Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Ontelbare schatten!

Wat een prachtig boek is de Bijbel! Het bevat ontelbare schatten van barmhartigheid en genade, wijsheid en waarheid – verborgen voor het natuurlijke oog, maar van tijd tot tijd door de Heilige Geest geopenbaard aan het verlichte begrip van de familie van God. Dat het Woord van God voor de grote massa van belijdende christenen, en dan bedoelen wij degenen die zonder enig goddelijk leven in hun ziel gewoon een plaats van aanbidding bezoeken, een gesloten boek is, blijkt overduidelijk uit een of twee feiten. Hoewel de Schrift in ieders handen is en van kinds af aan tot op hoge leeftijd meestal wordt gelezen of gehoord, is het niet alleen zo dat zij niet begrepen wordt, maar vaak zelfs niet eens wordt onthouden. Wij durven gerust te zeggen dat jij willekeurig duizend mensen uit de middenklasse kunt nemen, met een degelijke opleiding, die regelmatig naar de kerk gaan en dus voortdurend de Schrift horen lezen, en dat je er nauwelijks vijf zult vinden die een tekst correct kunnen citeren of je kunnen vertellen waar die te vinden is – behalve misschien een vaag idee, opgedaan uit de bewoordingen, dat het in het Oude of Nieuwe Testament staat.

Toont dat niet aan dat ze worden gehoord zonder enige belangstelling? Zou Shakespeare, Milton of Byron even vaak worden voorgelezen en toch niet worden onthouden? De woorden van een dwaas lied worden in een paar minuten geleerd en meteen opgepikt door elke jongen op straat. Maar wie herinnert zich het Woord van God, behalve om het te misbruiken en te lasteren? Eén keer lezen bracht “Uncle Tom” steviger in het geheugen van duizenden dan de Bijbel die zij hun hele leven hebben gelezen. Hoe weinig lijken zij ook de betekenis ervan te begrijpen! Een paar duidelijke teksten waarin handelingen worden gevraagd, lijken ze op het eerste gezicht te begrijpen, maar zelfs deze ontnemen ze hun geestelijke betekenis en leggen ze neer als plichten die door alle mensen moeten worden vervuld, in plaats van als vruchten die door de Heilige Geest in de harten, lippen en levens van de familie van God worden voortgebracht.

Maar deze grove duisternis van geest met betrekking tot de Schrift is niet alleen een negatief kwaad; ze heeft onvermijdelijk gevolgen die bijna gevaarlijker zijn dan de blindheid zelf. Een blinde man kan, zolang hij stilzit, voorkomen dat hij struikelt. Pas wanneer hij begint te lopen valt hij om en breekt hij ledematen of zijn nek. Zo is het ook in de godsdienst: wanneer de blinden gaan bewegen en denken dat zij zeker religieus zijn, struikelen zij en vallen zij van de ene dwaling in de andere. Zonder goddelijk onderricht kunnen zij niet anders dan fouten maken; zonder goddelijk licht kunnen zij niet anders dan vallen. Wij zeggen niet dat zij geen natuurlijk licht hebben, maar wat zij zien, zien zij vanuit een verkeerd standpunt; wat zij doen, doen zij uit verkeerde motieven; hun vage en flakkerende opvattingen van goed en kwaad leiden slechts tot zelfingenomenheid, en juist de plichten die zij proberen te vervullen verblinden hun ogen voor de weg van verlossing door soevereine genade. Zoals een man die verdwaald is in een bos, is elke schijnbare stap naar buiten slechts een stap die hem dieper het woud in voert; zoals iemand die vastzit in een moeras, vermoeit en put elke poging zich te bevrijden, maar wordt slechts dieper verstrikt.

Van dienaren van de waarheid wordt soms gezegd dat zij te sterk spreken over de vreselijke toestand van de mens door de zondeval, maar in werkelijkheid is het onmogelijk om de blindheid en duisternis van het menselijk hart met woorden te overdrijven. Noch pen noch tong kunnen de ellende en volkomen hulpeloosheid van een toestand adequaat weergeven, zoals deze in de Schrift beschreven wordt in twee zeer plechtige passages: “Daarom konden zij niet geloven, dewijl Jesaja wederom gezegd heeft: Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze” (Johannes 12:39-40); en: “Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen die verloren gaan, In dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is” (2 Korinthe 4:3-4).

Vergelijk nu deze vreselijke toestand, die zo duidelijk en levendig wordt beschreven, met de toestand van de ziel waarin het ware licht, dat de Heere “het licht des levens” noemt, is gaan schijnen. Dat wordt prachtig beschreven in twee passages die we als tegenhangers citeren van de eerder genoemde teksten: “Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte; Om te verschijnen dengenen die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te richten op den weg des vredes.” (Lukas 1:78-79); en: “Want God, Die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus” (2 Korinthe 4:6).

Er staan veel mooie en eenvoudige getuigenissen in het Woord der Waarheid over dit werk van de Geest in het hart, waardoor Hij dat hart opent met het licht van het Levende. “De opening Uwer woorden geeft licht.” “in Uw licht zien wij het licht.” “De ogen van ons verstand worden verlicht.” “Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen maar zal het licht des levens hebben.” Gelukkig is degene die aldus verlicht is door de Geest uit de hoogte. Hij wandelt niet langer in de duisternis en in de schaduw van de dood. Zoals Mozes, ziet hij nu Hem die onzichtbaar is. Wanneer dat licht doordringt tot in de donkere hoeken van het hart – de ware kaars van de Heere, die alle ingewanden doorzoekt – ontdekt het de eigen toestand als gevallen zondaar. Schijnt het op de heiligheid en gerechtigheid van God, zoals geopenbaard in de Schrift, dan maakt het de breedte en geestelijkheid van de wet bekend, de toorn van God die de zondaren toekomt en Zijn rechtvaardig oordeel over alle overtreders.

Maar de gezegende Geest houdt hier niet op; Hij gaat verder met het verlichten van de ziel om de weg van de verlossing uit te stippelen. Zijn bijzondere taak is de dingen van Christus te nemen en aan de ziel te openbaren. Hij werpt een helder licht op de barmhartigheid van God die geopenbaard is in Zijn geliefde Zoon; voert de ziel tot reiniging in Zijn bloed en bekleedt haar met Zijn gerechtigheid. Niet alleen dat, maar Hij past dit bloed toe en brengt de gerechtigheid nabij. Door Hem te zegenen met een openbaring van Christus en een getuigenis van Zijn belangstelling, leidt Hij de ziel tot steeds meer inzicht in de schoonheid van Zijn Persoon, de rijkdom, breedte, lengte, diepte en hoogte van Zijn stervende liefde, Zijn geschiktheid in al Zijn verbondskarakteristieken en ambten, en wat Hij is voor allen die Zijn Naam liefhebben en op Hem vertrouwen.

Ditzelfde licht, merken wij verder op, verspreidt zich ook over het Woord der waarheid, terwijl de gezegende ziel van tijd tot tijd de geïnspireerde pagina’s leest. Wij hebben vaak nagedacht over de woorden: “Toen opende Hij hun verstand, zodat zij de Schriften konden begrijpen.” Zolang dat niet gebeurt, worden de Schriften niet begrepen. Het oog kijkt er wel naar, maar net als wanneer het kijkt door een telescoop die niet scherp is gesteld; alles blijft vaag en onduidelijk. Zonder Christus – het licht van Christus in het verstand en het leven van Christus in het hart; zonder geloof in Zijn Persoon, hoop op Zijn barmhartigheid en liefde voor Zijn Naam – zijn de Schriften een duister raadsel. Geen leerstelling kan dan worden begrepen, geen ervaring beleefd, geen voorschrift uitgevoerd, geen belofte geloofd, geen uitnodiging aanvaard, geen waarheid genoten worden zonder een levend geloof in de goddelijke Openbaarder daarvan.

Ja, de Schrift wordt wel veel en wijd gelezen, maar slechts als een plicht, een dagelijkse of wekelijkse zelfopgelegde taak, een religieuze verrichtingsdrift waaraan een zekere verdienste wordt verbonden. Zo wordt het voor sommigen slechts een zoethoudertje voor het geweten, voor anderen hooguit een doorlezen van een bepaalde hoeveelheid woorden, letters, hoofdstukken en verzen die onwillig worden opgepakt en slecht neergelegd. De schoonheid, zegen, goddelijke zoetheid, onuitsprekelijke kracht en smaak, die door een gelovig hart in de Schrift worden gezien en gevoeld, zijn voor de ongelovige menigte onbekend, onproefbaar, onvoelbaar en onbeduidend. Wat het onderwerp ook is, hoe plechtig of zwaar – en wat kan er zwaarder zijn dan het eeuwige geluk of ongeluk van de ziel? – het Woord der waarheid laat zonder goddelijke toepassing geen indruk achter op het geweten. Dreigementen wekken geen angst of beven, scheppen geen vrees of overtuiging, ontlokken geen zucht of gekreun, zelfs niet een zwakke kreet: “God, wees mij, zondaar, genadig.” Beloften, uitnodigingen, de gedeelten die spreken over Christus en Zijn lijden, smelten niet, bewegen niet, raken niet, verzachten het geweten niet. Het onwedergeboren hart reageert niet op oordeel of genade. Hard als steen, koud als ijs, onbeweeglijk als een lijk ligt het dood in overtredingen en zonden.

Maar dat geldt niet voor het hart dat door de vinger van God is aangeraakt. Het vreest, het beeft, het smelt, het wordt zacht; het wordt opgetild en neergeworpen; het zucht, het bidt, het gelooft; het hoopt, het heeft lief; het treurt en verheugt zich; het heeft berouw – kortom, het leeft het leven van God, ademt, handelt en beweegt zich precies zoals de Heilige Geest het bezoekt en door genadige kracht werkt in het hart. Onder Zijn leiding worden de Schriften een nieuw boek, dat met nieuwe ogen wordt gelezen, met nieuwe oren gehoord, met nieuwe gevoelens overwogen en bedacht, met nieuw begrip begrepen en in een nieuw geweten gevoeld.

Afgezien van het bijzondere licht dat iemand, door God onderwezen, op bepaalde passages van de Schrift kan werpen – bijvoorbeeld stukken die op bijzondere wijze geopend, toegepast en gezegend zijn voor zijn ziel – is er wat we kunnen noemen een algemeen licht op het Woord der waarheid. Er is harmonie in Gods Woord; dat kan ook niet anders zijn. Het zou verraad aan de Heilige Geest zijn te denken dat er enige tegenstrijdigheid of positieve contradictie in de geïnspireerde bladzijden zou kunnen staan. Wanneer wij bevoorrecht zijn met een geestelijke, ervaringsgerichte kennis van Gods waarheid, krijgen we een sleutel waarmee we kasten kunnen openen die voor wijzen en verstandigen gesloten blijven, een aanwijzing die onze voeten leidt door de doolhoven waarin geleerde doctoren en ijverige theologen ronddwalen en verdwalen, een licht dat doordringt en doordrenkt tot in de verborgen diepten van het heiligdom, waar de schriftgeleerden en Farizeeën struikelen en vallen

Er is één diepe mijn, vooral in de Schrift, waarin een verbazingwekkende hoeveelheid nuttige instructies is opgeslagen, maar die zonder goddelijk licht niet kan worden doorgrond en onderzocht. De gouden schat daarin, want “er zit goudstof in”, kan dan niet worden blootgelegd. Wij bedoelen hiermee de personages uit de Schrift, wat we bijbelse biografieën kunnen noemen, in tegenstelling tot de bijbelse geschiedenis.

De Bijbel toont ons het leven en de daden van zondaars en heiligen, van belijdende christenen én van bezitters van de waarheid. Daardoor kent de bijbelse biografie twee fasen die overeenkomen met deze personages. Neem bijvoorbeeld Saul. Wat een schat aan lering – weliswaar angstaanjagend, maar nuttig – ligt er in zijn geschiedenis verborgen! Wat een beschrijving van een belijdend christen, van het begin tot het einde van zijn leven!

Het is de geschiedenis van een man aan wie wereldse eer en een vooraanstaande positie in de kerk van God ondanks zichzelf zijn opgedrongen, en die ten onder is gegaan en geruïneerd is omdat hij geen genade bezat. Het lijkt alsof God ons in hem wil laten zien dat de mooiste beginjaren, de veelbelovendste vooruitzichten en de opvallendste gaven slechts dienen om een mens die geen levend principe van geloof, vrees en gehoorzaamheid bezit dieper in het verderf te storten. In de geschiedenis van Saul zijn karaktereigenschappen te vinden waaruit zonder enige overdrijving of verfraaiing een volledig portret kan worden geschilderd dat een tederhartig kind van God tot in het diepst van zijn ziel doet beven.

Neem ook het karakter van David, dat op dezelfde manier naar voren komt in zijn woorden en daden, en richt je blik daarop en volg het gestaag door zijn hele geschiedenis heen. God lijkt ons in hem het tegenovergestelde van Saul te willen geven, en zo te tonen dat, zoals zonder genade niets kan redden, zo ook met genade niets kan verdoemen. Precies waar Saul struikelt en valt, staat David. Alles, de helderste en mooiste dingen, leiden tot Sauls ondergang; alles, de donkerste en smerigste dingen, leiden tot Davids opkomst. Overwinning en nederlaag zijn even rampzalig voor Saul; wanneer hij Agag verslaat, vernietigt hij zichzelf door hem te sparen; wanneer de Filistijnen de overwinning behalen, valt hij op zijn eigen zwaard. Voor David zijn overwinning en nederlaag beide een zegen. Als hij overwint, zoals toen hij Goliath versloeg, is dat omdat hij daardoor het vertrouwen en de genegenheid van het volk wint – een stap op weg naar de troon. En als hij in de bergen wordt opgejaagd als een patrijs, is dat louter een gezonde discipline en noodzakelijke training om de kroon met meer standvastigheid te dragen.

Toch kunnen wij bij het lezen van hun geschiedenis niet anders dan erkennen dat Saul terecht gestraft is en David terecht gezegend. Wij zijn het volkomen eens met dit oordeel over beiden. Niets in hun gedrag schokt ons moreel besef van goed en kwaad. Wij zien hoe Sauls oneerlijkheid, egoïsme, hypocrisie, ongehoorzaamheid en moordzuchtige, wraakzuchtige karakter en gedrag terecht de wraak van God over hem hebben gebracht.

Toch voelen wij, en daarin ligt de les die wij uit zijn ellendige geschiedenis kunnen trekken, dat hij, gezien de aard van de mens en zijn omstandigheden, nauwelijks anders had kunnen handelen. Tegelijk voelen wij dat hij anders zou hebben gehandeld als hij genade had gehad. Wij lezen over zijn einde, sluiten het boek en beven; maar komt dan de gedachte op dat God onrechtvaardig was hem zo ellendig te laten omkomen? Heeft hij niet gezondigd tegen de duidelijkste aanwijzingen en sterkste waarschuwingen? En toen hij eenmaal begon af te dwalen, ging hij dan niet van zonde tot zonde, van moord tot hekserij, totdat de barmhartigheid Zelf haar gezicht afwendde, niet in staat om een woord te spreken waarom de slag van het recht niet zou vallen?

David daarentegen toont niet alleen de triomf van genade als reddend principe, waardoor wij gesterkt worden in het geloof in haar soevereine kracht, maar schittert ook als levend bewijs van wat genade is als actief en invloedrijk principe. David wordt niet passief en mechanisch naar de troon gedragen, alsof hij in een wagen van de schaapskooien van Bethlehem naar het hof van Hebron wordt overgebracht. Genade werkt niet alleen in hem, maar wordt ook door hem werkzaam gemaakt. Zijn gebeden, tranen, geloof, gehoorzaamheid, oprechtheid, nederigheid, vertrouwensvol geloof en zelfs zijn angsten en conflicten komen naar voren. Wat genade is, doet en kan, is in hem even duidelijk te zien als wat de natuur is, doet en kan in Saul.

Plaat reactie

Bijbeltekst van de dag

Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ieder die de zonde doet, is een slaaf van de zonde.

Laatste Artikelen

Steun ons met een Donatie

Nieuwste Artikelen

Bijbeltekst van de dag

Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ieder die de zonde doet, is een slaaf van de zonde.