Toen God Mozes opdroeg de tabernakel in de woestijn op te richten als een blijvend symbool van de heilige menselijkheid van Zijn eigen geliefde Zoon (Hebr. 8:2; 9:11; Joh. 2:21), sprak Hij tot hem: “Spreek tot de kinderen Israëls, dat zij voor Mij een hefoffer3nemen; van allen man wiens hart zich vrijwillig bewegen zal, zult gijlieden Mijn hefoffer nemen. Dit nu is het hefoffer hetwelk gij van hen nemen zult: goud en zilver en koper; Alsook hemelsblauw en purper en scharlaken en fijn linnen en geitenhaar;En roodgeverfde ramsvellen en dassenvellen en sittimhout; Olie tot den luchter, specerijen ter zalfolie, en tot roking welriekende specerijen; Sardonyxstenen en vervullende stenen, tot den efod en tot den borstlap. En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone.”
Zo konden alle kinderen van Israël vrijelijk een offer brengen, ieder naar zijn vermogen en naar zijn bereidwilligheid. Zij waren allen verlost door bloed en kracht – het bloed van het paaslam en de nederlaag van hun vijanden in de Rode Zee; zij waren allen gedoopt tot Mozes in wolk en zee; allen aten hetzelfde geestelijke voedsel – het manna uit de hemel; allen dronken dezelfde geestelijke drank – het water uit de geslagen rots die hen volgde, welke rots Christus was (1 Kor. 10:2-4). Zij werden allen beschouwd als een heilig volk (Exodus 19:6; Lev. 21:44-45; Jeremia 2:3) en stonden typisch en representatief als Gods uitverkoren familie (Deut. 7:6).
Zo kon Bileam in profetische visioenen over hen zeggen: “Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob, ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël; de HEERE zijn God is met hem, en het geklank des Konings is bij hem” (Num. 23:21). Dit was de reden waarom de Heere hun offers voor de bouw en dienst van de tabernakel vroeg en aanvaardde. Als uitverkoren, verlost en heilig volk waren hun offers als het ware geheiligd door hun status en positie in het verbond dat met hen en hun vaderen Abraham, Isaak en Jakob was gesloten. Dat zij hun gaven mochten bijdragen aan de tabernakel waarin God Zelf zou wonen, was een groot voorrecht dat hun was verleend.
Openen onze lezers Exodus 34, dan vinden zij een prachtig verslag van de offers die werden gebracht en van de bereidwilligheid van het volk om te geven. Zij zagen het als zo’n groot voorrecht dat God hun gaven voor Zijn eigen heiligdom en dienst aanvaardde, dat een openbare verklaring nodig was om hen tegen te houden meer te geven dan nodig was (Exodus 36:5-7).
Een van de meest bijzondere kenmerken van deze offers was dat deze niet naar hun intrinsieke waarde werden gemeten, maar naar het vermogen en de bereidwilligheid van elke individuele gever. Zo brachten sommigen onyxstenen, anderen kostbare juwelen; sommigen boden goud en zilver aan, anderen koper; sommigen gaven blauw, purper en scharlaken, anderen rood geverfde ramvellen of dassenhuiden; sommigen fijn linnen, anderen geitenhaar. Had iemand een kostbare onyxsteen, een dure diamant, een mooie saffier of een uitgelezen amethist, dan was het een eer en groot voorrecht dat deze steen niet in een zak in zijn tent behouden bleef of in een ring aan de vinger van zijn vrouw schitterde, maar dat de onyx op het efod werd gedragen en de diamant of saffier op het borstschild van het oordeel, wanneer de hogepriester het heiligdom binnenging om de wil van de Heere te raadplegen (Exodus 38:9–12, 15–21).
Wat een nobele bestemming kreeg het goud toen het niet, zoals de buit van Achan, in de aarde verborgen werd, maar werd verwerkt tot het verzoendeksel of de gouden kandelaar, of diende voor het bekleden van het reukofferaltaar en de tafel voor de toonbroden (Exodus 25:17-18, 23-25, 31). Zelfs het geitenhaar dat door de vrouwen was gesponnen, kreeg een ereplaats toen het werd verwerkt tot één van de gordijnen waarbinnen de ark van de Heere stond (Exodus 26:7; 35:26; 2 Samuël 7:2). Toen de tabernakel voltooid werd en gezalfd met de heilige zalfolie die op elk deel was gesprenkeld (Exodus 30:22-29), en vooral toen deze vervuld werd met de heerlijkheid van de Heere, zodat Mozes er niet binnen kon gaan (Exodus 40:34-35), werd elk deel van het heiligdom en alle gebruiksvoorwerpen daarin evenzeer geheiligd, van de kostbare diamant tot het gesponnen geitenhaar, van het gepolijste onyx tot de ruwe dassenhuid. Alles was even waardevol, even aanvaardbaar, even apart gezet van gewoon gebruik, en voor altijd onveranderlijk gewijd aan de dienst van de Heere.
Nu komen wij bij de toepassing van ons onderwerp, want dit alles is niet zomaar geschreven zonder een duidelijke gedachte of speciaal doel. Bekijk de zaak vanuit geestelijk oogpunt. Iedereen die verlost is door bloed en kracht – het bloed van het kruis en het werk van de Heilige Geest die hem bevrijd heeft van de macht der duisternis en overgebracht heeft in het koninkrijk van Gods geliefde Zoon (Kol. 1:13) – iedereen die geestelijk in Christus gedoopt is en zo Christus aanvaard heeft (Gal. 3:27), iedereen die zich voedt met het verborgen manna (Openb. 2:17) en drinkt uit de volheid van Christus het water des levens (Joh. 7:37; Openb. 22:17), iedereen die op de dag van Christus voorbereid is (Ps. 110:3), wordt geroepen en mag vrijelijk offeren wat hij heeft tot de dienst van de Heere!
Hij is niet langer van zichzelf, maar gekocht en betaald. Daarom zijn zowel zijn lichaam als zijn geest van God (1 Kor. 6:19-20). Als dat zo is, dan zijn zijn tijd, zijn geld, zijn gaven en talenten, natuurlijk en geestelijk, zijn leven zelf – en zelfs zijn dood – niet van hem, maar van de Heere. Zij moeten vrijelijk worden gegeven en gebruikt in Zijn dienst. Niet dat iemand van ons deze dingen doet zoals het zou moeten, want wij zijn allen arm, traag, egoïstisch en onnutte dienaren (Lukas 17:10); slechts enkelen zien of voelen dat zij deze dingen kunnen en zouden moeten geven. Maar het is ons voorrecht en onze vreugde dat wij die mogen geven als we een gewillige geest en gehoorzame houding hebben, en het grootste zegen is dat de Heere ze aanvaardt (Rom. 12:1; Fil. 4:18; 1 Petr. 2:5).
Meer nog, zoals in het voorbeeld van de twee penningen van de weduwe, is het niet de kostbaarheid van het geschenk die de waarde bepaalt, maar het vermogen en de bereidwilligheid van de gever (2 Kor. 8:12). Zo kan een bosje geitenhaar even aanvaardbaar zijn als een diamant en kan de kleinste dienst, gedaan uit louter oogmerk tot Gods glorie en het welzijn van Zijn volk – zelfs het geven van een beker koud water in de Naam van een discipel (Matt. 10:42) – meer waard zijn dan de meest vorstelijke gift.
Plaat reactie