1 augustus
Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen.
Psalm 90:16
„Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden.” Van schepselswerk lezen wij hier niets. Zij waren reeds lang geleden daarin afgesneden. En wat was de oorzaak dat hun werk tenietgedaan was? Wat was het, dat hun in dit opzicht de doodssteek had toegebracht? Dagen van smart en jaren waarin zij het kwaad gezien hadden. Deze hadden de levenssappen van ’s mensen verdiensten doen uitvloeien.
Hier vinden wij dan ook niet een gebed: „Laat onze werken gezien worden.” Neen, deze waren begraven in het graf van de verdorvenheden; zij waren verslonden en teniet geraakt in de dagen van druk en in de jaren in dewelke zij het kwaad gezien hadden. Maar zij vragen: „Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden.” Uw werk: het voleindigde werk van Uw Zoon, de gehoorzaamheid van Jezus aan de wet, het verzoenend bloed op Golgotha’s kruis vergoten, het werk dat Hij ondernam en volbracht. O, zo roept de man Gods in de ernst zijner ziel uit — en zijn onze harten door dezelfde Geest onderwezen, dan zullen wij ons daarmee verenigen — laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden!
Maar kunnen wij dit werk niet vinden in het Woord van God? Is dit niet genoegzaam? Kunnen wij dit werk niet horen verkondigen door goede mannen? En is dat niet voldoende? Kunnen wij er niet van lezen als het verklaard wordt door de pen van vaardige schrijvers? Ja zeker, dit is meer dan genoegzaam voor degenen die niet weten van dagen van druk en jaren van kwaad. Maar zo is het niet met Gods beproefde kinderen; zij hebben andere gedachten, andere behoeften.
Zij weten wat het zeggen wil, de duisternis over hun ziel te hebben. Zij kennen de kracht van het ongeloof en de hulpbehoevendheid van het schepsel, en zij weten dat niets minder dan het licht van Gods aangezicht, de openbaring van de genade Gods en de onderwijzing, lering en het getuigenis van de Geest van God het werk van Jezus in al Zijn schoonheid, gepastheid en heerlijkheid kan doen schijnen. En daarom kunnen zij zeggen: „Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden.”
Geef mij, Heere, door het levend geloof een gezicht van de genoegdoening van Jezus. Toon mij (de ziel roept met Mozes’ woorden), toon mij Uw heerlijkheid; openbaar in mijn hart het volbrachte werk van Jezus. Bespreng mijn consciëntie met Zijn verzoenend bloed; ontdek Hem aan mij en geef mij alzo een zoete openbaring van Zijn Persoon, liefde, bloed en volkomen zaligheid. Heere, laat mij dit voor ogen staan en in mijn hart verklaard en bezegeld worden met Goddelijke kracht op mijn consciëntie.
Aan de lezer…
Zijn uw eigen werken ook begraven geraakt, waarde lezer, in dagen van druk en jaren waarin u het kwaad gezien hebt? Dan weet u dat het u niet helpt dat anderen er goed over spreken of er schoon over schrijven. Het Woord ligt open, de waarheid wordt verkondigd, en toch blijft het donker in uw ziel. Wees daarover niet verwonderd en ook niet wanhopig: het is juist de weg waarlangs de Heere Zijn knechten leert dat niets minder dan het licht van Zijn aangezicht het werk van Jezus kan doen schijnen.
Laat dan dit gebed het uwe worden: „Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden.” Niet uw werk, maar Zijn werk; niet wat u voor Hem gedaan hebt, maar wat Hij op Golgotha volbracht heeft. Vraag Hem dat Hij uw consciëntie met dat verzoenend bloed besprenge en Zijn Persoon aan uw hart ontdekke. Die het werk ondernam en volbracht, zal het ook aan de beproefde ziel niet onthouden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen.
Psalm 90:16
„Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden.” Over het werk van het schepsel lezen wij hier niets. Daarin waren zij al lang geleden afgesneden. En wat was de oorzaak dat hun werk tenietgedaan was? Wat had hun in dit opzicht de doodsteek toegebracht? Dagen van smart en jaren waarin zij het kwade gezien hadden. Die hadden de levenssappen van de menselijke verdiensten doen wegvloeien.
Daarom vinden wij hier ook niet het gebed: „Laat onze werken gezien worden.” Nee, die waren begraven in het graf van de verdorvenheden; zij waren verslonden en tenietgegaan in de dagen van druk en in de jaren waarin zij het kwade gezien hadden. Maar zij vragen: „Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden.” Uw werk: het volbrachte werk van Uw Zoon, de gehoorzaamheid van Jezus aan de wet, het verzoenend bloed dat op het kruis van Golgotha vergoten is, het werk dat Hij op Zich nam en volbracht. O, zo roept de man Gods in de ernst van zijn ziel uit — en als onze harten door dezelfde Geest onderwezen zijn, zullen wij daarmee instemmen — laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden!
Maar kunnen wij dit werk niet vinden in het Woord van God? Is dat niet genoeg? Kunnen wij dit werk niet horen verkondigen door goede mannen? En is dat niet voldoende? Kunnen wij er niet over lezen wanneer het door de pen van bekwame schrijvers wordt uitgelegd? Ja zeker, dat is meer dan genoeg voor wie niet weten van dagen van druk en jaren van kwaad. Maar zo is het niet met Gods beproefde kinderen; zij hebben andere gedachten en andere behoeften.
Zij weten wat het betekent duisternis over hun ziel te hebben. Zij kennen de kracht van het ongeloof en de hulpeloosheid van het schepsel. En zij weten dat niets minder dan het licht van Gods aangezicht, de openbaring van Gods genade, en het onderwijs, de lering en het getuigenis van de Geest van God het werk van Jezus in al zijn schoonheid, gepastheid en heerlijkheid kan doen schijnen. Daarom kunnen zij zeggen: „Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden.”
Geef mij, Heere, door het levend geloof een gezicht op de genoegdoening van Jezus. Toon mij (zo roept de ziel met de woorden van Mozes), toon mij Uw heerlijkheid; openbaar in mijn hart het volbrachte werk van Jezus. Besprenkel mijn geweten met Zijn verzoenend bloed; ontdek Hem aan mij en geef mij zo een zoete openbaring van Zijn Persoon, liefde, bloed en volkomen zaligheid. Heere, laat mij dit voor ogen staan, en laat het in mijn hart verklaard en met Goddelijke kracht op mijn geweten verzegeld worden.
Aan de lezer…
Zijn uw eigen werken ook begraven geraakt, lezer, in dagen van druk en jaren waarin u het kwade gezien hebt? Dan weet u dat het u niet helpt dat anderen er goed over spreken of er mooi over schrijven. Het Woord ligt open, de waarheid wordt verkondigd, en toch blijft het donker in uw ziel. Wees daarover niet verwonderd en ook niet wanhopig: het is juist de weg waarlangs de Heere Zijn knechten leert dat niets minder dan het licht van Zijn aangezicht het werk van Jezus kan doen schijnen.
Laat dan dit gebed het uwe worden: „Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden.” Niet uw werk, maar Zijn werk; niet wat u voor Hem gedaan hebt, maar wat Hij op Golgotha volbracht heeft. Vraag Hem of Hij uw geweten met dat verzoenend bloed wil besprenkelen en Zijn Persoon aan uw hart wil ontdekken. Hij Die het werk op Zich nam en volbracht, zal het ook aan de beproefde ziel niet onthouden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Let thy work appear unto thy servants, and thy glory unto their children.”
Psalm 90:16
“Let Your work appear unto Your servants.” Creature works we here read nothing of. They had been long ago cut to the very ground. And what had been their deathblow? What had driven the dagger into their very heart? “Days of affliction, and years of evil.” These had been their destruction; creature righteousness they had stabbed to the very heart, and let out the life-blood of human merit.
There is no petition, then, “Let our works appear!” No. These were buried in the grave of corruption; these were swallowed up and lost in “days of affliction, and years of evil.” But, “Let Your work,” the finished work of the Son of God; the obedience of Jesus to the law; the atoning blood which He shed upon Calvary’s tree; the work which He undertook, went through, and completed—“Oh,” breathes forth the man of God in earnest cry (and our hearts if they have been taught by the same Spirit will unite in the same strain), “let Your work appear unto Your servants!”
What! can we not see that work in the Word of God? is not that sufficient? Can we not hear that work set forth by good men? is not that sufficient? Can we not read it as opened up by the pen of ready writers? is not that sufficient? Yes; for those who have never seen “days of affliction, and years of evil,” amply sufficient; but not for God’s exercised children; they have other thoughts and other feelings upon these matters. They know what darkness of mind is, the power of unbelief, and creature helplessness; and they know that nothing short of the light of God’s countenance, the manifestation of God’s mercy, and the teaching and witness of God the Spirit, can make the work of Jesus appear in all its beauty, suitability, and glory; and therefore they can say,
“Let Your work appear unto Your servants. Give me, Lord, a sight by living faith of the atonement of Jesus. Show me” (the soul would cry in the language of Moses), “show me Your glory; reveal in my heart the finished work of Jesus; sprinkle my conscience with His atoning blood; discover Him to me, and thus give me a sweet manifestation of His Person, love, blood, and complete salvation. Let it, Lord, appear before my eyes, and in my heart, and seal it with divine power upon my conscience.”
To the reader…
Have your own works also been buried, reader, in days of affliction and years in which you have seen evil? Then you know that it does not help you that others speak well of the work of Christ or write beautifully about it. The Word lies open, the truth is proclaimed, and yet it remains dark in your soul. Do not be surprised at that, nor despair over it: it is precisely the way by which the Lord teaches His servants that nothing less than the light of His countenance can make the work of Jesus shine.
Let this prayer, then, become yours: “Let Thy work appear unto Thy servants.” Not your work, but His work; not what you have done for Him, but what He accomplished on Calvary. Ask Him to sprinkle your conscience with that atoning blood and to discover His Person to your heart. He Who undertook the work and completed it will not withhold it from the tried soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Aparezca en tus siervos tu obra, y tu gloria sobre sus hijos.”
Salmo 90:16
“Aparezca en Tus siervos Tu obra.” De obras de la criatura no leemos aquí nada. Hacía mucho que habían sido cortadas hasta el suelo. ¿Y qué les había dado el golpe de muerte? ¿Qué les había clavado el puñal en el mismo corazón? Los días de aflicción y los años en que vieron mal. Estos habían sido su destrucción; habían apuñalado en el mismo corazón la justicia de la criatura, y derramado la sangre vital del mérito humano.
No hay, pues, ninguna petición: “¡Aparezcan nuestras obras!” No. Estas fueron sepultadas en la tumba de la corrupción; fueron tragadas y perdidas en los días de aflicción y los años en que vieron mal. Sino: “Tu obra”, la obra consumada del Hijo de Dios; la obediencia de Jesús a la ley; la sangre expiatoria que derramó en el madero del Calvario; la obra que emprendió, llevó a cabo y completó. “Oh”, exhala el varón de Dios en ferviente clamor (y nuestros corazones, si han sido enseñados por el mismo Espíritu, se unirán en el mismo tono), “¡aparezca en Tus siervos Tu obra!”
¡Qué! ¿No podemos ver esa obra en la Palabra de Dios? ¿No basta eso? ¿No podemos oír esa obra expuesta por hombres buenos? ¿No basta eso? ¿No podemos leerla tal como la explica la pluma de escribientes muy ligeros? ¿No basta eso? Sí; para los que nunca han visto días de aflicción ni años de mal, basta sobradamente; pero no para los hijos ejercitados de Dios; ellos tienen otros pensamientos y otros sentimientos acerca de estas cosas. Ellos saben lo que son las tinieblas de la mente, el poder de la incredulidad y la impotencia de la criatura; y saben que nada menos que la luz del rostro de Dios, la manifestación de la misericordia de Dios, y la enseñanza y el testimonio de Dios el Espíritu, puede hacer aparecer la obra de Jesús en toda su hermosura, idoneidad y gloria; y por eso pueden decir:
“Aparezca en Tus siervos Tu obra. Dame, Señor, una visión por fe viva de la expiación de Jesús. Muéstrame” (clamaría el alma con las palabras de Moisés), “muéstrame Tu gloria; revela en mi corazón la obra consumada de Jesús; rocía mi conciencia con Su sangre expiatoria; descúbremelo, y dame así una dulce manifestación de Su Persona, Su amor, Su sangre y Su salvación completa. Haz, Señor, que aparezca ante mis ojos y en mi corazón, y séllala con poder divino sobre mi conciencia.”
Al lector…
¿Han sido sepultadas también sus propias obras, lector, en días de aflicción y en años en que ha visto el mal? Entonces sabe que no le ayuda que otros hablen bien de la obra de Cristo o escriban hermosamente sobre ella. La Palabra está abierta, la verdad se proclama, y sin embargo sigue oscuro en su alma. No se extrañe de ello ni desespere por ello: es precisamente el camino por el cual el Señor enseña a Sus siervos que nada menos que la luz de Su rostro puede hacer resplandecer la obra de Jesús.
Haga, pues, suya esta oración: “Aparezca en Tus siervos Tu obra.” No su obra, sino la de Él; no lo que usted ha hecho por Él, sino lo que Él consumó en el Calvario. Pídale que rocíe su conciencia con esa sangre expiatoria y que descubra Su Persona a su corazón. Aquel Que emprendió la obra y la completó no se la negará al alma probada.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl