1 juli
Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God.
Psalm 42:2
Welk een treffend zinnebeeld gebruikt David in deze woorden! Stel u voor een verwond hert, met een pijl in zijn zijde en vervolgd door een troep jagers en honden, alle begerig om te doden. Veronderstel dat het een geruime tijd is achtervolgd onder een brandende zon en over hopen zand, en denk daarbij dat dit arme, verwonde en aangeschoten dier op een afstand een helder vloeiend water bemerkt. O, wat begeert het daarnaar! Hoe hijgt zijn borst en verlangt het naar de frisse waterstroom, niet slechts om enige grote teugen van dit water te mogen genieten en zijn vermoeide leden te mogen verkwikken, maar ook om dit water te mogen oversteken, teneinde de jagers en honden te ontkomen.
Hoe treffend en sprekend is dit zinnebeeld! En toch, hoe treffend dit op zichzelf ook is, David brengt het slechts naar voren om het sterke verlangen zijner ziel naar God uit te drukken. Wij kunnen misschien de volle waarde van het zinnebeeld niet vatten; wij kunnen en durven ons niet met David te meten, of gebruik te maken van dezelfde uitdrukkingen, die de brandende, hevige en vurige begeerten uitdrukken, maar wij kunnen er althans uit zien wat de heiligen van ouds in tijden van verzoeking en beproeving hebben beleefd. En wij kunnen in enig opzicht de bevinding onzer ziel met de hunne vergelijken. Somtijds vervult dit ons met schaamte en verlegenheid over onze tekortkomingen, en somtijds worden wij erdoor bemoedigd en opgewekt, voor zover wij enigermate onze bevinding daarin aantreffen.
Want deze dingen zijn geschreven tot lering voor ons, op wie de einden der eeuwen gekomen zijn. Zo mogen wij in velerlei opzicht en tot verschillende einden, met Gods hulp en zegen, acht geven op zulke gezegden als wij vinden in de woorden van David, en in de vreze Gods onze harten onderzoeken, of wij daarin iets kunnen aantreffen dat overeenkomst heeft met het werk der genade, hetwelk de Heilige Geest beschrijft als in zijn ziel levend. Weest niet geheel terneergeworpen, noch geheel ontmoedigd, wanneer gij geen volle overeenkomst met Davids leven kunt vinden. Kunt gij er iets van ontdekken? Zo ja, grijpt dan moed, want de Heere veracht de dag der kleine dingen niet.
Het is Zijn eigen werk in het hart, en het is Zijn eigen werk alleen, dat Hij beschouwt, gelijk David zegt in Psalm 138:8: „De Heere zal het voor mij voleinden; Uw goedertierenheid, Heere, is in eeuwigheid, en laat niet varen de werken Uwer handen.” En dat werk zal te allen tijde een volledig afschrift zijn, zij het dan op kleine schaal, een volmaakt of verkleind portret van het werk der genade dat in het Woord beschreven is, zoals de Geest dit werkte in de harten van Gods kinderen van de oude tijd.
Aan de lezer…
Kent u iets van dat hijgen van het verwonde hert, lezer? Niet in de volle maat van David misschien; u durft u met hem niet te meten, en wanneer u zijn brandende woorden leest, beschaamt u de koelheid van uw eigen hart. Toch is er soms een zucht, een verlangen naar God Zelf, dat niets anders kan stillen. Is dat er, al is het nog zo zwak, weest dan niet geheel terneergeworpen.
De Heere veracht de dag der kleine dingen niet. Wat Hij in u werkt, is Zijn eigen werk, en dat beschouwt Hij met welgevallen, al is het slechts een verkleind portret van wat Hij in Zijn heiligen van ouds gewerkt heeft. Grijp dan moed, arme, vervolgde ziel. Hij Die het werk begon, zal het voor u voleinden, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid, en de werken Zijner handen laat Hij niet varen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God.
Psalm 42:2
Wat een treffend beeld gebruikt David in deze woorden! Stel u een gewond hert voor, met een pijl in zijn zijde en achtervolgd door een troep jagers en honden, die het allemaal willen doden. Stel dat het al geruime tijd is opgejaagd onder een brandende zon en over hopen zand, en bedenk daarbij dat dit arme, gewonde en aangeschoten dier in de verte helder stromend water ziet. O, wat verlangt het daarnaar! Hoe hijgt zijn borst en verlangt het naar de frisse waterstroom, niet alleen om een paar grote teugen van dat water te drinken en zijn vermoeide leden te verkwikken, maar ook om dat water over te steken en zo aan de jagers en honden te ontkomen.
Wat is dit beeld treffend en sprekend! En toch, hoe treffend het op zichzelf ook is, David gebruikt het alleen om het sterke verlangen van zijn ziel naar God uit te drukken. Wij kunnen de volle betekenis van het beeld misschien niet bevatten. Wij kunnen en durven ons niet met David te meten, of dezelfde uitdrukkingen te gebruiken die zulke brandende, hevige en vurige begeerten uitdrukken; maar wij kunnen er in elk geval uit zien wat de heiligen van vroeger in tijden van verzoeking en beproeving hebben doorgemaakt. En wij kunnen in zekere zin de bevinding van onze ziel met die van hen vergelijken. Soms vervult dat ons met schaamte en verlegenheid over onze tekortkomingen, en soms worden wij erdoor bemoedigd en opgewekt, voor zover wij er in zekere mate onze eigen bevinding in terugvinden.
Want deze dingen zijn geschreven tot lering voor ons, op wie de einden der eeuwen gekomen zijn. Zo mogen wij in veel opzichten en met verschillende doelen, met Gods hulp en zegen, letten op zulke uitspraken als wij vinden in de woorden van David. En wij mogen in de vreze Gods ons hart onderzoeken, of wij daarin iets vinden dat overeenkomt met het werk van de genade dat de Heilige Geest beschrijft als levend in zijn ziel. Wees niet helemaal terneergeslagen en niet helemaal ontmoedigd wanneer u geen volledige overeenkomst met het leven van David kunt vinden. Kunt u er iets van ontdekken? Zo ja, grijp dan moed, want de Heere veracht de dag der kleine dingen niet.
Het is Zijn eigen werk in het hart, en alleen Zijn eigen werk, waar Hij naar ziet, zoals David zegt in Psalm 138:8: „De Heere zal het voor mij voleinden; Uw goedertierenheid, Heere, is in eeuwigheid, en laat niet varen de werken Uwer handen.” En dat werk zal altijd een volledig afschrift zijn, al is het op kleine schaal, een volmaakt maar verkleind portret van het werk van de genade dat in het Woord beschreven is, zoals de Geest dat werkte in de harten van Gods kinderen in vroeger tijden.
Aan de lezer…
Kent u iets van dat hijgen van het gewonde hert? Misschien niet in de volle maat van David; u durft zich niet met hem te meten, en wanneer u zijn brandende woorden leest, beschaamt de koelheid van uw eigen hart u. Toch is er soms een zucht, een verlangen naar God Zelf, dat niets anders kan stillen. Is dat er, al is het nog zo zwak, wees dan niet helemaal terneergeslagen.
De Heere veracht de dag der kleine dingen niet. Wat Hij in u werkt, is Zijn eigen werk, en daar ziet Hij met welgevallen naar, al is het maar een verkleind portret van wat Hij in Zijn heiligen van vroeger gewerkt heeft. Grijp dan moed, arme, opgejaagde ziel. Hij Die het werk begon, zal het voor u voleinden, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid, en de werken van Zijn handen laat Hij niet varen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“As the hart panteth after the water brooks, so panteth my soul after thee, O God.”
Psalm 42:1
What a striking figure has David made use of in these words. Conceive a wounded stag, with the arrow in his flank or pursued by a crowd of hunters and hounds, all eager to pull him down; conceive him to have run for some space of time under a burning sun and over heaps of sand; and conceive that at a distance this poor wounded or hunted animal sees water gently flowing along. Oh, how it pants! How its heaving sides gasp, and how it longs for the cooling stream, not only that it may drink large draughts of the fresh waters and lave its panting flanks and weary, parched limbs—but, by swimming across, may haply escape the dogs and hunters at its heels. How strong, how striking the figure.
And yet strong as it is, how earnestly does David employ it to set forth the panting of his soul after God. We cannot, perhaps, rise up into the fullness of this figure; we cannot, we dare not lay our feelings stretched fully out side by side with his, or use the same burning, vehement, ardent expressions. But we may at least see from them what the saints of God have experienced in times of temptation and trial in days of old; and we may in some measure compare the feelings of our soul with theirs—sometimes to fill us with shame and confusion at our short-comings, sometimes to stimulate and encourage us so far as we experience a degree of similar teachings; for these things are written for our instruction, “upon whom the ends of the world are come.”
Thus in various ways and to various ends we may, with God’s help and blessing, look at and into such expressions as we find in the words of David, and in the fear of God search our hearts to see if we can find anything there corresponding to the work of grace that the Holy Spirit describes as existing in his soul. Nor be utterly cast down nor wholly discouraged if you cannot find a full or close similarity. Can you find any? If so, take encouragement, for the Lord despises not the day of small things.
It is His own work upon the heart and His own work alone to which He has regard, as David felt when he said, “The Lord will perfect that which concerns me—Your mercy, O Lord, endures forever; forsake not the works of Your own hands” (Psalm 138:8). And that work will ever be a copy in full or in miniature, a complete or reduced photograph, of the work of grace described in the Scripture as carried on by the Spirit in the hearts of God’s saints of old.
To the reader…
Do you know something of that panting of the wounded deer? Perhaps not in David’s full measure; you dare not measure yourself against him, and when you read his burning words, the coolness of your own heart puts you to shame. Yet there is at times a sigh, a longing for God Himself, that nothing else can still. If that is there, however faint it may be, then do not be wholly cast down.
The Lord does not despise the day of small things. What He works in you is His own work, and He looks upon it with delight, even if it is only a reduced portrait of what He wrought in His saints of old. Take courage, then, poor hunted soul. He Who began the work will perfect it for you, for His mercy endures forever, and He will not forsake the works of His own hands.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Como el ciervo brama por las corrientes de las aguas, así clama por ti, oh Dios, el alma mía.”
Salmo 42:1
¡Qué figura tan impresionante ha empleado David en estas palabras! Imagine usted un ciervo herido, con la flecha en el costado, o perseguido por una multitud de cazadores y perros, todos ansiosos por derribarlo; imagine que ha corrido durante algún tiempo bajo un sol abrasador y sobre montones de arena; e imagine que a lo lejos este pobre animal herido o perseguido ve agua que corre mansamente. ¡Oh, cómo jadea! ¡Cómo boquean sus costados agitados, y cómo anhela la corriente refrescante, no solo para beber grandes tragos de las aguas frescas y bañar sus flancos jadeantes y sus miembros cansados y resecos, sino para escapar quizás, cruzándola a nado, de los perros y cazadores que le pisan los talones! ¡Qué fuerte, qué impresionante es la figura!
Y sin embargo, fuerte como es, ¡con cuánto fervor la emplea David para expresar el anhelo de su alma por Dios! Quizás no podamos elevarnos a la plenitud de esta figura; no podemos, no nos atrevemos a poner nuestros sentimientos plenamente extendidos junto a los suyos, ni a usar las mismas expresiones ardientes, vehementes y fervorosas. Pero al menos podemos ver por ellas lo que los santos de Dios experimentaron en tiempos de tentación y prueba en los días antiguos; y podemos en alguna medida comparar los sentimientos de nuestra alma con los suyos: a veces para llenarnos de vergüenza y confusión por nuestras faltas, a veces para estimularnos y animarnos en la medida en que experimentamos un grado de enseñanzas semejantes; porque estas cosas están escritas para nuestra instrucción, “en quienes los fines de los siglos han parado”.
Así, de diversas maneras y con diversos fines, podemos, con la ayuda y la bendición de Dios, mirar y escudriñar expresiones como las que hallamos en las palabras de David, y en el temor de Dios examinar nuestros corazones para ver si hallamos allí algo que corresponda a la obra de gracia que el Espíritu Santo describe como existente en su alma. Y no se abata del todo ni se desanime por completo si no puede hallar una semejanza plena o estrecha. ¿Puede hallar alguna? Si es así, cobre ánimo, porque el Señor no menosprecia el día de las pequeñeces.
Es a Su propia obra en el corazón, y solo a Su propia obra, a la que Él mira, como sintió David cuando dijo: “Jehová cumplirá por mí: tu misericordia, oh Jehová, es para siempre; no dejarás la obra de tus manos” (Salmo 138:8). Y esa obra será siempre una copia, completa o en miniatura, una fotografía de tamaño completo o reducido, de la obra de gracia que la Escritura describe como llevada adelante por el Espíritu en los corazones de los santos de Dios de antaño.
Al lector…
¿Conoce usted algo de ese jadear del ciervo herido? Quizás no en la plena medida de David; no se atreve a medirse con él, y cuando lee sus palabras ardientes, la frialdad de su propio corazón le avergüenza. Sin embargo, hay a veces un suspiro, un anhelo de Dios mismo, que ninguna otra cosa puede calmar. Si eso está ahí, por débil que sea, no se abata del todo.
El Señor no menosprecia el día de las pequeñeces. Lo que Él obra en usted es Su propia obra, y la mira con agrado, aunque solo sea un retrato reducido de lo que obró en Sus santos de antaño. Cobre ánimo, pues, pobre alma perseguida. El que comenzó la obra la cumplirá por usted, porque Su misericordia es para siempre, y no dejará la obra de Sus manos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl