14 augustus
En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen; erfgenamen Gods en medeërfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.
Romeinen 8:17
O, hoe zalig is het, een kind Gods te zijn! Kan het hart het ooit bevatten, of de tong het uitdrukken, welke de hoogten en diepten der genade en heerlijkheid, de veiligheid, het geluk, de eer, de zegen en het genot is van een erfgenaam Gods en een mede-erfgenaam van Christus te zijn? Wij zullen spoedig ons sterfelijk lichaam moeten afleggen; spoedig met de wormen des grafs en de kluiten des dals moeten nederliggen; spoedig de onzichtbare wereld ingaan. Wel mogen wij ons dan afvragen welke onze vooruitzichten voor de eeuwigheid zijn. Waar zal dan onze erfenis zijn? Zal het eeuwige ellende en smart, een wenen en knersing der tanden zijn, of de geneugten die aan Gods rechterhand zijn, eeuwig en altoos?
Hebben wij enig bewijs of getuigenis dat wij kinderen Gods zijn? Heeft de Geest ooit enige rechtstreekse of zijdelingse getuigenis gegeven van ons kindschap, van erfgenaam te zijn? Wanneer wij een blik terugslaan op onze ervaringen, kunnen wij dan bewijzen vinden dat wij met geloof en hoop, als gezonde getuigen naar de Schrift, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus zijn? Kunt gij op die gedenkwaardige tijd terugzien, toen het de Heere behaagde voor de eerste maal op uw geweten te werken en u van zonde te overtuigen? Op die tijd der liefde, toen Christus voor het eerst aan uw hart geopenbaard werd? Op die dag van verdrukking en benauwdheid, toen een zoete belofte van een zaligmakend deel aan Zijn liefde en bloed met Goddelijke kracht aan uw ziel verzegeld werd? Kunt gij enig vast en stellig teken of bewijs vinden dat gij een deelgenoot zijt van de zaligmakende en heiligmakende genade, uit God geboren, als een pelgrim en vreemdeling van de wereld gescheiden, op reis door duizend vijanden en vrezen heen naar het hemelse vaderland?
Het betekent niets zich te verlaten op de getuigenis van mensen, of op een ijdele hoop die haar oorsprong heeft in een hart vol eigengerechtigheid en bedrog. Het is de meer of minder duidelijke getuigenis van de Geest met onze geest, het inschijnen van het licht van des Heeren aangezicht, de openbaring van Zijn tegenwoordigheid en liefde, die alleen een kind van God gerust kan doen zijn dat hij is een deelgenoot Zijner genade en heerlijkheid die geopenbaard zal worden bij de komst van de Heere Jezus.
Hij heeft de kracht zijns werks getoond
aan ’t volk, waarbij Hij gunstrijk woont.
Hij gaf ten hunnen nutt’ en voordeel
hun d’ erve van het heidendom.
Des Heeren werken zijn alom
en altoos waarheid, recht en oordeel.
Ps. 111:2
Aan de lezer…
Vraagt u zich wel eens in ernst af waar uw erfenis zal zijn, wanneer wij spoedig ons sterfelijk lichaam moeten afleggen en de onzichtbare wereld ingaan? Het is geen vraag om te ontwijken, en ook geen vraag die beantwoord kan worden met de getuigenis van mensen of met een ijdele hoop uit een hart vol eigengerechtigheid. Zulke grond zal in die ure bezwijken.
Zie dan terug, niet om u te kwellen, maar om te zoeken naar Zijn sporen. Was er een tijd dat de Heere op uw geweten werkte en u van zonde overtuigde? Bent u als een pelgrim en vreemdeling van de wereld gescheiden geraakt, op reis naar het hemelse vaderland? Het is de getuigenis van de Geest met uw geest, al is die soms meer en soms minder duidelijk, die u gerust kan doen zijn. Bid daarom om Zijn tegenwoordigheid en liefde; want zijn wij kinderen, zo zijn wij ook erfgenamen Gods en medeërfgenamen van Christus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen; erfgenamen Gods en medeërfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.
Romeinen 8:17
O, hoe zalig is het een kind van God te zijn! Kan het hart ooit bevatten, of de tong ooit uitdrukken, wat de hoogten en diepten van genade en heerlijkheid zijn, wat de veiligheid, het geluk, de eer, de zegen en het genot is om een erfgenaam van God en een mede-erfgenaam van Christus te zijn? Binnenkort zullen wij ons sterfelijk lichaam moeten afleggen, bij de wormen in het graf en de kluiten van het dal moeten gaan liggen en de onzichtbare wereld ingaan. Dan mogen wij ons wel afvragen wat onze vooruitzichten voor de eeuwigheid zijn. Waar zal dan onze erfenis zijn? Zal het eeuwige ellende en smart zijn, wening en knersing der tanden, of de genietingen aan Gods rechterhand, eeuwig en altoos?
Hebben wij enig bewijs of getuigenis dat wij kinderen van God zijn? Heeft de Geest ooit, direct of indirect, getuigenis gegeven van ons kindschap, van ons erfgenaam-zijn? Wanneer wij terugzien op onze bevinding, kunnen wij dan bewijzen vinden dat wij, met geloof en hoop als betrouwbare getuigen naar de Schrift, erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus zijn? Kunt u terugzien op die gedenkwaardige tijd waarin het de Heere behaagde voor het eerst aan uw geweten te werken en u van zonde te overtuigen? Op die tijd van liefde, toen Christus voor het eerst aan uw hart werd geopenbaard? Op die dag van verdrukking en nood, toen een zoete belofte dat u deel hebt aan Zijn liefde en bloed met Goddelijke kracht aan uw ziel werd verzegeld? Kunt u enig vast en zeker teken of bewijs vinden dat u deel hebt aan de zaligmakende en heiligmakende genade, dat u uit God geboren bent en als een pelgrim en vreemdeling van de wereld gescheiden, op reis door duizend vijanden en vrezen heen naar het hemelse vaderland?
Het heeft geen enkele waarde om op het getuigenis van mensen te steunen, of op een ijdele hoop die voortkomt uit een hart vol eigengerechtigheid en bedrog. Alleen het getuigenis van de Geest met onze geest, of het nu meer of minder duidelijk is, alleen het licht van het aangezicht van de Heere dat in ons hart schijnt, alleen de openbaring van Zijn tegenwoordigheid en liefde, kan een kind van God gerust doen zijn dat hij deel heeft aan Zijn genade en aan de heerlijkheid die bij de komst van de Heere Jezus geopenbaard zal worden.
Hij heeft de kracht zijns werks getoond
aan ’t volk, waarbij Hij gunstrijk woont.
Hij gaf ten hunnen nutt’ en voordeel
hun d’ erve van het heidendom.
Des Heeren werken zijn alom
en altoos waarheid, recht en oordeel.
Ps. 111:2
Aan de lezer…
Vraagt u zich weleens in ernst af waar uw erfenis zal zijn, wanneer wij binnenkort ons sterfelijk lichaam moeten afleggen en de onzichtbare wereld ingaan? Het is geen vraag om te ontwijken, en ook geen vraag die beantwoord kan worden met het getuigenis van mensen of met een ijdele hoop uit een hart vol eigengerechtigheid. Zo’n grond zal in dat uur bezwijken.
Zie dan terug, niet om uzelf te kwellen, maar om naar Zijn sporen te zoeken. Was er een tijd dat de Heere aan uw geweten werkte en u van zonde overtuigde? Bent u als een pelgrim en vreemdeling van de wereld gescheiden, op reis naar het hemelse vaderland? Het is het getuigenis van de Geest met uw geest, al is het soms meer en soms minder duidelijk, dat u gerust kan doen zijn. Bid daarom om Zijn tegenwoordigheid en liefde; want als wij kinderen zijn, dan zijn wij ook erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And if children, then heirs; heirs of God, and joint-heirs with Christ; if so be that we suffer with Him, that we may be also glorified together.
Romans 8:17
O the blessedness of being a child of God! Can heart conceive or tongue express the heights and depths of grace and glory, the safety, the happiness, the honor, the bliss, the delight of being an heir of God and a joint-heir with Christ? We soon shall have to put off our mortal bodies—soon have to lie down with the worms of the grave, and the clods of the valley—soon have to enter into the invisible world. Well may we then ask ourselves what are our prospects of eternity? Where then will be our inheritance? Will it be one of eternal misery and woe, of weeping and wailing and gnashing of teeth, or of the pleasures which are at God’s right hand for evermore?
Have we any evidence or testimony that we are the children of God? Has the Spirit ever borne any direct or indirect witness to our adoption into His family—to our sonship and to our heirship? When we review our past experience, can we find any marks that we can look upon with a good measure of faith and hope as sound, scriptural evidences that we are heirs of God and joint-heirs with Christ?
Can you look back upon that memorable season when the Lord was first pleased to work upon your conscience and convince you of your sins?—to that time of love when Christ was first revealed to your heart?—to that day of affliction and trouble when a sweet promise of a saving interest in His love and blood was sealed with divine power upon your soul? Can you find any solid, substantial marks or tokens that you are a partaker of saving and sanctifying grace, born of God, separated from the world as a pilgrim and a stranger, and pressing onward through a thousand foes and fears to a heavenly country?
It is of no use leaning upon the testimony of man, or upon any vain hopes or presumptuous confidence that may spring up in a self-righteous, deceitful heart. It is the witness of the Spirit with our spirit, more or less clear—the shining in of the light of the Lord’s countenance—the manifestations of His presence and love, which alone can really satisfy a child of God of his being a partaker of grace and of the glory that is to be revealed at the coming of the Lord Jesus.
To the reader…
Do you sometimes ask yourself in earnest where your inheritance will be, when before long we must put off this mortal body and enter the invisible world? It is not a question to avoid, nor one that can be answered by the testimony of others or by a vain hope from a self-righteous heart. Such a ground will give way in that hour.
Look back, then, not to torment yourself, but to search for His footprints. Was there a time when the Lord worked upon your conscience and convinced you of sin? Have you been separated from the world as a pilgrim and a stranger, journeying to the heavenly country? It is the witness of the Spirit with your spirit, sometimes clearer and sometimes less clear, that can set you at rest. Pray, therefore, for His presence and love; for if we are children, then we are also heirs of God and joint-heirs with Christ.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y si hijos, también herederos; herederos de Dios, y coherederos con Cristo; si empero padecemos juntamente con Él, para que juntamente con Él seamos glorificados.
Romanos 8:17
¡Oh, la bienaventuranza de ser hijo de Dios! ¿Puede el corazón concebir o la lengua expresar las alturas y profundidades de gracia y gloria, la seguridad, la felicidad, el honor, la dicha, el deleite de ser heredero de Dios y coheredero con Cristo? Pronto tendremos que despojarnos de nuestros cuerpos mortales; pronto tendremos que yacer con los gusanos del sepulcro y los terrones del valle; pronto tendremos que entrar en el mundo invisible. Bien podemos preguntarnos entonces: ¿cuáles son nuestras perspectivas para la eternidad? ¿Dónde estará entonces nuestra herencia? ¿Será una de miseria y desdicha eternas, de lloro y lamento y crujir de dientes, o de las delicias que están a la diestra de Dios para siempre?
¿Tenemos alguna evidencia o testimonio de que somos hijos de Dios? ¿Ha dado alguna vez el Espíritu algún testimonio, directo o indirecto, de nuestra adopción en Su familia, de nuestra filiación y de nuestra herencia? Cuando repasamos nuestra experiencia pasada, ¿podemos hallar algunas señales que podamos mirar con una buena medida de fe y esperanza como evidencias sanas y bíblicas de que somos herederos de Dios y coherederos con Cristo?
¿Puede usted mirar atrás a aquella temporada memorable en que al Señor le plugo por primera vez obrar en su conciencia y convencerle de sus pecados? ¿A aquel tiempo de amor en que Cristo fue revelado por primera vez a su corazón? ¿A aquel día de aflicción y angustia en que una dulce promesa de una parte salvadora en Su amor y en Su sangre fue sellada con poder divino en su alma? ¿Puede hallar algunas señales o prendas sólidas y sustanciales de que es partícipe de la gracia salvadora y santificadora, nacido de Dios, separado del mundo como peregrino y extranjero, y que prosigue a través de mil enemigos y temores hacia una patria celestial?
De nada sirve apoyarse en el testimonio del hombre, o en vanas esperanzas o confianza presuntuosa que puedan brotar en un corazón engañoso y lleno de justicia propia. Es el testimonio del Espíritu a nuestro espíritu, más o menos claro, el resplandor de la luz del rostro del Señor, las manifestaciones de Su presencia y de Su amor, lo único que realmente puede satisfacer a un hijo de Dios de que es partícipe de la gracia y de la gloria que ha de ser revelada en la venida del Señor Jesús.
Al lector…
¿Se pregunta a veces en serio dónde estará su herencia, cuando dentro de poco tengamos que despojarnos de este cuerpo mortal y entrar en el mundo invisible? No es una pregunta que se deba eludir, ni una que pueda responderse con el testimonio de otros o con una vana esperanza de un corazón lleno de justicia propia. Tal fundamento cederá en aquella hora.
Mire, pues, atrás, no para atormentarse, sino para buscar Sus huellas. ¿Hubo un tiempo en que el Señor obró en su conciencia y le convenció de pecado? ¿Ha sido separado del mundo como peregrino y extranjero, en camino hacia la patria celestial? Es el testimonio del Espíritu a su espíritu, a veces más claro y a veces menos, lo que puede darle reposo. Pida, por tanto, Su presencia y Su amor; porque si somos hijos, también somos herederos de Dios y coherederos con Cristo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl