10 augustus
Maar de engel, antwoordende, zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet, want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was.
Mattheüs 28:5
Wat onze staat of geval ook moge zijn, indien waarlijk van ons kan gezegd worden hetgeen de engel sprak tot de vrouwen bij het graf: „Ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was”, dan hebben wij een Goddelijk bewijs om te geloven dat Hij ons is voorgegaan naar Galilea. Daar zullen wij Hem zien. Hij is opgestaan. Hij is opgevaren en heeft gaven ontvangen voor de mensen, ja voor wederhorigen, opdat God onder hen wonen mocht. Hij zit nu op de genadestoel en Hij nodigt en trekt arme, nooddruftige zondaren tot Zich.
Hij zegt: „Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.” Hij vergunt, ja nodigt ons ons hart voor Hem uit te storten en onze bezwaren voor Hem neder te leggen, gelijk Hiskia de brief uitspreidde voor Gods aangezicht in de tempel. Indien wij gemeenschap met Hem zoeken, dan mogen en zullen ook wij Hem zeggen hoe dringend wij Hem van node hebben; dat zonder Hem het leven geen leven is, en met Hem de dood geen dood is.
Wij zullen Hem smeken onze afkeringen te genezen, Zijn liefde en bloed aan onze consciëntie te openbaren; ons het kwaad der zonde te ontdekken; ons te zegenen met een Goddelijke droefheid over ons struikelen en vallen. Wij zullen Hem smeken ons te bewaren voor het kwade, dat het ons niet smarte; ons te leiden in Zijn geheiligde waarheid en te behoeden voor alle dwaling; Zijn vreze diep in ons hart te planten, een of andere belofte aan onze ziel toe te passen, met ons te zijn op al onze paden, ons te bewaren in ons in- en uitgaan; ons te behoeden voor hoogmoed, zelfbedrog en eigengerechtigheid. Wij zullen Hem smeken of Hij ons schenken wil vernieuwde blijken van ons aandeel in Zijn volbracht werk; onze ongerechtigheid wil ten onder brengen; ons een tedere consciëntie wil geven en ze teder wil houden en in ons werken hetgeen Hem behaagt.
Wat is de gemeenschap anders dan een wederkerig geven en ontvangen; het ineenvloeien van twee harten; het ineensmelten van twee willen, waarvan toch elke partij haar zelfzijn handhaaft, en waar toch de één voor de ander een voorwerp is van genegenheid en vermaak? Hebben wij dan niets aan Christus te geven? Ja, onze zonden, onze smarten, onze lasten, onze beproevingen, en bovenal de zaligheid en heiligmaking van onze zielen. En wat heeft Hij ons te geven? Wat? Wel, alles wat waarde heeft om te bezitten, alles wat nodig is voor de tijd en voor de eeuwigheid.
Aan de lezer…
Hoe vaak zoekt u Jezus, Die gekruisigd was, en durft u toch niet te zeggen dat u Hem gevonden hebt! Misschien is uw staat zo, dat u vreest dat er voor u geen plaats is. Maar kan het waarlijk van u gezegd worden dat u Hem zoekt, dan geldt ook u het woord: „Vreest gijlieden niet.” Hij is opgestaan, Hij zit op de genadestoel, en Hij nodigt en trekt arme, nooddruftige zondaren tot Zich.
Kom dan tot Hem, zoals u bent, vermoeid en belast. Spreid uw bezwaren voor Hem uit, zoals Hiskia de brief uitspreidde in de tempel. Zeg Hem hoe dringend u Hem van node hebt, dat zonder Hem het leven geen leven is. U hebt Hem niets te brengen dan uw zonden, uw smarten en uw lasten; maar Hij heeft u te geven alles wat nodig is voor de tijd en voor de eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar de engel, antwoordende, zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet, want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was.
Mattheüs 28:5
Wat onze staat of toestand ook mag zijn: als werkelijk van ons gezegd kan worden wat de engel tot de vrouwen bij het graf sprak: „Ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was”, dan hebben wij een Goddelijk bewijs om te geloven dat Hij ons is voorgegaan naar Galilea. Daar zullen wij Hem zien. Hij is opgestaan. Hij is opgevaren en heeft gaven ontvangen voor de mensen, ja voor de wederhorigen, opdat God onder hen zou wonen. Hij zit nu op de genadetroon, en Hij nodigt en trekt arme, nooddruftige zondaren tot Zich.
Hij zegt: „Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.” Hij staat ons toe, ja nodigt ons uit, om ons hart voor Hem uit te storten en onze bezwaren voor Hem neer te leggen, zoals Hiskia de brief voor Gods aangezicht in de tempel uitspreidde. Als wij gemeenschap met Hem zoeken, dan mogen en zullen ook wij Hem zeggen hoe dringend wij Hem nodig hebben; dat zonder Hem het leven geen leven is, en met Hem de dood geen dood.
Wij zullen Hem smeken onze afkeringen te genezen, Zijn liefde en bloed aan ons geweten te openbaren, ons het kwaad van de zonde te laten zien, en ons te zegenen met een Goddelijke droefheid over ons struikelen en vallen. Wij zullen Hem smeken ons te bewaren voor het kwade, zodat het ons geen smart doet; ons te leiden in Zijn geheiligde waarheid en te behoeden voor alle dwaling; Zijn vreze diep in ons hart te planten, een of andere belofte op onze ziel toe te passen, met ons te zijn op al onze paden, ons te bewaren in ons in- en uitgaan, en ons te behoeden voor hoogmoed, zelfbedrog en eigengerechtigheid. Wij zullen Hem smeken of Hij ons nieuwe blijken wil schenken van ons deel aan Zijn volbracht werk; of Hij onze ongerechtigheid wil onderwerpen; of Hij ons een teder geweten wil geven en het teder wil houden, en in ons wil werken wat Hem behaagt.
Wat is gemeenschap anders dan wederzijds geven en ontvangen; het samenvloeien van twee harten; het samensmelten van twee willen, waarbij toch elke partij zichzelf blijft, en waarbij toch de één voor de ander een voorwerp is van genegenheid en vreugde? Hebben wij Christus dan niets te geven? Ja: onze zonden, onze smarten, onze lasten, onze beproevingen, en bovenal de zaligheid en heiligmaking van onze ziel. En wat heeft Hij ons te geven? Wat? Wel, alles wat het waard is om te bezitten, alles wat nodig is voor de tijd en voor de eeuwigheid.
Aan de lezer…
Hoe vaak zoekt u Jezus, Die gekruisigd was, en durft u toch niet te zeggen dat u Hem gevonden hebt! Misschien is uw staat zo, dat u vreest dat er voor u geen plaats is. Maar als werkelijk van u gezegd kan worden dat u Hem zoekt, dan geldt ook voor u het woord: „Vreest gijlieden niet.” Hij is opgestaan, Hij zit op de genadetroon, en Hij nodigt en trekt arme, nooddruftige zondaren tot Zich.
Kom dan tot Hem zoals u bent, vermoeid en belast. Spreid uw bezwaren voor Hem uit, zoals Hiskia de brief uitspreidde in de tempel. Zeg Hem hoe dringend u Hem nodig hebt, en dat zonder Hem het leven geen leven is. U hebt Hem niets te brengen dan uw zonden, uw smarten en uw lasten; maar Hij heeft u alles te geven wat nodig is voor de tijd en voor de eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And the angel answered and said unto the women, Fear not ye: for I know that ye seek Jesus, which was crucified.”
Matthew 28:5
Whatever be our state and case, if it can truly be said of us what the angel said to the women at the sepulcher, “I know that you seek Jesus, Who was crucified,” we have a divine warrant to believe that “He is gone before us into Galilee. There shall we see Him.” He is risen; He has ascended up on high, and “has received gifts for men, yes, for the rebellious also, that the Lord God might dwell among them.” He is now upon the mercy-seat, and He invites and draws poor needy sinners to Himself. He says, “Come unto Me, all you that are weary and heavy laden, and I will give you rest.” He allows us, He invites us to pour out our heart before Him, to show before Him our trouble, to spread our needs at His feet, as Hezekiah spread the letter in the temple.
If we seek communion with Him, we may and shall tell Him how deeply we need Him, that without Him it is not life to live, and with Him not death to die. We shall beg of Him to heal our backslidings; to manifest His love and blood to our conscience; to show us the evil of sin; to bless us with godly sorrow for our slips and falls; to keep us from evil that it may not grieve us; to lead us into His sacred truth; to preserve us from all error; to plant His fear deep in our heart; to apply some precious promise to our soul; to be with us in all our ways; to watch over us in all our goings out and comings in; to preserve us from pride, self-deception, and self-righteousness; to give us renewed tokens of our saving interest in His finished work; to subdue our iniquities; to make and keep our conscience tender; and work in us everything which is pleasing in His sight.
What is communion but mutual giving and receiving, the flowing together of two hearts, the melting into one of two wills, the exchange of two loves—each party maintaining its distinct identity, yet being to the other an object of affection and delight? Have we nothing, then, to give to Christ? Yes, our sins, our sorrows, our burdens, our trials, and above all the salvation and sanctification of our souls. And what has He to give us? What? Why, everything worth having, everything worth a moment’s anxious thought, everything for time and eternity.
To the reader…
How often you seek Jesus, Who was crucified, and yet do not dare to say that you have found Him! Perhaps your state is such that you fear there is no place for you. But if it can truly be said of you that you seek Him, then the word applies to you too: “Fear not ye.” He is risen, He sits upon the mercy-seat, and He invites and draws poor, needy sinners to Himself.
Come to Him, then, just as you are, weary and heavy laden. Spread your burdens out before Him, as Hezekiah spread the letter in the temple. Tell Him how urgently you need Him, and that without Him life is no life. You have nothing to bring Him but your sins, your sorrows, and your burdens; but He has everything to give you that is needed for time and for eternity.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y respondiendo el ángel, dijo a las mujeres: No temáis vosotras; porque yo sé que buscáis a Jesús, que fue crucificado.
Mateo 28:5
Sea cual fuere nuestro estado y condición, si verdaderamente puede decirse de nosotros lo que el ángel dijo a las mujeres en el sepulcro: “Yo sé que buscáis a Jesús, que fue crucificado”, tenemos una garantía divina para creer que “va delante de vosotros a Galilea; allí le veréis”. Él ha resucitado; ha subido a lo alto y “tomó dones para los hombres, y también los rebeldes, para que habite entre ellos Jehová Dios”. Él está ahora sobre el propiciatorio, e invita y atrae a Sí a los pobres pecadores necesitados. Él dice: “Venid a Mí todos los que estáis trabajados y cargados, que Yo os haré descansar.” Él nos permite, nos invita a derramar delante de Él nuestro corazón, a manifestar delante de Él nuestra angustia, a extender nuestras necesidades a Sus pies, como Ezequías extendió la carta en el templo.
Si buscamos comunión con Él, podemos y habremos de decirle cuán profundamente le necesitamos; que sin Él vivir no es vida, y con Él morir no es muerte. Le rogaremos que sane nuestras rebeliones; que manifieste Su amor y Su sangre a nuestra conciencia; que nos muestre la maldad del pecado; que nos bendiga con tristeza según Dios por nuestros tropiezos y caídas; que nos guarde del mal para que no nos aflija; que nos guíe a Su sagrada verdad; que nos preserve de todo error; que plante Su temor hondo en nuestro corazón; que aplique alguna preciosa promesa a nuestra alma; que esté con nosotros en todos nuestros caminos; que vele sobre nosotros en todas nuestras salidas y entradas; que nos preserve del orgullo, del engaño propio y de la justicia propia; que nos dé renovadas señales de nuestra parte salvadora en Su obra consumada; que sujete nuestras iniquidades; que haga y mantenga tierna nuestra conciencia; y que obre en nosotros todo lo que es agradable delante de Él.
¿Qué es la comunión sino un mutuo dar y recibir, el confluir de dos corazones, el fundirse en uno de dos voluntades, el intercambio de dos amores, manteniendo cada parte su identidad distinta y siendo, sin embargo, para la otra objeto de afecto y deleite? ¿No tenemos, pues, nada que dar a Cristo? Sí: nuestros pecados, nuestras penas, nuestras cargas, nuestras pruebas y, sobre todo, la salvación y santificación de nuestra alma. ¿Y qué tiene Él que darnos? ¿Qué? Pues todo lo que vale la pena tener, todo lo que merece un momento de pensamiento ansioso, todo para el tiempo y para la eternidad.
Al lector…
¡Cuántas veces busca usted a Jesús, que fue crucificado, y sin embargo no se atreve a decir que le ha hallado! Quizá su estado es tal que teme que no haya lugar para usted. Pero si de verdad puede decirse de usted que le busca, entonces la palabra se aplica también a usted: “No temáis vosotras.” Él ha resucitado, está sentado sobre el propiciatorio, e invita y atrae a Sí a los pobres pecadores necesitados.
Venga, pues, a Él tal como es, trabajado y cargado. Extienda sus cargas delante de Él, como Ezequías extendió la carta en el templo. Dígale cuán urgentemente le necesita, y que sin Él la vida no es vida. Usted no tiene nada que llevarle sino sus pecados, sus penas y sus cargas; pero Él tiene todo para darle cuanto se necesita para el tiempo y para la eternidad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl