dit doet het hart smelten, waar de wet en verschrikkingen het verharden. Het is de genade die vertedert, die doet smelten en bedwingt; genade die heilige gehoorzaamheid met zich meebrengt.
Aan de lezer…
Hoe vaak zegt u niet: „Ik ben het zo onwaardig”! Wanneer hoopt u dan waardig te zijn? Is de oude schuld al betaald? Wie op zijn waardigheid wil wachten voordat hij tot God gaat, zal nooit komen. Maar wie als onwaardige komt, vindt de scepter van de genade uitgestoken. „Heere, ik ben niet waardig,” zei eens een man, en de Heere roemde zijn geloof. „Ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden,” zei de verloren zoon, en hij ontving het beste kleed.
Voelt u zich dus geestelijk onwaardig, laat dat u dan niet wegdrijven. Het geloof en een besef van onwaardigheid zijn boezemvrienden. Datzelfde geloof dat u uw onwaardigheid laat zien, mag ook de genade van God omhelzen. Kom dan zoals u bent, met uw schaamte en uw schuld, en laat de Heere u genadig zijn. Dat is het Evangelie zelf.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD make his face shine upon thee, and be gracious unto thee.
Numbers 6:25
How sweet the gospel is! But what makes the gospel sweet? That one word which sheds a perfume through the whole—grace. Take grace out of the gospel and you destroy the gospel; you nullify and overthrow it; it is the gospel no more. Grace pervades every part and every branch of the blessed gospel; it is the life of the gospel; in a word, it is the gospel itself. “Be gracious unto you.”
In what, then, is God gracious? In a broken law? What does that know of grace? In resolutions of amendment, creature performances, and human righteousness? Can the Lord, will the Lord show Himself gracious in these? I have read of a project for extracting sunbeams out of cucumbers. We might as well expect to make sunbeams out of cucumbers as to make grace out of the law; it is cold as cucumbers; there is no sun in it.
Grace, to be grace, must come out of the gospel. It is in the gospel, and out of the gospel must it come; and it does come, excluding all creature righteousness, putting an extinguisher upon all human merit. As the Apostle argues—“And if by grace, then is it no more of works; otherwise grace is no more grace. But if it be of works, then is it no more grace; otherwise work is no more work” (Rom. 11:6). “The Lord be gracious unto you.”
But how is the Lord gracious? Perhaps you have had occasion, at some time of your life, to go into the presence of some one in worldly rank far your superior, and you went timid, nervous, and trembling; but you experienced what is called a “gracious reception.” Did not that enable you to speak and open your petition? So it is in the things of God. A sense of our lowliness and unworthiness may and does make us tremble and feel timid before the face of the Most High; but when He draws us into His presence, and receives us graciously, as king Ahasuerus received the trembling Esther, extending to her the scepter of his grace, it emboldens the soul to lay its petition at His feet. Nothing will do it but this.
But you feel and say often, “I am so unworthy.” Will you ever be anything else? When do you hope to be worthy? When do you mean to be worthy? If you could be worthy tomorrow, where is your worthiness today? Is the old score yet paid? If you venture upon the ground of ‘worthiness’ you must have the old score rubbed off before you come to the new.
Worthiness! where is it? In man? Never since the day that Adam fell. Righteousness fell in Paradise; when Adam’s hand touched the apple, worthiness fell to the ground, and never since has been able to raise its head. I must not, then, go to God upon the ground of worthiness.
But may I go on the ground of unworthiness? I read of one who did, and met with a very gracious reception. “Lord,” said one, “I am not worthy that you should come under my roof; but speak the word only and my servant shall be healed.” What did the Lord say of this man? That He had not found so great faith, no, not in Israel. What, also, was the confession of the returning prodigal? “I am no more worthy to be called your son.” But this brought out the best robe, the ring for the hand, and the shoes for the feet.
Why? Faith dwells with a sense of unworthiness; they are bosom companions; it dwells in no other but unworthy breasts. Feel spiritually unworthy and you are spiritually believing, for it is faith that gives a sense of unworthiness. You believe you are unworthy; by the same faith that you believe your unworthiness you believe God’s grace. “Be gracious unto you.” That melts the heart; law and terrors do but harden. It is grace that softens, grace that melts, grace that constrains, grace that produces, godly obedience.
To the reader…
How often do you say, “I am so unworthy”! When, then, do you hope to be worthy? Has the old debt been paid yet? Whoever wants to wait for his worthiness before he goes to God will never come. But whoever comes as one unworthy finds the sceptre of grace held out. “Lord, I am not worthy,” a man once said, and the Lord praised his faith. “I am no more worthy to be called thy son,” said the prodigal son, and he received the best robe.
So if you feel spiritually unworthy, do not let that drive you away. Faith and a sense of unworthiness are bosom companions. The same faith that shows you your unworthiness may also embrace the grace of God. Come, then, just as you are, with your shame and your guilt, and let the Lord be gracious unto you. That is the gospel itself.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Haga resplandecer Jehová Su rostro sobre ti, y haya de ti misericordia.
Números 6:25
¡Qué dulce es el evangelio! Pero ¿qué hace dulce el evangelio? Esa sola palabra que derrama su perfume por todo él: gracia. Quite la gracia del evangelio y destruirá el evangelio; lo anula y lo derriba; ya no es el evangelio. La gracia impregna cada parte y cada rama del bendito evangelio; es la vida del evangelio; en una palabra, es el evangelio mismo. “Sea lleno de gracia para contigo.”
¿En qué, pues, se muestra Dios lleno de gracia? ¿En una ley quebrantada? ¿Qué sabe esa de gracia? ¿En propósitos de enmienda, en obras de la criatura y en justicia humana? ¿Puede el Señor, quiere el Señor mostrarse lleno de gracia en estas cosas? He leído de un proyecto para extraer rayos de sol de los pepinos. Tanto podríamos esperar sacar rayos de sol de los pepinos como sacar gracia de la ley; es fría como los pepinos; no hay sol en ella.
La gracia, para ser gracia, tiene que venir del evangelio. Está en el evangelio, y del evangelio tiene que venir; y viene, excluyendo toda justicia de la criatura, apagando todo mérito humano. Como argumenta el apóstol: “Y si por gracia, luego no por las obras; de otra manera la gracia ya no es gracia. Y si por las obras, ya no es gracia; de otra manera la obra ya no es obra” (Romanos 11:6). “El Señor sea lleno de gracia para contigo.”
Pero ¿cómo se muestra el Señor lleno de gracia? Quizá usted haya tenido ocasión, en algún momento de su vida, de presentarse ante alguien muy superior a usted en rango mundano, y fue tímido, nervioso y temblando; pero experimentó lo que se llama una “acogida bondadosa”. ¿No le permitió eso hablar y presentar su petición? Así es en las cosas de Dios. El sentir de nuestra bajeza e indignidad puede hacernos, y nos hace, temblar y sentirnos tímidos ante el rostro del Altísimo; pero cuando Él nos atrae a Su presencia y nos recibe con gracia, como el rey Asuero recibió a la temblorosa Ester, extendiéndole el cetro de su favor, eso da valor al alma para poner su petición a Sus pies. Nada sino esto lo logrará.
Pero usted siente y dice a menudo: “Soy tan indigno.” ¿Será alguna vez otra cosa? ¿Cuándo espera ser digno? ¿Cuándo piensa ser digno? Si pudiera ser digno mañana, ¿dónde está su dignidad hoy? ¿Está ya pagada la vieja cuenta? Si se aventura sobre el terreno de la ‘dignidad’, tiene que tener borrada la vieja cuenta antes de llegar a la nueva.
¡Dignidad! ¿Dónde está? ¿En el hombre? Nunca desde el día en que Adán cayó. La justicia cayó en el Paraíso; cuando la mano de Adán tocó la fruta, la dignidad cayó a tierra, y nunca desde entonces ha podido levantar la cabeza. No debo, pues, ir a Dios sobre el terreno de la dignidad.
Pero ¿puedo ir sobre el terreno de la indignidad? Leo de uno que lo hizo, y halló una acogida muy llena de gracia. “Señor”, dijo uno, “no soy digno de que entres debajo de mi techado; mas solamente di la palabra, y mi mozo sanará.” ¿Qué dijo el Señor de este hombre? Que ni aun en Israel había hallado fe tanta. ¿Cuál fue también la confesión del pródigo que volvía? “Ya no soy digno de ser llamado tu hijo.” Pero esto hizo sacar el mejor vestido, el anillo para la mano y los zapatos para los pies.
¿Por qué? La fe habita con el sentir de la indignidad; son compañeros íntimos; no habita en otros pechos sino en los indignos. Siéntase espiritualmente indigno y estará creyendo espiritualmente, porque es la fe la que da el sentir de la indignidad. Usted cree que es indigno; por la misma fe con que cree su indignidad, cree la gracia de Dios. “Sea lleno de gracia para contigo.” Eso derrite el corazón; la ley y los terrores no hacen sino endurecer. Es la gracia la que ablanda, la gracia la que derrite, la gracia la que constriñe, la gracia la que produce la obediencia piadosa.
Al lector…
¡Cuántas veces dice usted: “Soy tan indigno”! ¿Cuándo, pues, espera ser digno? ¿Está ya pagada la vieja deuda? Quien quiere esperar a su dignidad antes de ir a Dios nunca llegará. Pero quien viene como indigno halla extendido el cetro de la gracia. “Señor, no soy digno”, dijo una vez un hombre, y el Señor alabó su fe. “Ya no soy digno de ser llamado tu hijo”, dijo el hijo pródigo, y recibió el mejor vestido.
Así que, si se siente espiritualmente indigno, no deje que eso le aleje. La fe y el sentir de la indignidad son compañeros íntimos. La misma fe que le muestra su indignidad puede también abrazar la gracia de Dios. Venga, pues, tal como es, con su vergüenza y su culpa, y deje que el Señor tenga de usted misericordia y le muestre Su gracia. Eso es el evangelio mismo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl