11 oktober
De HEERE heeft alle ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.
Jesaja 53:6
Welk hart kan bevatten, welke tong het uitdrukken, wat de heilige ziel van Christus heeft moeten dóórstaan toen de Heere onze ongerechtigheid op Hem heeft doen aanlopen? Wat een last van schuld, wat een gewicht van zonde, wat een ondragelijke last van de toorn Gods moest de heilige menselijke natuur doorstaan; zodanig, dat de druk der smart en ellende Hem grote druppelen bloeds deed zweten, die op de aarde afliepen. De menselijke natuur, als het ware in haar zwakheid teruggevallen vanwege de beker der smart, die Hem op de hand was gezet geworden! Zijn lichaam kon nauwelijks de last die Hem drukte dragen; Zijn ziel, onder de baren en golven van de toorn Gods, zonk in grondeloze modder, waar Hij niet staan kon, en was gekomen in de diepten der wateren, waar de vloed Hem overstroomde (Psalm 69:3). En hoe kon het ook anders zijn, toen die heilige mensheid geheel de toorn Gods moest torsen, de angsten der hel moest dragen en al de diepten van schuld en verschrikking moest doorwaden?
Toen de Heere zonde voor ons gemaakt werd en Hij in Zijn heilige ziel heeft gedragen alle folteringen, verschrikkingen, ellende en schuld die de uitverkorenen tot in alle eeuwigheid in de hel hadden moeten dragen, en dit niet slechts zoals één van hen zou hebben moeten lijden, maar zoals al de uitverkorenen bij elkaar genomen zouden hebben móeten ondervinden onder de uitgieting van de eeuwigdurende toorn Gods. De angst, de benauwdheid, de duisternis, de veroordeling, de schaamte, de schuld, de onuitsprekelijke schrik en afschuw die iemand of allen van Zijn levend gemaakt volk ooit hebben ondervonden onder een gevoel van de toorn Gods, onder de vloek der wet en de verschrikking der hel, zijn slechts flauwe, zwakke weerspiegelingen van hetgeen de Heere ondervonden heeft in de hof en op het kruis. Want daar waren in Zijn geval vergezellende omstandigheden die zij niet hebben en inderdaad niet kunnen hebben, en die de benauwdheid en smart van Zijn heilige ziel, in haar natuur en mate, zodanig deden zijn zoals Hij alleen maar kon gevoelen en kennen.
Hij, als de Zoon van God, Die voor de grondvesting der wereld in Zijn boezem gelegen had, had alle zaligheid en blijdschap van de liefde en gunst des Vaders van Zijn eigen Vader genoten, want Hij was een voedsterling bij Hem en Zijn dagelijkse vermakingen (Spreuken 8:30). Toen Hij dan in plaats van liefde Zijn ongenoegen ondervond, in plaats van de uitlatingen van Zijn gunst de fronselingen en de verschrikkingen van Zijn toorn, en in plaats van het licht Zijns aanschijns de duisternis en het vreselijke der verlating smaken moest – wiens hart kan het bevatten en welke tong het uitspreken, welke bittere angst de ziel van onze lijdende Borg wel moet hebben bekneld?
Aan de lezer…
Soms laat de Heere een ziel iets voelen van de toorn Gods over haar zonden, van de vloek der wet en de verschrikking van een schuldig geweten. Hebt u dat gekend, en hebt u gedacht dat niemand zo diep in de modder kon wegzinken als u? Zie dan op Hem, op Wie de Heere alle ongerechtigheid heeft doen aanlopen. Wat u ooit gevoeld hebt, is slechts een flauwe, zwakke weerspiegeling van wat Hij in de hof en aan het kruis heeft doorstaan, toen de beker der smart Hem op de hand werd gezet en de vloed Hem overstroomde.
Hij, Die van eeuwigheid in de boezem des Vaders lag, heeft de duisternis der verlating gesmaakt, opdat Zijn volk het licht van Gods aangezicht niet eeuwig zou missen. Laat dat uw hart verootmoedigen, maar laat het u ook moed geven. Een last die Hij gedragen heeft, behoeft een arme zondaar niet meer te torsen. Zie daarom met uw schuld op de lijdende Borg, en buig u in aanbidding neer bij de liefde die zo diep wilde afdalen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De HEERE heeft alle ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.
Jesaja 53:6
Welk hart kan bevatten, welke tong kan uitdrukken wat de heilige ziel van Christus moest dóórstaan toen de Heere onze ongerechtigheid op Hem heeft doen aanlopen? Wat een last van schuld, wat een gewicht van zonde, wat een ondraaglijke last van de toorn van God moest de heilige menselijke natuur doorstaan! Zo zwaar, dat de druk van smart en ellende Hem grote druppels bloed deed zweten, die op de aarde vielen. De menselijke natuur bezweek als het ware in haar zwakheid onder de beker van smart die Hem in de hand was gegeven! Zijn lichaam kon de last die op Hem drukte nauwelijks dragen. Zijn ziel zonk onder de baren en golven van Gods toorn weg in grondeloze modder, waar Hij niet staan kon; Hij was gekomen in de diepten van de wateren, waar de vloed Hem overstroomde (Psalm 69:3). En hoe kon het ook anders, toen die heilige mensheid heel de toorn van God moest torsen, de angsten van de hel moest dragen en alle diepten van schuld en verschrikking moest doorwaden?
Zo was het toen de Heere voor ons tot zonde gemaakt werd en Hij in Zijn heilige ziel alle folteringen, verschrikkingen, ellende en schuld heeft gedragen die de uitverkorenen tot in alle eeuwigheid in de hel hadden moeten dragen. En dat niet alleen zoals één van hen had moeten lijden, maar zoals alle uitverkorenen samen het hadden moeten ondervinden onder de uitstorting van de eeuwige toorn van God. De angst, de benauwdheid, de duisternis, de veroordeling, de schaamte, de schuld, de onuitsprekelijke schrik en afschuw die iemand of allen van Zijn levend gemaakt volk ooit hebben ondervonden onder een gevoel van Gods toorn, onder de vloek van de wet en de verschrikking van de hel, zijn slechts vage, zwakke weerspiegelingen van wat de Heere ondervonden heeft in de hof en aan het kruis. Want bij Hem kwamen er omstandigheden bij die zij niet hebben en ook niet kunnen hebben. Die maakten de benauwdheid en smart van Zijn heilige ziel, in aard en mate, zo, dat alleen Hij die kon voelen en kennen.
Hij had als de Zoon van God, Die vóór de grondlegging van de wereld in Zijn boezem gelegen had, alle zaligheid en blijdschap van de liefde en gunst van de Vader genoten bij Zijn eigen Vader, want Hij was een voedsterling bij Hem en Zijn dagelijkse vermakingen (Spreuken 8:30). Toen Hij dan in plaats van liefde Zijn ongenoegen ondervond, in plaats van de uitingen van Zijn gunst het fronsen en de verschrikkingen van Zijn toorn, en in plaats van het licht van Zijn aangezicht de duisternis en het vreselijke van de verlating moest smaken – wiens hart kan het bevatten en welke tong kan het uitspreken, welke bittere angst de ziel van onze lijdende Borg moet hebben beklemd?
Aan de lezer…
Soms laat de Heere een ziel iets voelen van de toorn van God over haar zonden, van de vloek van de wet en de verschrikking van een schuldig geweten. Hebt u dat gekend, en hebt u gedacht dat niemand zo diep in de modder kon wegzinken als u? Zie dan op Hem, op Wie de Heere alle ongerechtigheid heeft doen aanlopen. Wat u ooit gevoeld hebt, is slechts een vage, zwakke weerspiegeling van wat Hij in de hof en aan het kruis heeft doorstaan, toen de beker van smart Hem in de hand werd gegeven en de vloed Hem overstroomde.
Hij, Die van eeuwigheid in de boezem van de Vader lag, heeft de duisternis van de verlating gesmaakt, opdat Zijn volk het licht van Gods aangezicht niet eeuwig zou missen. Laat dat uw hart verootmoedigen, maar laat het u ook moed geven. Een last die Hij gedragen heeft, hoeft een arme zondaar niet meer te torsen. Zie daarom met uw schuld op de lijdende Borg, en buig u in aanbidding neer bij de liefde die zo diep wilde afdalen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD hath laid on Him the iniquity of us all.
Isaiah 53:6
What heart can conceive, what tongue express what the holy soul of Christ endured when “the Lord laid on Him the iniquity of us all?” In the garden of Gethsemane, what a load of guilt, what a weight of sin, what an intolerable burden of the wrath of God did that sacred humanity endure, until the pressure of sorrow and woe forced the drops of blood to fall as sweat from His brow. The human nature in its weakness recoiled, as it were, from the cup of anguish put into His hand. His body could scarcely bear the load that pressed Him down; His soul, under the waves and billows of God’s wrath, sank in deep mire where there was no standing, and came into deep waters where the floods overflowed Him (Ps. 69:1, 2).
And how could it be otherwise when that sacred humanity was enduring all the wrath of God, suffering the very pangs of hell, and wading in all the depths of guilt and terror? When the blessed Lord was made sin (or a sin-offering) for us, He endured in His holy soul all the pangs of distress, horror, alarm, misery, and guilt that the elect would have felt in hell forever; and not only as any one of them would have felt, but as the collective whole would have experienced under the outpouring of the everlasting wrath of God.
The anguish, the distress, the darkness, the condemnation, the shame, the guilt, the unutterable horror, that any or all of His quickened family have ever experienced under a sense of God’s wrath, the curse of the law, and the terrors of hell, are only faint, feeble reflections of what the Lord felt in the garden and on the cross; for there were attendant circumstances in His case which are not, and indeed cannot be in theirs, and which made the distress and agony of His holy soul, both in nature and degree, such as none but He could feel or know.
He as the eternal Son of God, Who had lain in His bosom before all worlds, had known all the blessedness and happiness of the love and favor of the Father, His own Father, shining upon Him, for He was “by Him as one brought up with Him, and was daily His delight, rejoicing always before Him” (Prov. 8:30). When, then, instead of love He felt His displeasure, instead of the beams of His favor He experienced the frowns and terrors of His wrath, instead of the light of His countenance He tasted the darkness and gloom of desertion—what heart can conceive, what tongue express the bitter anguish which must have wrung the soul of our suffering Surety under this agonizing experience?
To the reader…
Sometimes the Lord lets a soul feel something of the wrath of God over its sins, of the curse of the law and the terror of a guilty conscience. Have you known that, and did you think that no one could sink as deep into the mire as you? Then look to Him on Whom the Lord has laid all iniquity. Whatever you have ever felt is only a faint, feeble reflection of what He endured in the garden and on the cross, when the cup of sorrow was put into His hand and the floods overflowed Him.
He Who lay in the bosom of the Father from eternity tasted the darkness of desertion, so that His people would not miss the light of God’s countenance for ever. Let that humble your heart, but let it also give you courage. A burden He has borne, a poor sinner need no longer carry. Look, therefore, with your guilt to the suffering Surety, and bow down in worship before the love that was willing to descend so deep.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas Jehová cargó en Él el pecado de todos nosotros.
Isaías 53:6
¿Qué corazón puede concebir, qué lengua expresar lo que soportó el alma santa de Cristo cuando “Jehová cargó en Él el pecado de todos nosotros”? En el huerto de Getsemaní, ¡qué carga de culpa, qué peso de pecado, qué carga intolerable de la ira de Dios soportó aquella sagrada humanidad, hasta que la presión de la tristeza y la angustia hizo caer de Su frente gotas de sangre como sudor! La naturaleza humana en su debilidad retrocedió, por así decirlo, ante la copa de angustia puesta en Su mano. Su cuerpo apenas podía soportar la carga que le oprimía; Su alma, bajo las ondas y olas de la ira de Dios, se hundió en cieno profundo donde no había pie, y llegó a abismos de aguas donde la corriente le anegó (Sal. 69:1, 2).
¿Y cómo podía ser de otro modo, cuando aquella sagrada humanidad soportaba toda la ira de Dios, sufría los mismos dolores del infierno y vadeaba todas las profundidades de la culpa y el terror? Cuando el bendito Señor fue hecho pecado (o una ofrenda por el pecado) por nosotros, soportó en Su alma santa todos los dolores de angustia, horror, espanto, miseria y culpa que los elegidos habrían sentido en el infierno para siempre; y no solo como cualquiera de ellos los habría sentido, sino como los habría experimentado el conjunto entero bajo el derramamiento de la ira eterna de Dios.
La angustia, la aflicción, las tinieblas, la condenación, la vergüenza, la culpa, el horror indecible que cualquiera o todos los de Su familia vivificada hayan experimentado jamás bajo el sentir de la ira de Dios, la maldición de la ley y los terrores del infierno, no son sino reflejos tenues y débiles de lo que el Señor sintió en el huerto y en la cruz; porque en Su caso había circunstancias concomitantes que no hay, ni en verdad puede haber, en el de ellos, y que hicieron la aflicción y la agonía de Su alma santa, tanto en naturaleza como en grado, tales que nadie sino Él podía sentirlas o conocerlas.
Él, como el eterno Hijo de Dios, que había estado en Su seno antes de todos los mundos, había conocido toda la bienaventuranza y felicidad del amor y favor del Padre, Su propio Padre, resplandeciendo sobre Él, porque “con Él estaba ordenándolo todo, y fue Su delicia todos los días, teniendo solaz delante de Él en todo tiempo” (Prov. 8:30). Cuando, pues, en lugar de amor sintió Su desagrado, en lugar de los rayos de Su favor experimentó el ceño y los terrores de Su ira, en lugar de la luz de Su rostro gustó las tinieblas y la lobreguez del desamparo, ¿qué corazón puede concebir, qué lengua expresar la amarga angustia que debió de desgarrar el alma de nuestro Fiador sufriente bajo esta experiencia agonizante?
Al lector…
A veces el Señor hace sentir a un alma algo de la ira de Dios por sus pecados, de la maldición de la ley y del terror de una conciencia culpable. ¿Lo ha conocido usted, y pensó que nadie podía hundirse tan hondo en el cieno como usted? Mire entonces a Aquel en Quien el Señor cargó toda la iniquidad. Todo lo que usted haya sentido jamás no es sino un reflejo tenue y débil de lo que Él soportó en el huerto y en la cruz, cuando la copa de dolor fue puesta en Su mano y la corriente le anegó.
Aquel que desde la eternidad estuvo en el seno del Padre gustó las tinieblas del desamparo, para que Su pueblo no tuviera que carecer para siempre de la luz del rostro de Dios. Deje que eso humille su corazón, pero deje también que le dé ánimo. La carga que Él ha llevado, un pobre pecador ya no tiene que llevarla. Mire, pues, con su culpa al Fiador sufriente, e inclínese en adoración ante el amor que estuvo dispuesto a descender tan hondo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl